Dossier onderzoek

In dit dossier een overzicht van het onderzoek sinds 2015 naar stank en andere gezondheidseffecten veroorzaakt door veehouderij in Nederland. Voor het onderzoek naar luchtwassers, zie het dossier over het luchtwasserschandaal

28 februari 2018
Gezondheidsraad: duidelijke aanwijzingen voor gezondheidseffecten, geen hard bewijs
De aanwijzingen dat er een verband is tussen gezondheidseffecten en veehouderij worden steeds sterker, maar hard bewijs voor een oorzakelijk verband ontbreekt nog. Niettemin is een reductie van de uitstoot van fijnstof en van ammoniak van belang. Welke reductieniveaus hierbij moeten worden nagestreefd is een politieke afweging.

Dat is de kern van het advies van de Gezondheidsraad over de gezondheidsrisico’s van wonen in de buurt van veehouderijen. De Gezondheidsraad heeft al het beschikbare landelijke en internationale wetenschappelijk onderzoek erop nageslagen, inclusief het in 2016 en 2017 gepubliceerde onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO).

Gegevensbasis nog te smal
Het VGO legde op basis van grootschalig onderzoek in Brabant en Limburg het verband bloot tussen veehouderijen en gezondheidseffecten bij omwonenden: in de omgeving van pluimveehouderijen en geitenhouderijen komt meer longontsteking voor; in veedichte gebieden is eveneens sprake van meer luchtwegklachten.
De Gezondheidsraad stelt dat de aanwijzingen voor het gevonden verband wel duidelijker zijn geworden, maar over het geheel genomen is de gegevensbasis nog te smal om te spreken van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten.

Fijnstof
Dat alle fijnstof schadelijk is, ook de grovere fractie (PM2,5-10) in de omgeving van veehouderijen, wordt volgens de Gezondheidsraad steeds duidelijker. Wel kan het spectrum van de gezondheidseffecten anders zijn dan in een stedelijke omgeving, vanwege de hogere concentraties endotoxinen en micro-organismen (bacteriën, parasieten, schimmels en virussen) in de deeltjescocktail rond veehouderijbedrijven, aldus de Gezondheidsraad. Preciezere uitspraken hierover zijn bij de huidige stand van kennis echter nog niet mogelijk.

Geurhinder
De Gezondheidsraad kijkt, mede op aanraden van geraadpleegde deskundigen, verder dan fijnstof. Welbevinden en leefbaarheid hangen ook samen met gezondheidsrisico’s. ”In verband hiermee dient het beleid zich bijvoorbeeld ook te richten op het terugdringen van geurhinder en op een betere naleving van de bestaande voorschriften op dit gebied. Ook is er blijvende aandacht nodig voor nieuwe vormen van bedrijfsvoering en bedrijfshygiëne. Daarvan zullen niet alleen omwonenden kunnen profiteren, maar ook werknemers in de veehouderijsector. Bovendien zal het dierenwelzijn ermee gediend kunnen worden.”

Hart- en vaatziekten en longkanker
Verder doet de Gezondheidsraad nog een opmerkelijke uitspraak over hart- en vaatziekten en longkanker. Onderzoek naar de relatie tussen deze ziekten en veehouderijen ontbreekt. In stedelijke omgevingen is dat risico wel uitvoerig onderzocht. ”Deze gezondheidseffecten zijn met zekerheid of grote waarschijnlijkheid het gevolg van blootstelling aan fijnstof.”
De Gezondheidsraad neemt het advies van de Commissie Luchtkwaliteit over om emissies uit bronnen aan te pakken die de ‘deken’ van fijnstof boven Nederland veroorzaken. De landbouwsector is een van die bronnen. Vervolgonderzoek is voor de onderbouwing van dit beleid niet nodig, aldus de Gezondheidsraad. Met andere woorden: er is genoeg bekend, doe er wat aan.

