Ontbreken betrouwbare meetmethode zet geurbeleid op losse schroeven

Het zal nog geruime tijd duren voordat er een nieuwe, betrouwbare methode is voor het meten van geur uit veehouderijen. Zolang die methode er niet is, staat het geurbeleid en daarmee de vergunningverlening van veehouderijen op losse schroeven. Bestaande methoden blijken resultaten te geven die niet reproduceerbaar zijn.

Tot die conclusie komt de burgerwerkgroep max5odeur na deelname aan een webinar van het ministerie van I&W ”Anders meter van geur”. Op 26 november zijn de eerste resultaten gepresenteerd van een onderzoek naar een nieuwe meetmethode. Het onderzoek wordt uitgevoerd door Wageningen Universiteit, in samenwerking met de Universiteit van Aarhus in Denemarken.

De oude meetmethode is in diskrediet geraakt door het luchtwasserschandaal. Dat schandaal heeft tekortkomingen aan het licht gebracht in de zogeheten olfactorische meetmethode, waarbij de menselijke neus een centrale rol vervult. De methode is niet betrouwbaar gebleken. De gevolgen hiervan zijn op deze website uitvoerig beschreven.
Nico Ogink van Wageningen Universiteit gaf in zijn presentatie op 26 november exact aan wat de tekortkomingen zijn van de olfactorische meetmethode:
> de toegepaste methode geeft geen informatie over welke geurstoffen precies worden gemeten,
> geurmonsters worden in een lab geanalyseerd, dat geeft per lab verschillende uitkomsten,
> de resultaten zijn niet goed reproduceerbaar,
> de methode is niet goed te kalibreren.

Chemisch-analytische methode
De methode die nu in ontwikkeling is, behoort tot de chemisch-analytische categorie. Gekeken wordt welke geurstoffen aanwezig zijn en in welke mate. Het onderzoek is in de huidige fase nog sterk gericht op varkenshouderijen met gecombineerde luchtwassers. Het falen van deze luchtwassers vormde de aanleiding om op zoek te gaan naar nieuwe meetmethoden. Er is een methode nodig die een relatie kan leggen tussen wat je meet en de bedrijfsprocessen, aldus de onderzoekers. Over de relatie tussen wat wordt gemeten op het bedrijf en in de omgeving, de geur die omwonenden ervaren, konden de Wageningse onderzoekers nog niet veel zeggen. Het onderzoek naar de effectiviteit van de nieuwe methode is in dit stadium vooral gericht op het bepalen van het rendement van luchtwassers.

De behoefte aan monitoring in de omgeving kwam wel ter sprake op het druk bezochte webinar. Duidelijk werd dat er eerst een gevalideerde basismethode (een referentiemethode) moet zijn voor het meten van geur uit veehouderijen, voordat er allerlei afgeleiden zoals sensoren gebruikt kunnen worden. Jos van Lent, beleidsmedewerker van de Provincie Brabant, zei te hopen dat de nieuwe methode gaat helpen om nieuwe normen te stellen.

Pleidooi voor stand-still
De burgerwerkgroep max5odeur merkte op dat er helemaal geen tijd is voor het ontwikkelen van nieuwe meetmethoden, tenzij er een standstill wordt ingevoerd. ”Aangezien een betrouwbare methode voor geurmetingen ontbreekt, is het niet verantwoord om door te gaan met het verlenen van vergunningen”, aldus max5odeur.

Toename van geurmetingen verwacht

De komende jaren zal het aantal geurmetingen bij veehouderijen toenemen. Dat verwacht de jurist mr. Valentijn Wösten. Hij heeft de zogeheten NEN-commissie gevraagd het meetprotocol voor veehouderijen te vernieuwen. Metingen moeten betrouwbaarder worden.

De NEN-commissie heeft eerder dit jaar een herzien meetprotocol vastgesteld. Volgens Wösten is het protocol onvoldoende om in een groot aantal, zeer verschillende praktijksituaties betrouwbare geurmetingen uit te voeren. Er moet een goed ontwikkeld meetprotocol komen dat milieuwetenschappelijk betrouwbare uitkomsten oplevert. Het luchtwasserdebacle heeft aangetoond dat geurmetingen tot dusver tekort schieten. Er zijn op basis van metingen emissiefactoren toegekend, die achteraf niet bleken te deugen.

