EU-voorwaarden mest uitrijden leiden tot minder stank

De EU heeft voorwaarden gesteld aan de derogatie voor melkveebedrijven, waardoor het uitrijden van mest in de zomer in delen van Nederland tot minder stank zal leiden. Boeren op veen- en kleigrond mogen alleen nog mest uitrijden met een zogeheten sleepvoetbemester als het onder de 20 graden is.

De voorwaarde is bedoeld om de ammoniakemissies te verminderen, maar het heeft ook gevolgen voor de mate van stankhinder. Bij zonnig en warm weer ontstaat er meer stank en komt er meer ammoniak vrij, dan bij bewolkt, regenachtig en koeler weer.

De melkveebedrijven hebben de derogatie onder voorwaarden gekregen. Ze kunnen daardoor meer stikstof op hun land brengen dan zonder derogatie. De derogatie is verleend voor twee jaar.

Aan het gebruik van de sleepvoetbemester zijn al eerder beperkingen opgelegd door het ministerie van LNV. De mest moet voor een derde zijn aangelegd met water. Ook dat heeft een reducerend effect op de uitstoot van ammoniak, en vermoedelijk ook op het ontstaan van stank.

De strontrijders in Nederland maken gebruik van drie typen technieken: de sleepvoet (laten strookjes mest van vijf centimeter breed achter), de sleufkouter (brengt met behulp van messen de mest enkele centimeters diep in de grond) en de zodenbemester (snijdt met een schijfwiel de zode door tot vijf centimeter diep en laat daar de mest in achter).

De sleepvoet wordt veel toegepast op veen- en kleigrond omdat deze op dit type grond minder brandstof verbruikt. Het gebruik van de andere technieken vergt op veen- en kleigrond meer energie. De sleufkouter- en zodenbemesters worden vooral gebruikt op loss- en zandgrond. Aan het gebruik van deze technieken stelt de EU geen voorwaarden.

Er zijn nog altijd boeren die een vrijstelling hebben voor het bovengronds uitrijden van mest. Dat mag van de EU, maar niet langer in combinatie met derogatie. De hoeveelheid mest die zij gewend waren uit te rijden, moet dus naar beneden. Ook weer gunstig voor de omwonenden.

Helemaal gunstig voor de inwoners van het buitengebied zou een algeheel drijfmestverbod zijn. Tjeerd de Groot van D66 is daar een voorstander van. Ook de commissie Remkes heeft geadviseerd om drijfmest in tien jaar ”uit te faseren”.

Miljoenen vinden gretig aftrek bij varkensboeren, wat schiet de burger ermee op?

Hup, daar gaan weer honderden miljoenen naar de varkenshouderij. De subsidies voor stoppende boeren vinden gretig aftrek. Of de burgers in het buitengebied er veel mee opschieten, moet nog blijken. De overheid heeft de lat wel erg laag gelegd.

De krimpregeling is bedoeld voor varkensbedrijven die stank veroorzaken. Hoe meer stank, hoe groter de kans op geld. Tenminste, dat was de opzet. Aanvankelijk was het totale subsidiebedrag vastgesteld op 180 miljoen. Vanwege de grote belangstelling is dat bedrag uitgebreid naar bijna een half miljard.

Het aanvankelijke bedrag  was genoeg voor zo’n 124 locaties. In totaal kwamen er 502 aanvragen binnen, waarvan er 407 voldoen aan de gestelde vereisten, aldus de minister van LNV in een brief aan de Tweede Kamer.  In plaats van de lat hoger te leggen, is besloten meer geld uit te trekken, zodat ook stikstofdoelen met de subsidies kunnen worden gediend.

Met de 407 erkende aanvragen zijn 910.645 varkensrechten gemoeid, 802.243 in de regio Zuid en 108.402 in de regio Oost, zo heeft het ministerie van LNV becijferd. Dat betekent een krimp van circa 10% van het aantal varkensbedrijven in NL en een krimp van 7,44% van het aantal varkens. De stoppers hebben  een gemiddelde bedrijfsomvang van ruim 2200 varkens.
 
Ruim een miljoen per bedrijf. De belastingbetaler heeft er heel wat voor over om de stankoverlast in Brabant, Gelderland, Limburg en Overijssel  te verminderen. Maar helpt het ook?