18 september 2017
GGD Brabant: 2 km afstand geitenhouderij en woningen
Gevallen van longontsteking kunnen worden voorkomen door een afstand van 2 kilometer aan te houden tussen een geitenbedrijf en omwonenden. Dit stelt de Brabantse GGD in een reactie op het onderzoek van Veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO).
De GGD noemt het verhoogde risico op longontsteking rondom geitenhouderijen zorgelijk, mede omdat niet duidelijk is waardoor dit wordt veroorzaakt. ”Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak, beschouwt de GGD vanuit gezondheid de afstand van 2 kilometer als kritisch omdat er binnen deze afstand sprake is van een grotere kans op longontsteking”, aldus de GGD.
Reactie GGD Brabant op VGO augustus 2017

18 september 2017
Ruim 600 gevallen van longontsteking door geitenhouderij Gelderland
In Gelderland doen zich jaarlijks ruim 600 gevallen van longontsteking voor die samenhangen met de aanwezigheid van een geitenhouderij. Dit heeft de Gelderse GGD becijferd op grond van het onderzoek naar Veehouderij, gezondheid omwonenden (VGO). De Gelderse GGD komt uit op een verhoogd risico op longontsteking van 10%.

Dit percentage wijkt af van het risicopercentage dat wordt aangehouden in het VGO-onderzoek. De VGO-onderzoekers gaan uit van een extra risico op longontsteking in de buurt van geitenhouderijen van 5,4%.
De GGD heeft een herberekening gemaakt omdat er in Gelderland meer woningen in het 2 km gebied rond geitenhouderijen liggen dan in het onderzoeksgebied. In totaal wonen in Gelderland 225.000 inwoners binnen een straal van 2 km rond een geitenhouderij.
De GGD Gelderland heeft een notitie opgesteld in opdracht van de Provincie Gelderland. Die heeft in augustus, mede op basis van de risico-inschatting van de GGD, besloten tot een geitenstop. Volgens de GGD zijn de genoemde aantallen eerder een onderschatting dan een overschatting van de werkelijke aantallen.

Notitie_Geitenhouderij_en_gezondheid_–_duiding_van_het_extra_risico_op_longontsteking_bij_omwonenden_van_
geitenhouderijen_in_Gelderland

17 september 2017
Duizend tot vijftienhonderd extra longontstekingen door pluimveehouderij
Landelijk gezien doen zich bij omwonenden van pluimveehouderijen zo’n duizend tot 1500 longontstekingen extra per jaar voor. Dat zei prof. Dick Heederik in een toelichting op het gezondheidsonderzoek onder omwonenden. Hij praatte op 13 september de Tweede Kamer bij over nieuwe bevindingen.

Heederik was eerder altijd terughoudend over het vertalen van de regionale onderzoekresultaten naar landelijk niveau, maar op grond van recente resultaten durft hij wel landelijke aantallen te noemen. Het risico is behoorlijk constant en ligt op ongeveer 7% van alle longontstekingen bij omwonenden van pluimveehouderijen.
De oorzaak moet worden gezocht in stof en endotoxinen, hoewel specifieke bacteriën niet kunnen worden uitgesloten.

Voor de geitenhouderij ligt het percentage op 5,4%. Over de exacte oorzaak van deze longontstekingen tast men nog in het duister. Toch heeft Heederik wel een idee: een plausibele verklaring kan worden gezocht in het mestmanagement. Sinds de Q-koortsepidemie moet de mest gedurende een maand afgedekt op het bedrijf blijven liggen. Als na die periode het afdekmateriaal wordt verwijderd, komen er bacteriën en schimmels vrij, afkomstig van het composteringsproces, aldus Heederik. ”Mensen die veel buiten zijn, lopen een veel hoger risico dan mensen die weinig buiten komen. Dat verhoogde risico zien we vooral bij de geiten.”

De oplossing van het gezondheidsprobleem moet worden gezocht in een lokale aanpak, op bedrijfsniveau. Daar moeten de emissies naar beneden, aldus Heederik. De risico’s kunnen worden beperkt door de mest direct af te voeren.