”Het onderwerp van de meting bepaalt welke eisen aan het meetprotocol moeten worden gesteld”, aldus Wösten. Hij merkt op dat metingen in de veehouderij verschillende doelen kunnen dienen. Zo is het vaststellen of emissies ook echt worden gereduceerd, iets anders dan het meten van de werkelijk optredende emissies, ongeacht de werking van een emissiereducerende techniek. Als alleen de doelmatigheid van een reductietechniek moet worden onderzocht, zal eerst de ongefilterde bronemissie moeten worden vastgesteld, stelt hij. ”Niet elk mestvarken geeft een gelijke stankemissie. De emissie per dier is immers onder meer afhankelijk van het geboden veevoer.”

Meetplicht
Wösten voorziet een toename van geurmetingen op basis van zijn rechtspraktijk. Hij noemt in zijn verzoek aan de NEN-commissie een aantal zaken waarin de rechter een meetplicht oplegt. Zo is in de zaak Grubbenvorst (20.000 varkens) sprake van een vergunning met ondeugdelijke combi-luchtwassers. In die zaak heeft GS van Limburg aanvullende voorschriften opgelegd aan de vergunninghouder met een stankemissiemeetplicht en een inspanningsverplichting om een emissiereductieplicht van 85 % te realiseren. ”De Raad van State heeft die voorschriften in stand gelaten. Dit is voor het eerst dat een veehouderij aan een stankmeetplicht wordt gebonden”, aldus Wösten.
Ook in handhavingszaken kan een meetplicht van belang zijn. ”Immers, zolang de
ernst van de stankhinder door een overlast gevend bedrijf onbekend is ontbreekt een grondslag voor vervolgoptreden. Het bevoegd gezag zal eerst de ernst van de milieusituatie moeten vaststellen.”

De NEN-commissie is verantwoordelijk voor het opstellen, toepassen en actualiseren van nationale methoden voor geurmetingen. In de commissie zitten milieuadviseurs, vertegenwoordigers van provincies en de ministeries van I&W en LNV, Wageningen Universiteit en deskundigen op het gebied van luchtkwaliteit.

De burgerwerkgroep max5odeur heeft eveneens aangedrongen op een beter meetprotocol voor het meten van geur vanuit veehouderijen. Zie eerder bericht Pleidooi voor nieuw protocol voor het meten van stank uit veehouderij


GGD: minimaal 250 meter tussen woning en veehouderij

De GGD adviseert om het voorzorgsprincipe toe te passen en terughoudend te zijn met het bouwen of uitbreiden van veehouderijen binnen 250 meter van woningen, scholen of ziekenhuizen. Dit staat in een nieuwe richtlijn medische milieukunde veehouderij en gezondheid.

De GGD heeft al vaker aangegeven dat er een afstand van 250 meter in acht genomen zou moeten worden. De nieuwe richtlijn is opgesteld op basis van de kennis van nu en wint daardoor aan kracht.

Ook op grotere afstand dan 250 meter kunnen gezondheidseffecten optreden door emissies van veehouderijen, aldus de GGD. Wanneer het mogelijk is om meer afstand te houden tot gevoelige bestemmingen, heeft dat de voorkeur. Voor geitenhouderijen hanteert de GGD een afstandscriterium van 2 kilometer, vanwege het verhoogde risico op longontsteking.

Binnen 250 meter strenge normen voor fijnstof en geur
In de zone van 250 meter van gevoelige bestemmingen adviseert de GGD alleen nieuwe veehouderijen te bouwen als de concentratie van fijnstof lager is dan de WHO-advieswaarde, én de maatregelen om emissies van PM10 en andere stoffen te reduceren ten minste op niveau BBT zijn. Bij voorkeur neemt de veehouder ook bovenwettelijke maatregelen.
Andere voorwaarde voor de bouw van een veehouderij binnen de 250 meter is dat de geurbelasting voldoet aan de maximale geurbelasting:
(woonkern) voorgrond 2 OU/m³, achtergrond 5 OU/m³;
(buitengebied) voorgrond 5 OU/m³, achtergrond 10 OU/m³

De nieuwe richtlijn kan door gemeenten worden gebruikt bij het verlenen van vergunningen of het opstellen van een omgevingsvisie. De GGD wil bij uitbreiding of nieuwvestiging in veel gevallen een advies op maat geven.