In de Nederlandse varkenshouderij doet zich een autonome krimp voor. Het aantal bedrijven daalde in 2019 ten opzichte van 2018 met 2,3%. De krimp is het grootst in Brabant, waar in 2019 het aantal varkensbedrijven met 7,9% gedaald tot 1.410 ten opzichte van 2018 en in Gelderland met 3,6% tot 940 bedrijven. Tegenover deze krimp staat een groei in Noord Holland, Zuid-Holland, Zeeland, Friesland, Groningen en Overijssel. Zo nam het aantal varkensbedrijven in de provincie Noord-Holland met maar liefst 36,5% toe naar 52 bedrijven; 1 jaar eerder waren dat er nog 33. In Friesland is een stijging zichtbaar van 29% tot 69 varkenshouderijen.
Als we kijken naar het totaal aantal varkens in NL, dan zien we een daling van 2,4% in 2019 ten opzichte van 2018. In Brabant heeft zich een krimp van – 3,3% voorgedaan (van 5,9 naar 5,7 miljoen), in Gelderland – 2% (van bijna 1,9 naar 1,85 miljoen), in Drenthe -6,7%, in Utrecht – 5,2%, – 12,7% in Zuid-Holland en in Limburg – 1,9% (van 1,975 naar 1,936 miljoen). Tegenover deze krimp staat een groei in Zeeland van 12,2%, in Overijssel van 0,5% en Groningen 4,4%.

Tegen de achtergrond van deze cijfers die landelijk gezien een lichte verschuiving laten zien van zuid naar west en noord, is de krimp voor de betrokken gebieden ten gevolge van de saneringsregeling wel iets substantiëler dan de eerder genoemde 7,44%. Een afname van 802.243 varkens komt in de regio zuid neer op een krimp van het aantal varkens met meer dan 10,42%.

Behalve aantallen dieren en krimpcijfers moeten we natuurlijk ook kijken naar de afname van de stankoverlast. Daar was het immers allemaal om te doen.  Het is heel goed mogelijk dat de afname van overlast geen gelijke tred houdt met de afname van het aantal dieren, domweg omdat de varkens verdwijnen van plaatsen waar de overlast niet het grootst was. Er kunnen ondanks de sanering nog veel stank veroorzakende bedrijven overblijven. Woon je als burger tussen meerdere varkenshouderijen, waarvan er eentje stopt, dan kan het heel goed zijn dat je daar weinig van merkt, omdat de overlast van de andere bedrijven aanhoudt.

Maar het omgekeerde is ook mogelijk: de stankoverlast neemt meer af dan je op grond van de krimp van het aantal dieren zou verwachten. Om dit alles te kunnen berekenen hebben we bedrijfsgegevens van de stoppers nodig: hoeveel stank is er vergund, hoeveel stank werd er feitelijk uitgestoten, werd er gebruik gemaakt van luchtwassers, heeft er een herberekening plaatsgevonden aan de hand van de emissiefactoren die sinds juli 2018 gelden voor de zogeheten combi-wassers, etc.
Die gegevens moeten nog komen. De subsidieregeling zal worden geëvalueerd. Daarbij zal onder andere aandacht zijn voor het effect van de subsidieregeling op emissies naar het milieu. De burgerwerkgroep max5odeur zal de gegevens opvragen, zodra ze beschikbaar zijn.

Geurscores
Wel valt nu al uit de subsidievoorwaarden een en ander af te leiden. De aanvragen worden beoordeeld aan de hand van een geurscore. De hoogte van de geurscore is afhankelijk van:

  • de hoeveelheid geureenheden die een varkenshouderijlocatie uitstoot (de geuremissie),
  • de afstand tussen de varkenshouderijlocatie en geurgevoelig object(en)
  • het aantal geurgevoelige objecten in een straal van 1.000 meter rond de varkenshouderijlocatie.

Zo kan een varkenshouderij met een geurbelasting van 5 tot 8 odeur op 3 woningen binnen een cirkel van 1 km uitkomen op een geurscore van 0,45 en dat is boven de drempelwaarde van 0,40. Deze varkenshouderij komt in aanmerking voor subsidie. Hetzelfde geldt voor een varkenshouderij met een geurbelasting van 3 tot 5 odeur op 5 woningen. Die krijgt een geurscore van 0,50 en is dus ook subsidiabel. Een varkenshouderij die op slechts 1 woning een geurbelasting heeft van 20 tot 32 odeur is echter niet subsidiabel. Die heeft namelijk een geurscore van 0,36.
Deze berekeningswijze maakt het mogelijk dat niet uitsluitend de ‘’zware gevallen’’ worden uitgekocht. Ook ‘’lichtere gevallen’’ komen voor subsidie in aanmerking. Dit wordt nog eens gestimuleerd doordat het subsidieplafond is verhoogd. Aanvankelijk was het met een subsidieplafond van 120 miljoen zo dat varkenshouderijen met de hoogste geurscore als eerste in aanmerking zouden komen voor subsidie. Hiermee wilde het ministerie van LNV waarborgen dat de beschikbare middelen zo doelmatig en doeltreffend mogelijk zouden worden ingezet. Nu dat bedrag is verhoogd, is de rangschikking op de mate van stank losgelaten en is het niet langer gegarandeerd dat vooral zwaar stinkende bedrijven worden uitgekocht. 