12 september 2017
Meer dieren dan vergund in zeker zes Brabantse gemeenten
In zeker zes Brabantse gemeenten worden meer dieren gehouden dan vergund. Het gaat om veertig procent van vijftien onderzochte gemeenten. Tot deze conclusie komt de provincie Brabant na een onderzoek naar overtredingen binnen de veehouderij.

Het onderzoek heeft een hele reeks aan overtredingen aan het licht gebracht. Daardoor liggen de emissies van fijnstof, geur en ammoniak hoger dan op grond van vergunningen wordt aangenomen. In totaal zijn dertig veehouderijen onder de loep genomen.

Het blijkt dat gemeenten veel te weinig handhaven. Dit terwijl duidelijk is dat er teveel dieren worden gehouden, luchtwassers niet aan staan, en de bedrijfsvoering niet in overeenstemming is met het vergunde stalsysteem. Allemaal overtredingen die een grote impact hebben op de leefomgeving.

Vooral bij pluimveebedrijven was sprake van andere systemen dan vergund.
Verder laat de opslag van mest – volgens voorschrift in een afgesloten container of afgesloten compartiment – bij enkele bedrijven veel te wensen over, waardoor sprake is van verhoogde ammoniakemissies.

Emissiebeperkende maatregelen
De veehouderijen krijgen subsidie voor emissiebeperkende maatregelen en mogen dankzij deze maatregelen vaak meer dieren houden. Maar dan moet er wel een registratie worden bijgehouden van de toepassing van deze maatregelen. Luchtwassers moeten elektronisch worden gemonitord. Bij een derde van de bedrijven was er óf in het geheel geen sprake van elektronische monitoring of de registratieapparatuur was nog niet op orde.

Aan het onderzoek is deelgenomen door veehouderijen in Bernheze, Mill en Sint Hubert, Sint Anthonis, Sint-Michielsgestel, Bergeijk, Deurne, Gemert-Bakel, Laarbeek, Heeze-Leende, Oirschot, Reusel-de Mierden, Hilvarenbeek, Oisterwijk, Roosendaal en Werkendam.

Inspectierapport IBT_veehouderij Brabant

4 september 2017
Onderzoekers meten verdubbeling ammoniakuitstoot bij leghennen
Er zijn sterke aanwijzingen dat leghennen in zogeheten volièresystemen veel meer ammoniak produceren dan in vergunningen is aangegeven. Metingen hebben aangetoond dat er twee keer zoveel ammoniak vrijkomt.

Omdat deze volièresystemen op grote schaal worden toegepast, gaat het om grote hoeveelheden dieren. Naar schatting 30 miljoen leghennen worden in Nederland in een dergelijk systeem gehouden, inclusief de vrije-uitloophennen en de biologisch gehouden leghennen.

De zogeheten emissiefactoren die worden gebruikt bij de vergunningverlening om vast te stellen hoeveel leghennen er gehouden kunnen worden, zijn verouderd. Uit onderzoek is gebleken dat ze niet meer representatief zijn voor de huidige praktijk. Recent uitgevoerde metingen vallen hoger uit, doordat er gebruik is gemaakt van nieuwe, verbeterde meetmethoden, maar ook doordat de wijze van afdraaien en beluchten van de mest niet (meer) overeenkomt met bijbehorende stalbeschrijvingen.

Nieuwe metingen geven aan dat er twee keer zoveel ammoniak wordt uitgestoten. De verschillen zijn zo groot dat er meer meetgegevens nodig zijn om op verantwoorde wijze nieuwe emissiefactoren te kunnen vaststellen, concluderen de onderzoekers van Wageningen Livestock Research H. Ellen, C.M. Groenestein en N.W M. Ogink in hun rapport. Ook de emissie uit vaak toegepaste droogtunnels is veel hoger dan de bestaande emissiefactoren aangeven.