Berekende uitstoot uit emissiearme stallen vol onzekerheden en onderschattingen

Uit indicatieve berekeningen blijkt dat de NH3-emissies uit emissiearme stallen mogelijk met circa 8 miljoen kg zijn onderschat. Op een totale NH3-emissie uit mest in stallen en mestopslagen van 57,1 miljoen kg in 2017 is dat circa 14%.

Dat stelt de Commissie Deskundigen Meststoffenwet in een advies van juni 2020 aan minister Schouten. Schouten heeft het advies openbaar gemaakt bij de presentatie van haar stikstofwet. Het advies houdt in dat de berekeningen van de ammoniakuitstoot uit de landbouw moeten worden herzien en emissiefactoren moeten worden aangepast. Daarbij moet ze rekening houden met grote onzekerheden, aldus de commissie.

De onzekerheden in de berekende totale NH3-emissies (uit stallen en mestopslagen en na toediening van mest op het land) variëren globaal van 30 tot 100% per diercategorie’, aldus de commissie. ”De onzekerheden in berekende emissies worden veroorzaakt door onzekerheden in de grootte van de emissiefactoren, in de hoeveelheid mest en de samenstelling van die mest (N-gehalte, TAN-gehalte). Voor melkkoeien is de geschatte onzekerheid in de berekende emissies op nationale schaal 45%, voor varkens 37% en voor pluimvee 44-50%.”

De commissie is voorstander van metingen per emissiearme stal en verwijst daarbij naar het adviesrapport ‘Geur bekennen’ (Commissie geurhinder veehouderijen, 2019). Daarin is geconstateerd dat structurele verbeteringen nodig zijn om de geuroverlast door de veehouderij voor omwonenden te beperken. Er zijn geurmetingen en grenswaarden per stal nodig.

Een vergelijkbare aanbeveling kan volgens de commissie deskundigen meststoffen worden gemaakt voor emissiearme stallen; de veehouder heeft resultaten van NH3-metingen en grenswaarden nodig om te kunnen sturen. Dezelfde metingen bieden Omgevingsdiensten de mogelijkheid om te verifiëren of de emissiearme stalsystemen aan de gestelde eisen voldoen. Dit is de situatie waarnaar gestreefd zou moeten worden. Het vereist dat er sensoren beschikbaar komen om NH3-concentraties in stallen te kunnen meten en rekenprogramma’s om NH3-emissies uit die stallen te kunnen berekenen. Daarbij hoort een wettelijke en juridische verankering.

Emissiearme technieken in veehouderij leiden tot verslechtering leefklimaat

Uitgelicht

Emissiearme technieken leiden eerder tot een verslechtering dan tot een verbetering van de leefomgeving. Dit komt doordat ze vooral worden ingezet voor een verdere schaalvergroting. De burgerwerkgroep max5odeur vindt dat er voorwaarden moeten worden gesteld aan de Subsidieregeling Brongerichte Verduurzaming. Nieuwe technieken zouden gegarandeerd en aantoonbaar moeten bijdragen aan een feitelijke vermindering van stank en het substantieel terugdringen van fijnstof en endotoxinen. Belangrijk daarbij is dat emissies én immissies op een voor iedereen toegankelijke wijze worden gemeten.

Het Ministerie van LNV en de veehouderijsector hebben hoge verwachtingen van een brongerichte verduurzaming en de toepassing van nieuwe (stal)technieken. Met de realisering ervan zijn grote sommen belastinggeld gemoeid. De gang van zaken rond de erkenning van anti-fijnstoftechnieken voor de pluimveehouderij doet echter het ergste vrezen.

Onderzoek naar rendement vertoont gebreken
De burgerwerkgroep max5odeur heeft de totstandkoming van nieuwe technieken in de pluimveehouderij geanalyseerd. Het blijkt dat het onderzoek naar het rendement van deze technieken allerlei gebreken vertoont. Niet vaststaat of ze voldoende effectief zijn in bestaande stallen. Er ontbreken ook metingen die aantonen in hoeverre de technieken leiden tot een afname van fijnstof in de omgeving en de volksgezondheid ten goede komen. Desondanks zijn de technieken erkend door de overheid. (Zie rapport van burgerwerkgroep max5odeur ‘’Sprookje van nieuwe technieken in de pluimveehouderij’’).