Meer over Subsidieregeling Sanering Varkenshouderij:

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-55830.htmlhttps://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/06/10/stand-van-zaken-subsidieregeling-sanering-varkenshouderijen-srv

Brief aan de kamer

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/06/10/stand-van-zaken-subsidieregeling-sanering-varkenshouderijen-srv

Aandacht voor stank mag niet verslappen: ”politiek is aan zet”

De aandacht voor stank uit veehouderijen mag niet verslappen, vindt de voorzitter van de Commissie Biesheuvel. In een terugblik op het onderzoek naar wat hij noemt een ”complexe maatschappelijke opgave”, zegt Pieter Jan Biesheuvel: “De meest effectieve maatregelen die voorgesteld zijn, vragen aanpassing van de regelgeving; de politiek is nu aan zet!”

Ruim een jaar geleden bracht de commissie het rapport ”Geur bekennen” uit. ”Echt luisteren” naar iedereen die bij het stankprobleem is betrokken, noemt Biesheuvel een meerwaarde van het onderzoek.

‘Geur bekennen’ bevat drie aanbevelingen voor nieuw beleid.
1. voor geurhinder zijn eenduidige emissiegrenswaarden nodig waar veehouders zich permanent aan moeten houden.
2. er zijn betere manieren nodig om de effectiviteit van luchtwassers te bepalen en de geurproductie te verminderen waar zij begint: in de stal.
3. de staatssecretaris moet maatwerk per gebied mogelijk maken, met meer vrijheid voor decentrale overheden om in te grijpen in bestaande situaties.

Het laatste punt wordt mogelijk door een verandering van de Crisis- en Herstelwet. Aan punt 2 wordt gewerkt door de ontwikkeling van nieuwe emissiereducerende technieken. De effectiviteit daarvan is echter wat betreft geur moeilijk vast te stellen, omdat betrouwbare meettechnieken ontbreken. De uitvoering van punt 1 is nog niet ter hand genomen.

Biesheuvel constateert: veel betrokkenen bij het onderzoek ervaren een kloof tussen de totstandkoming van het rapport van de commissie en nieuwe maatregelen die zij vervolgens op korte en langere termijn verwachten. Omwonenden zien nog geen onmiddellijke verbetering in de geurhinder, zo wordt in de terugblik gesignaleerd. 

Pleidooi voor nieuw protocol voor het meten van stank uit veehouderij

De burgerwerkgroep max5odeur pleit voor een geheel nieuw protocol voor het meten van stank uit veehouderij. Dat protocol zou samen met het RIVM, GGD en burgergroeperingen ontwikkeld moeten worden.

Dit heeft de werkgroep laten weten in een commentaar op het zogeheten herziene NEN-protocol Luchtkwaliteit geurmetingen. Dit Nen-protocol is van toepassing op veel sectoren, waaronder de veehouderij. Volgens de burgerwerkgroep max5odeur is stank uit veehouderij zo specifiek, dat er een apart protocol voor moet komen. Het huidige protocol biedt omwonenden onvoldoende bescherming.

In plaats van bestuurders, ambtenaren, veehouders en rechters voor te spiegelen dat stank vanuit veehouderijen kan worden gemeten, dient de realiteit onder ogen te worden gezien. De relatie tussen de stank die omwonenden ervaren en de bron van die stank valt met de huidige meetmethoden niet op een effectieve en betrouwbare wijze te achterhalen, aldus max5odeur.