Het onderzoek verklaart wellicht waarom omwonenden van leghennenhouderijen veel meer stank ervaren dan op grond van de verleende vergunning is toegestaan. Ammoniak is een van de bestanddelen van de stank die leghennen produceren. De onderzoeksresultaten sluiten aan bij een advies van het RIVM uit 2015 over geur en veehouderij. Het RIVM constateerde dat de modellen waarmee geur wordt berekend, niet geschikt zijn voor de huidige stallen en ventilatiesystemen.

Klik hier voor het rapport Actualisering ammoniak emissiefactoren pluimvee

17 maart 2017
Door mestdroogtunnels meer ammoniak en stank
Mestdroogtunnels – favoriet bij pluimveehouders vanwege een verlaging van de afvoerkosten van mest – zijn slecht voor het milieu en omwonenden. Ze leiden tot een verhoging van de ammoniakuitstoot en een toename van de stank.

Volgens Hilko Ellen van Wageningen Universiteit kan de ammoniakuitstoot soms wel 100 keer hoger zijn dan vergund. Dat komt onder meer doordat pluimveehouders de mest door middel van mestbandbeluchting eerst in de stal voordrogen. ”Wanneer leghennenhouders de mest in de stal voordrogen, vindt er in de stal ammoniakvorming plaats en stijgt de ammoniakuitstoot”, aldus Ellen op pluimveeweb.nl. Vast is komen te staan dat wanneer de mest een drogestofgehalte van 45% bereikt, er een explosie van ammoniak plaatsvindt. Hij adviseert de mest dagelijks uit de stal te verwijderen en naar de droogtunnel af te voeren. Hij zei dat op een beurs voor intensieve veehouderij in Venray.

Dat mestdroogtunnels leiden tot meer ammoniak en stank staat ook al beschreven in het rapport ”Additionele maatregelen ter vermindering van emissies van bioaerosolen uit stallen: verkenning van opties, kosten en effecten op de gezondheidslast van omwonenden”. In het rapport wordt gesproken over een probleemverschuiving: minder fijnstof, maar meer ammoniak en stank.
Uit metingen blijkt dat de toename van ammoniak circa 200 gram per dierplaats per jaar bedraagt. Uitgaande van tien miljoen leghennen in Nederland die in een stal zitten met een mestdroogtunnel, zou het gaan om een niet berekende uitstoot van in totaal 2 miljoen kilo NH3. Het Nederlandse ammoniakplafond voor de gehele veehouderij is vastgesteld op in totaal 128 miljoen kilo.

16 maart 2017
Minder stank en stof bij ander concept pluimveestallen
Door mest zo snel mogelijk uit pluimveestallen te verwijderen kan de uitstoot van ammoniak, geur, fijnstof en endotoxines sterk worden verlaagd. Dat zei ir. Albert Winkel van Wageningen Universiteit tijdens de beurs voor intensieve veehouderij in Venray.

Winkel, die is gepromoveerd op een studie naar het stof dat pluimveestallen produceren, was uitgenodigd als gastspreker. Hij pleit voor de ontwikkeling van nieuwe stalsystemen, waarin het nemen van een stofbad en het scharrelen in strooisel wordt gescheiden van de plekken waar de kippen rusten, eten en eieren leggen. Stofbaden en scharrelen zijn activiteiten waarbij het meeste stof vrij komt. Dat kan het beste in een ruimte, waar het strooisel zo min mogelijk mestresten bevat en waar beperkt wordt geventileerd.
De mest die onder de roosters van de volières terecht komt, kan het beste dagelijks via mestbanden uit de stal worden afgevoerd, aldus Winkel.