Subsidievoorwaarden stellen weinig eisen
Nieuwe, integraal emissiearme staltechnieken die met behulp van de subsidieregeling brongerichte verduurzaming voor de varkenshouderij worden ontwikkeld, zullen naar verwachting eveneens geen verbetering brengen in het woon- en leefklimaat rond veehouderijen. De subsidievoorwaarden stellen weinig eisen op het gebied van fijnstof, endotoxinen en stank. Dit terwijl alle betrokken partijen hoog opgeven van een gezonde leefomgeving. Gevreesd moet worden voor een verslechtering in plaats van een verbetering, omdat innovaties een verdere schaalvergroting in de hand werken. (Zie rapport van burgerwerkgroep max5odeur ‘’Sprookje van emissiearme staltechnieken in de varkenshouderij’’).

Onbetrouwbare meetmethoden en verouderde rekenmodellen
Groot probleem bij innovatie in de intensieve veehouderij  is het gebrek aan betrouwbare metingen (grote mate van onzekerheid) en de toepassing van ondeugdelijke modellen en andere rekenmethoden, zoals die voor de geurbelasting. Met de tot dusver gehanteerde meetmethoden en verouderde rekenmodellen op het gebied van geur en fijnstof is het niet mogelijk om de effectiviteit van nieuwe technieken te garanderen. Daar komt bij dat elke stal uniek is wat betreft emissies. Voordat een innovatie vergund kan worden, zal vast moeten komen te staan wat deze onder specifieke omstandigheden aan rendement oplevert. Ander groot probleem is het ontbreken van grenswaarden op het gebied van geur, fijnstof en endotoxinen die burgers voldoende beschermen.

Grote onzekerheden over feitelijke emissies
De Commissie Deskundigen Meststoffenwet heeft hier een advies aan gewijd (zie bijlage onder dit bericht). De Commissie stelt vast dat huidige emissie reducerende technieken de ammoniakuitstoot veel minder omlaag brengen dan waarvan tot dusver is uitgegaan. Uit indicatieve berekeningen blijkt dat de NH3-emissies uit emissiearme stallen mogelijk met circa 8 miljoen kg zijn onderschat. Op een totale NH3-emissie uit mest in stallen en mestopslagen van 57,1 miljoen kg in 2017 is dat een verschil van circa 14%. Ook is er sprake van een grote mate van onzekerheid in de berekende ammoniakemissies, variërend van van 30 tot 100% per diercategorie.

Burgerbelang niet vertegenwoordigd in taskforce versnelling innovatieproces
De burgerwerkgroep Max5odeur constateert dat er bij de deelnemers aan de Taskforce versnelling innovatieproces weinig oog is voor genoemde problemen. Dat komt mede doordat het burgerbelang op geen enkele wijze is vertegenwoordigd. Volgens Max5odeur zou zorgvuldigheid geplaatst moeten worden boven snelheid. Die zorgvuldigheid vereist dat er alsnog voorwaarden worden gesteld aan de Subsidieregeling Brongerichte Verduurzaming, zodat nieuwe technieken gegarandeerd en aantoonbaar bijdragen aan een feitelijke vermindering van stank in overbelaste situaties en het substantieel terugdringen van fijnstof en endotoxinen.

24/7 meten van geur, fijnstof en endotoxinen in omgeving noodzakelijk
Om de effectiviteit van nieuwe technieken beter te garanderen is een nieuw systeem van stalbeoordeling nodig, alsmede een nieuw stelsel van grenswaarden. Roepen om meer doelvoorschriften getuigt van een te simpele voorstelling van zaken. Ook de meetinitiatieven die op dit moment in de sector opgeld doen, zijn niet toereikend om gegevens te verzamelen over de mate waarin de omgeving wordt belast. Er moet ons inziens een transparant en openbaar  meetsysteem komen dat niet alleen in en bij de ventilatie-uitlaten van de stallen, maar ook 24/7 in de omgeving geur, fijnstof en endotoxinen monitort.

Nu de overheid honderden miljoenen uitgeeft aan nieuwe staltechnieken, acht de burgerwerkgroep Max5odeur een verzoek om een dergelijke investering op zijn plaats. Blijft die investering uit en krijgen de pluimvee- en varkenssector met de subsidieregeling brongerichte verduurzaming carte-blanche om verder op te schalen, dan is een herhaling van het luchtwasserschandaal in de varkenshouderij niet te voorkomen. De nieuwe technieken zullen naar verwachting, net als de combiwassers,  een verslechtering in plaats van een verbetering van het leefmilieu teweeg brengen.