In veehouderijgebieden is vaak sprake van ernstige en langdurige geurhinder. Concentraties van veehouderijen in Gelderland, Brabant en Limburg hebben geleid tot het ontstaan van talrijke hotspots van stankoverlast. Daarnaast kan ook een enkele veehouderij voor langdurige stankoverlast zorgen. Omvang en intensiteit van het stankprobleem hebben te maken met:
a. Veel te ruime geurnormen
b. Cumulatie, die niet standaard wordt meegerekend bij de vergunningverlening
c. Emissie reducerende technieken die in de praktijk niet of nauwelijks blijken te werken, doordat aan meetresultaten die zijn bepaald onder specifieke omstandigheden, een algemene waarde wordt toegekend. Bestaande meetprotocollen verzetten zich daar kennelijk niet tegen. Daardoor is toepassing van deze technieken onder andere dan de gemeten omstandigheden mogelijk.

Het belang van geurmetingen in de veehouderij is bijzonder groot, stelt max5odeur. Wet- en regelgeving, alsmede de subsidiëring van emissie reducerende technieken, staan vooral in het teken van ontwikkeling van de veehouderij en dienen niet om omwonenden te beschermen. Met behulp van tweezijdige metingen (emissies en immissies, bron én geurgevoelig object) kan worden vastgesteld wat het daadwerkelijke effect is van een of meerdere veehouderijen op de leefomgeving en kunnen klachten van omwonenden niet opzij worden gelegd, maar worden afgehandeld.

Klik hieronder voor het complete commentaar van max5odeur


Planbureau ziet teveel nadelen in afstandseis veehouderijen

De overgrote meerderheid van de veehouderijen in Nederland staat op minder dan 250 meter van een woning of andere bebouwing. Een afstandseis van 250 meter zou op het gebied van volksgezondheid in veel gevallen bescherming kunnen bieden.

Dat stelt het Plan Bureau voor de Leefomgeving in het rapport Kansrijk landbouw- en voedselbeleid . Toch is het Planbureau geen voorstander van een dergelijke afstandseis. Zo’n maatregel beperkt ruimtelijke ontwikkelingen, zoals nieuwbouw. Ook kan een afstandseis een rem zetten op de ontwikkeling van emissie-arme stallen.

Als boeren geen vergunning kunnen krijgen voor aanpassingen van hun bedrijf zoals het bouwen van een emissiearme stal, ontstaat het risico dat de bestaande situatie wordt voortgezet, aldus het Planbureau.

Het Planbureau heeft de afstandseis van 250 meter onder de loupe genomen, omdat daar al jaren voor wordt gepleit, onder meer door de GGD’en. Aangezien uit metingen en modelberekeningen blijkt dat de geurhinder, geluidsoverlast en de concentraties fijnstof en endotoxinen afnemen met de afstand tot veehouderijen, lijkt het hanteren van een minimumafstand op het eerste gezicht een effectieve maatregel om gezondheidswinst te halen. De werkelijkheid is echter gecompliceerder, aldus het PBL.

In het rapport van het PBL staat dat 80 tot 90% van de veehouderijen in Nederland op een afstand kleiner dan 250 meter van woningen is gelegen. Het zijn cijfers uit 2011. Onbekend is hoe hoog dat percentage nu is, maar het zal nog steeds om de overgrote meerderheid gaan.

Mensen die dicht bij veehouderijen wonen hebben vaker luchtwegklachten. Door de afstand tussen woningen en veehouderijen te vergroten kan de gezondheid van omwonenden verbeteren als tegelijkertijd de achtergrondbelasting met fijnstof omlaag gebracht wordt, ziet ook het PBL Het PBL vreest dat door het toepassen van een rigide afstandseis geen gezondheidswinst zal worden geboekt, omdat vervuilende veehouderijen gewoon kunnen doorboeren.

Een toetsingskader waarbij rekening wordt gehouden met de belasting van veehouderijen op omwonenden biedt meer flexibiliteit dan een afstandseis, aldus het PBL. Omdat afhankelijk van de situatie fijnstof, endotoxinen of geurhinder de beperkende factor is, zou in het toetsingsprotocol voor de omgevingsvergunning de blootstelling aan alle factoren meegenomen moeten worden. De hoogte van de gekozen gezondheidskundige grenswaarden in dit toetsingsprotocol bepaalt in sterke mate het beschermingsniveau van omwonenden.

Anti-fijnstoftechnieken voor kippenstallen onvoldoende getest

Het onderzoek naar nieuwe anti-fijnstof technieken voor de pluimveehouderij vertoont allerlei gebreken. Niet vaststaat of ze voldoende effectief zijn in bestaande stallen. Er ontbreken ook metingen die aantonen in hoeverre de technieken leiden tot een afname van fijnstof in de omgeving en de volksgezondheid ten goede komen. Desondanks zijn de technieken erkend door de overheid.