27 oktober 2016
Onderzoek vakbond varkenshouders schetst vertekend beeld stankoverlast
De Nederlandse Vakbond van Varkenshouders (NVV) heeft zelf een onderzoek laten uitvoeren naar geurhinder en geurbeleving bij omwonenden van varkenshouderijen. ”Geurhinder in de nabijheid van varkensbedrijven wordt door omwonenden niet of nauwelijks ervaren”, zo stelt de vakbond vast.
Een conclusie waarin de meeste omwonenden van varkensbedrijven zich slecht zullen herkennen. De verklaring is echter simpel. Dat er volgens de NVV zo weinig geurhinder voorkomt, heeft te maken met de opzet van het onderzoek. Aan de telefonische enquête hebben 669 omwonenden meegedaan die binnen een straal van 1500 meter van een varkensbedrijf wonen. Daarvan wonen er 395 op een afstand van meer dan 800 meter.
”Wegens de lage dichtheid aan woningen in de nabije omgeving rond veeteeltbedrijven, werden voornamelijk respondenten bekomen op verdere afstand van de betreffende varkenshouderijen”, zo lichten de onderzoekers toe.
Bovendien zijn er slechts vijf varkenshouderijen onder de loep genomen (in Boxtel, Leende, Udenhout, Raamsdonk en Elst). Vier van de vijf stallen beschikken over een luchtwasser. Het onderzoeksrapport vermeldt niet of de stallen ten tijde van het onderzoek (volledig) in gebruik waren. Het gaat om bedrijven die kleiner zijn dan gemiddeld (het grootste heeft 1920 vleesvarkens), en in de wijde omtrek van vier van de vijf bedrijven bevindt zich geen andere varkenshouderij. Niet erg representatief dus.
Hierdoor ontstaat een vertekend beeld.
Het onderzoek is uitgevoerd door het Vlaams Instituut voor Landbouw en Visserij-onderzoek en Olfascan.

Omroep Brabant laat de Brabantse Milieufederatie aan het woord:
De Brabantse Milieufederatie (BMF) heeft veel vraagtekens bij het rapport. Het is maar een steekproef rond vijf bedrijven en er zijn duizenden varkenshouders in de provincie.
“Als de NVV beweert dat 97 procent van de mensen geen stankoverlast heeft, hoe kan het dan dat in Oost-Brabant mensen steen en been klagen over de varkenshouders?”, zegt Nol Verdaasdonk van de BMF. “Er zijn genoeg mensen die nooit in de tuin kunnen zitten of met open raam kunnen slapen vanwege een varkensboer in de buurt.”

Klik hier voor het rapport


30 maart 2015
Stankoverlast leidt tot gezondheidsklachten

Omwonenden die stankoverlast ervaren van een megastal met kippen of varkens, of van een boerderij met veel kippen, varkens en koeien, hebben meer gezondheidsklachten.

Dit blijkt uit een publicatie van onderzoekers van het NIVEL en IRAS van Universiteit Utrecht in het wetenschappelijke tijdschrift Annals of Agricultural and Environmental Medicine. Het onderzoek dateert van 2010 maar is onlangs in het tijdschrift gepubliceerd.

Regelmatige stankoverlast kan leiden tot chronische stress. Omwonenden die last hebben van de stank, zeggen vaker te hoesten en verkouden te zijn, last te hebben van duizeligheid, maagpijn, buikpijn en obstipatie. Klachten door chronische stress – zoals slapeloosheid, angst en depressie – komen vaker voor. Daarnaast beoordelen zij hun eigen gezondheid een stuk slechter dan mensen die geen stankoverlast hebben. Ondanks dat mensen die stankoverlast ervaren meer gezondheidsklachten rapporteren, gaan er slechts weinigen voor deze klachten naar de huisarts.

Veel protesten, klachten bij huisartsen en burgerinitiatieven tegen stankoverlast in de Peel, waren voor IRAS en NIVEL aanleiding om de gevolgen daarvan op de gezondheid van omwonenden te onderzoeken. Zij deden dat in opdracht van het ministerie van Economische Zaken. In totaal hebben 753 mensen een vragenlijst ingevuld.