Zware tegenvaller dreigt bij warme sanering varkenshouderij

Het effect van de warme sanering van de varkenshouderij dreigt zwaar tegen te vallen. De verwachting is dat er geen 400 varkenshouders meedoen aan de regeling, maar slechts de helft daarvan, zo meldt Linda Janssen van de Producenten Organisatie voor de Varkenshouderij (POV).

Het is door deze geringe deelname volstrekt onduidelijk wat de warme sanering bijdraagt aan de vermindering van stankoverlast. Daar was de regeling oorspronkelijk voor bedoeld. Het lijkt er nu op dat omwonenden er weinig tot niets mee opschieten. Misschien dat in enkele gevallen de sanering voor hen goed uitpakt, maar de belofte dat de varkenshouderij als bron van stankoverlast een stap terug zal zetten, blijkt loos. Burgers zijn blij gemaakt met een dode mus.

Eerder heeft Max5Odeur er al op gewezen dat de regeling voor stankbestrijding geen enkele garantie biedt. In een inspraakreactie liet Max5Odeur weten: ”Wij betreuren het zeer dat de sanering van de overbelaste situaties gebaseerd is op vrijwilligheid. De varkenssector wordt een worst voorgehouden en het is maar afwachten wie er hapt. Daardoor zullen er talrijke overbelaste situaties blijven bestaan. Dat had voorkomen kunnen worden door de overlastgebieden in kaart te brengen en in de ergste gevallen een saneringsplicht op te leggen.” Lees eerder bericht: Miljoenen vinden gretig aftrek bij varkensboeren, wat schiet de burger ermee op?

Sanering blijkt vooral bedoeld om sector een oppepper te geven
en schulden af te lossen bij de Rabobank

Onderzoeksjournalisten van het platform Investico hebben de saneringsregeling tegen het licht gehouden. Zij stellen vast: ”Vooral de varkensboeren zelf zijn bij de uitkoop gebaat, net als de grootste financier van de sector Rabobank.” Uit de reconstructie van Investico blijkt dat de maatregel in 2015 werd ontworpen om de varkenssector een economische oppepper te geven, die destijds in een ernstige conjuncturele crisis verkeerde. Het ontwerp van de subsidieregeling is afkomstig van een commissie bestaande uit de Rabobank, varkenshoudersorganisatie POV en het ministerie van Landbouw.

”Geur, klimaat en stikstof: allemaal prachtig, maar daar was het mij niet om te doen.’ zegt Uri Rosenthal, oud-minister en tot eind 2019 voorzitter van de commissie, tegen Investico. ”Ik wilde de boeren meer rendement geven’”. De Rabobank, die het grootste deel van de voorwaarden schreef, zal veertig procent van het subsidiebedrag ontvangen in de vorm van afgeloste leningen, aldus de berekening van Investico. 

Dat er slechts 200-250 varkensbedrijven meedoen aan de warme sanering heeft alles te maken met de hoge varkensprijzen van het afgelopen jaar en de wijziging van het Brabantse veehouderijbeleid, waardoor strengere eisen aan stallen zijn uitgesteld. Ook hebben varkensboeren dollartekens in de ogen gekregen door een mogelijke externe saldering van stikstofruimte.

Max5odeur werkte mee aan het onderzoek van Investico. Lees hier het artikel ”Peperduur en inefficient” in De Groene.

Varkenshouder uit Hengelo mag stankoverlast blijven veroorzaken

De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) blijft een enorme sta-in-de-weg bij de aanpak van ernstige vormen van stankhinder. Vijf jaar na de evaluatie is deze wet nog altijd niet zodanig aangepast dat veehouders gedwongen kunnen worden om overlast te voorkomen.

Zo kan het varkensbedrijf Hakvoort-Lenselink in Hengelo (Gld) nog altijd de geurnorm van 14 odeur fors overschrijden, omdat de Wgv daartoe de gelegenheid biedt. De bewoners van het op circa 250 afstand gelegen pand aan de Kervelseweg 29 moeten met 21,5 odeur genoegen nemen, zo heeft het Gerechtshof van Arnhem onlangs bepaald (ECLI:NL:GHARL:2020:5772).