De burgerwerkgroep Max5Odeur vraagt de overheid reeds verleende erkenningen en toegekende emissiefactoren in te trekken. Ook  de subsidiekraan moet voorlopig dicht blijven. De gang van zaken met de anti-fijnstoftechnieken doet teveel denken aan het luchtwasserschandaal in de varkenshouderij, waar technieken zijn toegepast die in de praktijk niet goed blijken te functioneren. 

Nieuwe metingen
In het rapport ‘’Fijnstof en het sprookje van nieuwe technieken in de pluimveehouderij’’ (link zie onder) pleit de werkgroep voor het uitvoeren van nieuwe metingen, waarbij ook de blootstelling aan fijnstof in de omgeving wordt geregistreerd.  Met dergelijke metingen kan worden gecontroleerd of reductiedoelstellingen worden gehaald.

De afgelopen decennia is de hoeveelheid fijnstof in de lucht verminderd door maatregelen in verkeer en industrie. Het fijnstof uit kippenstallen is daarentegen toegenomen. Op fijnstofkaarten van Nederland zijn duidelijke hotspots te zien in gebieden waar veel kippen worden gehouden.  Talrijke stallen met een zogeheten Beter-Leven-Keurmerk zijn daar mede debet aan.

Overheid en pluimveesector willen dat het fijnstof afneemt. Vijf nieuwe technieken die de uitstoot van fijnstof moeten verminderen, zijn getest en inmiddels toegestaan voor een brede toepassing. De overheid heeft er zogeheten emissiefactoren aan toegekend.  Op 1 juli gaat de subsidiekraan open en kunnen pluimveehouders de technieken aanschaffen. Onverantwoord, vindt de burgerwerkgroep.

Conclusies
Na een analyse van alle publicaties over de nieuwe technieken komt de burgerwerkgroep tot de volgende conclusies:
1. Onderzoekers van Wageningen Universiteit hebben bij het testen onderzoeksprotocollen moeten negeren. Ze spreken zelf over ‘’bewuste omissies’’.
2. De metingen hebben plaatsgevonden in gesloten stallen, terwijl inmiddels 10 miljoen legkippen in stallen zitten met een overdekte uitloop die in directe verbinding staat met de buitenlucht.
3. Er geen rekening gehouden met het gegeven dat technieken in de stal geen effect hebben op de stofdeeltjes die vrijkomen bij het verwijderen van mest uit de stallen, bij de op- en overslag van mest en het uitrijden van mest.

De Burgerwerkgroep Max5Odeur pleit ervoor om in samenwerking met het RIVM een voor iedereen toegankelijk meetsysteem op te zetten in de omgeving van veehouderijen. Zowel de blootstelling aan fijnstof als aan geur en ammoniak kan met een dergelijk meetsysteem worden gemonitord.

Best beschikbare technieken verplicht voor alle IPPC-veehouderijen per 2021

Alle bestaande IPPC-veehouderijen moeten per 1 januari 2021 voldoen aan de Europese richtlijnen voor best beschikbare technieken (BBT). Gemeenten en provincies moeten het initiatief nemen en bedrijven benaderen voor een controle en eventuele aanpassing van stalsystemen. Die aanpassing kan worden opgelegd door middel van voorschriften.

Best beschikbare technieken zijn verplicht onder meer op het gebied van geluid, stof, geur, opslag, verwerking en uitrijden van mest, ammoniak en monitoring. Wanneer er klachten vanuit de omgeving zijn, dan kan het bevoegde gezag een geurbeheersplan verplicht stellen. Dat kan op grond van BBT 12. Dat is van toepassing wanneer bij omwonenden geurhinder wordt verwacht en/of is onderbouwd. Geurhinder kan worden verwacht als een bedrijf ten gevolge van het aantal dieren dat wordt gehouden een zeer geringe marge heeft ten opzichte van de geurnorm.

Hoewel er veel te doen is over gecombineerde luchtwassers en de emissiefactoren voor deze installaties zijn aangepast, worden ze nog steeds beschouwd als de beste beschikbare techniek om de geurhinder te beperken. Er kunnen wel meetverplichtingen worden opgelegd. Op grond van BBT 28 kunnen alle intensieve veehouderijen met luchtwassers worden verplicht tot elektronische monitoring van de luchtwassers in combinatie met een eenmalige geurrendementsmeting.