Halve kilometer
Mensen boven de 40, immigranten en mensen met een hogere opleiding hebben meer overlast van stank door veel varkens, kippen, of koeien binnen een halve kilometer afstand van hun woning dan anderen. Opmerkelijk is dat mensen die meer stankoverlast ervaren, het idee hebben dat ze dichter bij de veehouderijbedrijven wonen dan ze werkelijk doen. NIVEL-onderzoeker Mariëtte Hooiveld: “Zij schatten de afstand tot het veehouderijbedrijf waarschijnlijk kleiner in, omdat zij hun klachten daarmee in verband brengen.”

Onderzoek
De gegevens over het gebruik van gezondheidszorg van deze mensen zijn afkomstig uit de elektronische dossiers van de huisartsenpraktijken in de buurt. Het aantal varkens, kippen en runderen binnen een halve kilometer is vastgesteld met gegevens over vergunningen voor veehouderijbedrijven van de provincies Noord-Brabant en Limburg.

Het onderzoek bevestigt de resultaten van eerdere, buitenlandse onderzoeken. Op dit moment loopt er een groot onderzoek naar de effecten van de veehouderij op de volksgezondheid in Brabant en Limburg.
Bron: NIVEL

Klik hier voor het wetenschappelijke artikel over het onderzoek

Odour annoyance in the neighbourhood of livestock farming perceived health and health care seeking behaviour

18 april 2015
Stank veehouderij lange tijd onderschat
De feitelijke stankoverlast die omwonenden van veehouderijen ondervinden, telde in 2006 niet mee bij het opstellen van geurnormen in de Wet geurhinder en veehouderij. De toenmalige geuremissies van veehouderijen werden als uitgangspunt genomen. Naar nu blijkt hebben veel meer omwonenden dan destijds werd verondersteld, last van stank.

De cijfers die werden gehanteerd om de geurnormen te rechtvaardigen, blijken niet te kloppen, zo valt af te leiden uit het rapport ”Geurhinder van veehouderij nader onderzocht”. Het rapport is opgesteld na grootschalig onderzoek door GGD Brabant en Zeeland en het Institute for Risk Assesment Sciences (IRAS) van de Universiteit van Utrecht. Het toont aan dat er veel meer geurhinder wordt ervaren en dat er ook sprake is van ernstige hinder.

Sinds 2006 gelden voor veehouderijen in de zogeheten concentratiegebieden – grote delen van Overijssel, Gelderland, Brabant en Limburg – zeer ruime geurnormen. De onderzoekers hebben uitgeplozen of de destijds gehanteerde relatie tussen geurbelasting en geurhinder bij het bepalen van de normen juist was. Om de feitelijke geurhinder te achterhalen stuurden ze in 2012 en 2013 vragenlijsten naar bijna 28.000 inwoners van het oosten van Brabant en het noorden van Limburg. Zo’n 14.000 inwoners vulden de vragenlijst in. Meer dan een kwart daarvan meldt hinder te ondervinden van een of meer soorten veehouderijen.

De onderzoekers stellen vast dat zich al bij een cumulatieve geurbelasting van 1,0 OU/m3 en 2,1 OU/m3 niveaus van respectievelijk 12% en 20% gehinderden blijken voor te doen. In 2006 werd nog aangenomen dat dergelijke percentages zich pas zouden voordoen bij een cumulatieve geurbelasting van respectievelijk 4,7 OU/m3 en 10,3 OU/m3. Een aanzienlijk verschil.

De onderzoekers vragen zich af hoe het kan dat zoveel mensen last hebben van stank, terwijl er steeds meer luchtwassers op veehouderijen komen. Mogelijk is het rendement minder groot, waardoor de werkelijke geurbelasting onderschat wordt, opperen ze. Mogelijk zijn bezorgdheid en angst toegenomen, onder meer ten gevolge van de Q-koorts epidemie, en trekt men zich daardoor meer aan van de stank.

Klik hier voor het rapport ”Geurhinder van veehouderij nader onderzocht”:
Eindrapport_GEUR_Loes_Geelen_23_3_2015