De overbelaste situatie op de Kervelweg 29 is het resultaat van de zogeheten 50%-regeling in de Wgv, die voor dit bedrijf in 2015 is toegepast. Deze regeling maakt het mogelijk dat bedrijven die willen uitbreiden en geurbeperkende maatregelen treffen, de geurwinst voor 50% mogen gebruiken om meer dieren te gaan houden. Van die mogelijkheid is tot voor kort op grote schaal gebruik gemaakt. Zo ook door Hakvoort-Lenselink

De omwonenden van het bedrijf aan het Baaksevoetpad in Hengelo hadden, hoewel ze eerder door de rechtbank Gelderland in het gelijk waren gesteld (ECLI:NL:RBGEL:2017:6442), in hoger beroep bij het Gerechtshof geen poot om op te staan. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, hoeft de maatschap Hakvoort-Lenseling van het hof ten aanzien van Kervelweg 29 geen aanvullende maatregelen te treffen om de geurhinder te beperken.

Politiek en overheid dansen nog altijd naar de pijpen van de sector

De burgerwerkgroep max5odeur heeft bij het ministerie van I&W en bij de politiek meerdere keren aangedrongen op het intrekken van de 50%-regeling. Tot dusver zonder resultaat. Uit de reactie van varkensvoorvrouw, voorzitter van de POV en lid van Farmers Defence Force Linda Janssen op nieuweoogst.nl wordt duidelijk dat overheid en politiek nog altijd naar de pijpen dansen van de sector. De organisaties die de belangen van varkenshouders behartigen zijn er tevreden over dat de rechter de 50%-regeling opnieuw heeft bekrachtigd.

Janssen zegt:
”Deze uitspraak van het Hof schept hoopvolle verwachtingen, dat het ook in andere zaken tot een gunstige uitspraak komt voor varkenshouders. Dit neemt overigens niet weg dat we als varkenshouderij ons via de programmalijn vitalisering varkenshouderij inzetten om daadwerkelijk overlast richting de omgeving te beperken. We denken graag mee over oplossingsrichtingen.”

50%-regeling en de Omgevingswet
De enige oplossing is, wat max5odeur betreft, afschaffing van de 50%-regeling. Zolang dat niet gebeurt, zullen burgers zeer actief moeten zijn om hun leefklimaat te beschermen.
Op 1 januari 2022 treedt de Omgevingswet in werking en het daarbij behorende Besluit Kwaliteit Leegomgeving (BKL). Alle gemeenten moeten omgevingsplannen opstellen waarin bestemmingsplannen worden opgenomen. Inspraak over een omgevingsplan is hét moment om als burger van je te laten horen.
In het BKL zijn voor geur standaardwaarden opgesteld: de bekende 2 en 3 odeur buiten concentratiegebied en 8 en 14 odeur binnen concentratiegebied. Ook staan er grenswaarden in, die aanzienlijk hoger liggen: 8 en 14 en 20 en 25 odeur.
Een omgevingsplan kan een lagere of hogere waarde bevatten dan de standaardwaarde mits die waarde maar niet hoger is dan de grenswaarde. Dit is de wettelijke grens vanaf 1 januari 2022. Bij een afwijking van de wettelijke standaardwaarde zijn ministeriële regels van toepassing
Bij de inspraak op de omgevingsplannen is het van belang die waarden zo ver mogelijk naar beneden te krijgen. In een omgevingsplan kan worden bepaald op welke locaties welke waarden van toepassing zijn. Het naar beneden bijstellen van de waarden is erg belangrijk omdat ook het BKL een 50%-regeling kent.
Als een veehouderij boven de vastgestelde standaardwaarden van het omgevingsplan zit, dan wordt dat geaccepteerd zolang op die locatie de geurbelasting op een geurgevoelig object niet toeneemt en het aantal dieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toeneemt. Wil de veehouderij toch uitbreiden, dan moet deze geurreducerende maatregelen treffen en is er een berekening mogelijk van het gemiddelde van de bestaande geuremissie en de waarde in het omgevingsplan. Uitbreiding is toegestaan als:

  • a.een geurbelastingreducerende maatregel wordt toegepast; en
  • b.de totale geur na uitbreiding niet meer bedraagt dan het gemiddelde van de in het omgevingsplan opgenomen waarde en de geur die de activiteit voorafgaand aan het toepassen van de maatregel rechtmatig mocht veroorzaken op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Bijvoorbeeld: De bestaande geurbelasting op een woning is 20 ouE/m3 De norm, de opgenomen waarde in het omgevingsplan, is 14 ouE/m3. Dan mag de geurbelasting op die woning na uitbreiding maximaal 17 ouE/m3 zijn.Wordt in een omgevingsplan een waarde van 5 odeur opgenomen, dan mag de geurbelasting na uitbreiding maximaal 12,5 odeur zijn.