Op 30 december 2019 heeft rechtbank Oost-Brabant hier een eerste inhoudelijke uitspraak over gedaan ECLI:NL:RBOBR:2019:7440
Op 15 januari 2020 heeft de Raad van State bepaald dat de provincie Limburg aan een varkenshouder terecht een meetverplichting, streefnormen en grenswaarden voor de geuremissie heeft opgelegd. De streefnormen zijn gebaseerd op een geurverwijderingsrendement van het luchtwassysteem van 85% en de grenswaarden op een rendement van 45%.  Het college heeft die verplichting opgelegd nadat is vast komen te staan dat het vergunde luchtwassysteem een lager rendement heeft dan waarvan aanvankelijk werd uitgegaan, hetgeen ertoe leidt dat een zodanig hoge geurbelasting in de omgeving ontstaat, dat de geurnormen uit de Wgv bij een aantal geurgevoelige objecten zullen worden overschreden. Om er zeker van te zijn dat die geurnormen toch zoveel als mogelijk worden gerespecteerd, heeft het college de nieuwe voorschriften opgelegd.
ECLI:NL:RVS:2020:108

Tot de IPPC-veehouderijen behoren varkensbedrijven met meer dan 2000 mestvarkens of 750 zeugen en pluimveehouderijen met meer dan 40.000 kippen. Wil je weten of jouw buurman een IPPC-bedrijf heeft? Gemeenten en provincie moeten de vergunning van IPPC-bedrijven publiceren op internet. Je kunt bij gemeente of provincie informeren of een IPPC-bedrijf voldoet aan de Europese richtlijnen voor BBT.
Woon je in de buurt van een pluimveebedrijf met overdekte uitloop, laat de geurbelasting dan narekenen aan de hand van de handleiding van V-Stacks-vergunning, versie mei 2017. Na een herberekening zou er wel eens een overschrijding van de grenswaarden aangetoond kunnen worden
Klik hier voor de BBT intensieve veehouderij

Kijk goed naar emissiepunten bij geurberekeningen

Bij de beoordeling van een nieuwe vergunning voor een veehouderij is het altijd zinvol om goed naar de gekozen emissiepunten te kijken. Adviseurs hebben nogal eens de neiging om die emissiepunten zo te kiezen dat de geurbelasting binnen de norm blijft. Dat blijkt uit de zaak van een pluimveehouderij in Delfzijl. De Raad van State heeft oplettende omwonenden, die De Roever Omgevingsadvies naar de vergunning hebben laten kijken, in het gelijk gesteld.

Een emissiepunt is de plek waar ammoniak, geurstoffen en fijnstof de stal verlaten. Deze punten zitten op een bepaalde hoogte, die bij de berekeningen van onder meer de geuruitstoot en geurbelasting moet worden ingevoerd. Niet alleen de hoogte is daarbij van belang, maar ook de uittreesnelheid. Het zijn de ”knoppen” waaraan adviseurs kunnen draaien om de geurbelasting bij geurgevoelige objecten zo te berekenen dat deze binnen de geldende norm blijft. Gemeenten en provincies nemen in hun vergunningen deze berekeningen vaak klakkeloos over.

In de zaak van de pluimveehouderij in Delfzijl – een houder van 119.500 vleeskuikens – was dat ook het geval. De Stichting Advies Bestuursrechtspraak (StAB) moest eraan te pas komen om de gemaakte V-stacksberekeningen tegen het licht te houden. Daarbij bleek dat ten onrechte als emissiepunt niet de hoogte van de omkasting van de ventilatoren, maar de ventilatoren zelf als missiepunt waren gekozen. Volgens de STAB is het aannemelijk dat bij de bovenkant van de omkasting sprake is van een lagere uittreesnelheid, omdat lucht vanwege wrijving in principe in snelheid afneemt naarmate het hoger komt. De Raad van State heeft dit overgenomen en stelt dat in de verleende vergunning van een verkeerd emissiepunt is uitgegaan. Daardoor is niet zeker of aan de geldende geurnormen kan worden voldaan. De vergunning is vernietigd.

Klik hier voor de uitspraak van 29 april 2020

Grote opruiming varkenshouderij laat nog even op zich wachten

De uitvoering van de Subsidieregeling Sanering Varkenshouderij loopt vertraging op. Het lukt niet alle circa 500 aanvragen binnen de gestelde termijn van 13 weken af te handelen.

