Pitch van max5odeur op webinar ‘Geur beleven en meten’

Reductie van stank, een slag in de lucht
Niet iedereen beseft het zich voldoende, maar stank is een aantasting van de persoonlijke levenssfeer. Stank is een inbreuk op het privéleven, op de privacy, in de zin van in je eigen domein je eigen keuzes kunnen maken. Stank, aanhoudende stank, of stank waarvan je niet weet wanneer die komt en wanneer die gaat – kan ertoe leiden dat een mens zich niet meer thuis voelt in eigen huis.

Burgers spreken over stank. Boeren, beleidsmakers en onderzoekers hebben het over geur. Er is sprake van een paradox: hoe meer stank, hoe meer er door de verantwoordelijken voor stank wordt gesproken over geur.
25 Jaar geleden werd er in politiek Den Haag nog gewoon gesproken over stankbeleid.
Rond de eeuwwisseling deed het eufemisme zijn intrede.
In 2006 zette de Wet Geurhinder Veehouderij de deur wagenwijd open voor een ongebreidelde schaalvergroting in de veehouderij. We ondervinden er nog dagelijks de gevolgen van. Veel, te veel bleek mogelijk binnen het concept ‘’aanvaardbaar niveau van geurhinder’’.
Het luchtwasserschandaal maakte een einde aan de illusie dat er zoiets als Best Beschikbare Technieken (BBT) bestaan voor stank. De betrouwbaarheid van de huidige methode voor het meten van stank uit veehouderij kwam ter discussie te staan. En daarmee het fundament onder het stankbeleid.
Gelukkig maar, want met luchtfietserij lossen we geen problemen op.
Beter is het om onder ogen te zien dat veel, zo niet alles berust op aannames.  Dat geldt tot dusver ook voor nieuwe staltechnieken. Reductie van stank is vooralsnog een slag in de lucht. De Wageningse onderzoeker Marith Booijen zegt: ‘’Geur is gewoon een lastige en complexe component.’’

Sinds er aandacht is voor het anders meten van stank, en er ook erkenning komt voor dé zwakke plek in het innovatieproces van nieuwe technieken, zijn burgers, boeren, beleidsmakers en onderzoekers meer dan ooit op elkaar aangewezen.
Het stankonderdeel in de Omgevingswet zal in samenspraak met burgers moeten worden aangepast.
Er is een hoog participatieniveau nodig om aan de hand van objectieve stankmetingen met behulp van sensoren nieuwe grenswaarden vast te stellen.
Uiteindelijk zal er per techniek, per stal, maar ook per toepassing, en per locatie bepaald moeten worden of zij voldoen aan die grenswaarden.
Daarbij kunnen we niet zonder een 0-meting, zoals ook door de Taskforce Versnelling Innovatie Veehouderij wordt bepleit. Duidelijk moet zijn hoeveel stank er moet worden gereduceerd, inclusief de compensatie voor falende luchtwassers.

De wet- en regelgeving zal een stuk eenvoudiger moeten, vergunningverlening mag geen ingewikkelde en voor leken onbegrijpelijke invuloefening meer zijn. De vijf jaar die er volgens de Taskforce moet worden uitgetrokken om met behulp van sensortechniek stank en fijnstof real time te gaan meten, lijkt ons realistisch – zeker gezien de eisen die burgers aan dergelijke metingen zullen stellen, zoals het meten van emissies én immissies. Terwijl de techneuten hun werk doen, kunnen boeren, burgers en beleidsmakers werken aan nieuwe stankregels en een nadere definitie van een aanvaardbaar niveau van stankhinder.

Tekst uitgesproken op het webinar van het Kennisplatform Veehouderij en Gezondheid, 29 april 2021

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

4 × 1 =