Ga bijtijds in gesprek met lokale politici om ze te wijzen op de noodzaak van zo laag mogelijke standaardwaarden in omgevingsplannen, vooral in die gebieden waar uitbreidingen dreigen, waar reeds sprake is van stankoverlast of waar nieuwe stankoverlast kan ontstaan. Wijs lokale politici op het standpunt van VNG en IPO. Zie https://www.max5odeur.nl/gemeenten-en-provincies-willen-af-van-50-regeling/
Wijs politici op de mogelijkheid om met behulp van de Crisis- en Herstelwet de 50%-regeling buiten werking te stellen.

Geur-app hulpmiddel bij registratie klachten stank veehouderij

Stank van veehouderijen is alleen aan te pakken als degenen die daar hinder van ondervinden geregeld klachten indienen. Zolang er geen meetapparatuur is, waarmee stank kan worden vastgesteld, is een goede klachtenregistratie van groot belang. Een speciale geur-app kan daarbij helpen.

Zo’n geur-app wordt nu gebruikt binnen het project Boeren en Buren. Sinds oktober 2019 meten boeren en omwonenden in Venray fijnstof, stikstofdioxide en ammoniak in hun leefomgeving. Onderzocht wordt of de geur-app bruikbare informatie oplevert in combinatie met de metingen van fijnstof, stikstofdioxide en ammoniak..

Het project wordt geleid door het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) en mede gefinancierd door provincie en gemeente. Begin 2021 komen naar verwachting alle gegevens van een jaar lang meten beschikbaar.

Deelnemers kunnen met een geur-app een melding maken op het moment dat zij een geur ruiken, aldus het RIVM in een voortgangsbericht. ”Op dit moment zijn er al aardig wat meldingen gedaan, maar door een beperkt aantal deelnemers. Om de resultaten van geur goed mee te kunnen nemen in dit project is het belangrijk dat meer deelnemers de geur-app gaan gebruiken”.

Boeren en buren geur-app
Met behulp van een app is een uniforme registratie van klachten mogelijk. Het RIVM heeft hiervoor samen met Ordina een speciale Boeren en Buren geur-app ontwikkeld. Mia Wegh, secretaris en plaatsvervangend-voorzitter van Gezond Leefmilieu Venray (deelnemer aan Boeren en Burgers), vertelt dat de meldingen alleen naar het RIVM gaan en nog niet naar bijvoorbeeld de omgevingsdienst. Zelf woont ze in een overbelaste situatie. Ze heeft in de periode maart 2020 tot medio juli circa dertig keer de app gebruikt om een melding te doen.

Met behulp van de app worden datum, tijdstip en locatie geregistreerd, hoe onaangenaam de geur is, wat de vermoedelijke bron is, in welke mate de melder wordt gehinderd, in welke mate de melder wordt gestoord in zijn/haar bezigheden, en hoeveel mensen op de locatie aanwezig zijn.

De geur-app van het RIVM dient nu alleen nog een onderzoeksdoel, maar kan bij bewezen diensten wellicht breder worden ingezet voor een effectieve klachtenregistratie. Een goede klachtenregistratie is niet alleen van belang voor de handhaving in geval van overlast, maar ook voor de vergunningverlening. Zo kan aan een bedrijf dat geregeld overlast veroorzaakt extra voorschriften worden opgelegd.

Realtime meten van geur nodig voor omschakeling naar doelvoorschriften

Boeren hebben liever doelvoorschriften dan middelvoorschriften. Ze willen zich best vastleggen op een bepaalde hoeveelheid ammoniak, fijnstof en geur die ze mogen uitstoten, maar dan willen ze zelf bepalen hoe ze dat doel bereiken. Afschaffing van middelvoorschriften betekent een grotere vrijheid van handelen. Voorwaarde is wel dat er op bedrijfsniveau op elk gewenst moment (real time) gemeten kan worden of ze de vergunde doelen halen. Dat is op dit moment wat betreft geur nog niet mogelijk.