Volgens RVO.nl zou 80% aan de voorwaarden voldoen. Dat betekent dat 400 varkenshouderijen die ernstige stankoverlast veroorzaken, in aanmerking komen voor deze saneringsregeling. Bedrijven die de meeste stank produceren, staan bovenaan de lijst. Nog niet bekend is hoe groot de bedrijven zijn die van de regeling gebruik willen maken.

De grote opruiming van de varkenshouderij, die naar verwachting leidt tot een krimp met 10%, is voor omwonenden zeker iets om naar uit te kijken. Varkenshouders die hebben ingeschreven, erkennen daarmee dat ze hun omgeving tot last zijn. Groot voordeel van de regeling is dat de varkensrechten van de stoppers uit de markt worden gehaald. Omwonenden lopen dus niet het risico dat de beperking van stankoverlast op de ene plek leidt tot een toename op een andere plek. Er zijn echter geen garanties dat de 500 varkenshouders (400 in Brabant en Limburg en 100 in Gelderland, Overijssel en Utrecht) tot de ergste stinkerds gerekend kunnen worden. De grote opruiming houdt dus niet in dat de stank overal verdwijnt.

Varkenshouders die een positieve beschikking krijgen op hun aanvraag en deze beschikking aanvaarden, moeten op korte termijn hun bedrijf beëindigen en hebben tot voorjaar 2021 de tijd om de stallen slopen.

Nieuwe proefstalregeling deugt niet en is onuitvoerbaar

De nieuwe proefstalregeling voor veehouderijen deugt niet en is onuitvoerbaar. Belangrijkste manco is het ontbreken van een betrouwbaar meetsysteem voor geur, zo blijkt uit een analyse van de burgerwerkgroep max5odeur. In een brief aan staatssecretaris Van Veldhoven pleit de werkgroep voor het opzetten van een burgermeetnetwerk, met behulp van sensoren en onder auspiciën van het RIVM.

De nieuwe proefstalregeling, onderdeel van de Crisis- en Herstelwet en specifiek bedoeld voor Brabant, Gelderland, Limburg en Overijssel, is de zoveelste poging om met behulp van innovaties de omvang van de intensieve veehouderij in het dichtbevolkte Nederland in stand te houden en verdere schaalvergroting mogelijk te maken, aldus max5odeur. Ook al is er op dit moment veel te doen over regelingen die moeten leiden tot een lichte krimp van het aantal varkens, tegenover de ”stoppers” staan de ”blijvers”en die willen doorgroeien. Dat kan alleen als ze hun emissies naar beneden brengen. Emissies van ammoniak, fijnstof én van geur.

Met de nieuwe proefstalregeling geur probeert de overheid het voor de veehouderij wat minder omslachtig en kostbaar te maken. De oude proefstalregeling is tijdrovend. Een speciale commissie moet advies uitbrengen aan het ministerie en er geldt een behoorlijk zware verplichting om te testen. Er waren veel klachten van leveranciers van nieuwe stalsystemen, die vonden dat het allemaal veel te lang duurde en als ze al een systeem door de ballotage kregen, ging de concurrent ermee van door.

Vanuit de politiek (CDA, VVD en SGP, onder aanvoering van de kamerleden Geurts, Lodders, en Bisschop) werd de druk opgevoerd om tot een vereenvoudiging te komen, zodat innovaties – hét toverwoord van de schaalvergroters – versneld zouden kunnen worden ingevoerd. Dit alles ook nog eens onder de vlag van decentralisatie: gemeenten en provincies zouden meer bevoegdheden moeten krijgen om nieuwe stalsystemen een kans te geven.

Luchtwasserschandaal en volière-schandaal
Nu was er op de oude proefstalregeling ook vanuit het oogpunt van omwonenden van alles aan te merken. Deze regeling heeft niet weten te voorkomen dat emissiereducerende technieken door de mand vielen. Het luchtwasserschandaal, waar grote groepen burgers nog altijd de gevolgen van ondervinden, valt mede toe te schrijven aan zeer gebrekkig systeem van meten, toetsen en controleren. Metingen werden uitgevoerd in kleine stallen, met kleine aantallen dieren. Bij de toekenning van emissiefactoren aan nieuwe stalsystemen, werd onvoldoende rekening gehouden met toepassingen in stallen met zeer veel dieren. In het geval van de luchtwasssers werden Duitse metingen acceptabel geacht, terwijl de Nederlandse varkensboeren veel meer varkens in hun stallen proppen dan de Duitsers.
Naast het luchtwasserschandaal is er ook nog een volière-schandaal in de pluimveehouderij. Tientallen miljoenen kippen zitten op dit moment in stallen waarvan de emissiefactoren voor ammoniak (en hoogstwaarschijnlijk ook voor fijnstof en geur) bij nader inzien niet deugen. Deze innovatie uit eind vorige, begin deze eeuw is vanuit het oogpunt van het milieu een debacle. Bij nieuwe metingen is gebleken dat de emissies van ammoniak twee keer zo hoog zijn dan de emissiefactoren aangeven. WUR-onderzoekers Ellen, Groenestein en Ogink hebben in 2017 al gepleit voor aanpassing van de emissiefactoren, maar dat komt politiek gezien natuurlijk niet goed uit.