Staatssecretaris Van Veldhoven heeft het onafhankelijke adviesbureau Rebel ingehuurd om te kijken of het werken met doelvoorschriften haalbaar is. Het bureau had als opdracht met een advies te komen over nieuwe vormen van stalbeoordeling. Daarbij is ook onderzocht of het uitvoerig testen van nieuwe technieken onder verantwoordelijkheid van de overheid achterwege kan blijven binnen een systeem met doelvoorschriften.

Met doelvoorschriften krijgen veehouders een sterke prikkel om resultaten te behalen, zo is de veronderstelling. De verantwoordelijkheid voor de prestaties van toegepaste technieken zou dan komen te liggen bij de producent. Toetsing van nieuwe staltechnieken is in dat geval aan de markt, bijvoorbeeld door private certificering van staltechnieken.

Volgens Van Veldhoven zou dit een ingrijpende verandering zijn ten opzichte van het bestaande systeem met door de overheid goedgekeurde technieken en emissiefactoren, zo laat ze op 2 juli in een brief aan de Tweede Kamer weten. Maar die verandering zit er voorlopig niet in. ”Een doelgericht systeem voor alle emissies is op korte termijn niet haalbaar, omdat het betrouwbaar realtime meten van geur met sensoren nog niet mogelijk is. Een vorm van beoordeling van technieken blijft daarom ook na stapsgewijze invoering van een nieuw systeem voorlopig noodzakelijk.”
Van Veldhoven spreekt over een transitie die meer tijd vergt.

EU-voorwaarden mest uitrijden leiden tot minder stank in veen- en kleigebieden

De EU heeft voorwaarden gesteld aan de derogatie voor melkveebedrijven, waardoor het uitrijden van mest in de zomer in delen van Nederland tot minder stank zal leiden. Boeren op veen- en kleigrond mogen alleen nog mest uitrijden met een zogeheten sleepvoetbemester als het onder de 20 graden is.

De voorwaarde is bedoeld om de ammoniakemissies te verminderen, maar het heeft ook gevolgen voor de mate van stankhinder. Bij zonnig en warm weer ontstaat er meer stank en komt er meer ammoniak vrij, dan bij bewolkt, regenachtig en koeler weer.

De melkveebedrijven hebben de derogatie onder voorwaarden gekregen. Ze kunnen daardoor meer stikstof op hun land brengen dan zonder derogatie. De derogatie is verleend voor twee jaar.

Aan het gebruik van de sleepvoetbemester zijn al eerder beperkingen opgelegd door het ministerie van LNV. De mest moet voor een derde zijn aangelegd met water. Ook dat heeft een reducerend effect op de uitstoot van ammoniak, en vermoedelijk ook op het ontstaan van stank.

Drie technieken: sleepvoet, sleufkouter en zodenbemester
De strontrijders in Nederland maken gebruik van drie typen technieken: de sleepvoet (laten strookjes mest van vijf centimeter breed achter), de sleufkouter (brengt met behulp van messen de mest enkele centimeters diep in de grond) en de zodenbemester (snijdt met een schijfwiel de zode door tot vijf centimeter diep en laat daar de mest in achter).

In Nederland komt ongeveer 69% van het totale volume aan drijfmest op grasland terecht. De rest (31%) komt op bouwland. Het uitrijden van drijfmest op gras vindt voor 24% van het mestvolume plaats met de sleufkouter en 14% met de sleepvoet. Dit vindt plaats op veen-en kleigronden. De rest vindt plaats met een zodenbemester, vooral op zandgronden.

De sleepvoet wordt veel toegepast op veen- en kleigrond omdat deze op dit type grond minder brandstof verbruikt. Het gebruik van de andere technieken vergt op veen- en kleigrond meer energie. De sleufkouter- en zodenbemesters worden vooral gebruikt op loss- en zandgrond. Aan het gebruik van deze technieken stelt de EU geen voorwaarden.

Geen derogatie bij vrijstelling bovengronds uitrijden
Er zijn nog altijd boeren die een vrijstelling hebben voor het bovengronds uitrijden van mest. Dat mag van de EU, maar niet langer in combinatie met derogatie. De hoeveelheid mest die zij gewend waren uit te rijden, moet dus naar beneden. Ook weer gunstig voor de omwonenden.

Algeheel drijfmestverbod
Helemaal gunstig voor de inwoners van het buitengebied zou een algeheel drijfmestverbod zijn. Tjeerd de Groot van D66 is daar een voorstander van. Ook de commissie Remkes heeft geadviseerd om drijfmest in tien jaar ”uit te faseren”.