Dat er op metingen van nieuwe stalsystemen van alles aan te merken was, werd ook door Berenschot in het rapport Naar een ander stelsel van proefstalbeoordeling (2013) gesignaleerd. ”In de praktische uitvoering van de proefstalregeling ligt een grote focus op de schijnbare nauwkeurigheid van de emissiefactoren”, luidde een van de conclusies van Berenschot. ”Het stelsel draait voor een belangrijk deel op het zo scherp mogelijk vaststellen daarvan.Tegelijkertijd zijn de metingen omgeven met een onzekerheidsmarge. De (methodologische) focus op de juistheid van de emissiefactoren is te groot. Bovendien lijkt de meetverplichting op grote schaal te worden ontweken.”

Meetresultaten geur niet reproduceerbaar
Valt bij ammoniak met behulp van herhaalde metingen onder verschillende omstandigheden de werkelijke emissie op redelijk betrouwbare wijze te achterhalen, bij geur ligt dat een stuk moeilijker. Dat is tegelijk ook het meest problematische onderdeel van de nieuwe proefstalregeling. Betrouwbare methoden ontbreken om geuremissies te meten. De nieuwe proefstalregeling verwijst naar een meetprotocol uit 2010. Tien jaar oud dus en inmiddels afgeserveerd door geurdeskundigen. Zo wordt er gebruik gemaakt van geurmonsters en geurpanels. Gebleken is dat deze vorm van meten resultaten oplevert die niet reproduceerbaar zijn.

De bewindspersonen die de proefstalregeling het licht hebben doen zien (Schouten en Van Veldhoven), weten dat het meetprotocol geen betrouwbare gegevens oplevert. De commissie Biesheuvel die onderzoek heeft gedaan naar stankoverlast door veehouderijen, heeft daar in het rapport Geur bekennen ook op gewezen. En Van Veldhoven heeft in haar kamerbrief over dit rapport aangegeven dat de ”urgentie” aanwezig is om over te stappen op een ander systeem van meten van geur. Probleem: dat andere systeem is er (nog) niet. Sensoren zijn nog niet in voldoende mate beschikbaar.

Max5odeur dringt aan op spoedoverleg
Desondanks schrijft artikel 7aa van de proefstalregeling voor dat het bevoegd gezag moet vaststellen dat de controleerbaarheid van de werking van het huisvestingssysteem voldoende is gewaarborgd. Ook moet voldoende zijn gewaarborgd dat de geuremissie overeenkomstig het Protocol voor meting van geuremissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij 2010 of een gelijkwaardige methode wordt gemeten en dat over de wijze van meten en de resultaten van de metingen aan het bevoegd gezag wordt gerapporteerd.

Door het ontbreken van een betrouwbare meetmethode voor geur is de hele proefstalregeling in feite ondeugdelijk en onuitvoerbaar, vindt max5odeur. Om te voorkomen dat provincies en gemeenten er toch mee aan de slag gaan en net als met de luchtwassers bedrijfsuitbreidingen mogelijk maken, terwijl niet gegarandeerd kan worden dat de stank zal afnemen, heeft de burgerwerkgroep bij Van Veldhoven aangedrongen op spoedoverleg: ”Wij pleiten voor een andere aanpak. Lokale overheden zouden ons inziens samen met burgerinitiatieven en ondernemers uit de varkens- en pluimveehouderij en onder auspiciën van het RIVM, een meetnetwerk moeten optuigen. Essentieel is dat boeren en burgers niet tegenover elkaar staan, maar werken aan bewustwording en samen reële stappen maken. Essentieel is ook dat de onafhankelijkheid en transparantie zijn gewaarborgd”