Varkenshouder uit Hengelo mag stankoverlast blijven veroorzaken

De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) blijft een enorme sta-in-de-weg bij de aanpak van ernstige vormen van stankhinder. Vijf jaar na de evaluatie is deze wet nog altijd niet zodanig aangepast dat veehouders gedwongen kunnen worden om overlast te voorkomen.

Zo kan het varkensbedrijf Hakvoort-Lenselink in Hengelo (Gld) nog altijd de geurnorm van 14 odeur fors overschrijden, omdat de Wgv daartoe de gelegenheid biedt. De bewoners van het op circa 250 afstand gelegen pand aan de Kervelseweg 29 moeten met 21,5 odeur genoegen nemen, zo heeft het Gerechtshof van Arnhem onlangs bepaald (ECLI:NL:GHARL:2020:5772).

De overbelaste situatie op de Kervelweg 29 is het resultaat van de zogeheten 50%-regeling in de Wgv, die voor dit bedrijf in 2015 is toegepast. Deze regeling maakt het mogelijk dat bedrijven die willen uitbreiden en geurbeperkende maatregelen treffen, de geurwinst voor 50% mogen gebruiken om meer dieren te gaan houden. Van die mogelijkheid is tot voor kort op grote schaal gebruik gemaakt. Zo ook door Hakvoort-Lenselink

De omwonenden van het bedrijf aan het Baaksevoetpad in Hengelo hadden, hoewel ze eerder door de rechtbank Gelderland in het gelijk waren gesteld (ECLI:NL:RBGEL:2017:6442), in hoger beroep bij het Gerechtshof geen poot om op te staan. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, hoeft de maatschap Hakvoort-Lenseling van het hof ten aanzien van Kervelweg 29 geen aanvullende maatregelen te treffen om de geurhinder te beperken.

Politiek en overheid dansen nog altijd naar de pijpen van de sector

De burgerwerkgroep max5odeur heeft bij het ministerie van I&W en bij de politiek meerdere keren aangedrongen op het intrekken van de 50%-regeling. Tot dusver zonder resultaat. Uit de reactie van varkensvoorvrouw, voorzitter van de POV en lid van Farmers Defence Force Linda Janssen op nieuweoogst.nl wordt duidelijk dat overheid en politiek nog altijd naar de pijpen dansen van de sector. De organisaties die de belangen van varkenshouders behartigen zijn er tevreden over dat de rechter de 50%-regeling opnieuw heeft bekrachtigd.

Janssen zegt:
”Deze uitspraak van het Hof schept hoopvolle verwachtingen, dat het ook in andere zaken tot een gunstige uitspraak komt voor varkenshouders. Dit neemt overigens niet weg dat we als varkenshouderij ons via de programmalijn vitalisering varkenshouderij inzetten om daadwerkelijk overlast richting de omgeving te beperken. We denken graag mee over oplossingsrichtingen.”

50%-regeling en de Omgevingswet
De enige oplossing is, wat max5odeur betreft, afschaffing van de 50%-regeling. Zolang dat niet gebeurt, zullen burgers zeer actief moeten zijn om hun leefklimaat te beschermen.
Op 1 januari 2022 treedt de Omgevingswet in werking en het daarbij behorende Besluit Kwaliteit Leegomgeving (BKL). Alle gemeenten moeten omgevingsplannen opstellen waarin bestemmingsplannen worden opgenomen. Inspraak over een omgevingsplan is hét moment om als burger van je te laten horen.
In het BKL zijn voor geur standaardwaarden opgesteld: de bekende 2 en 3 odeur buiten concentratiegebied en 8 en 14 odeur binnen concentratiegebied. Ook staan er grenswaarden in, die aanzienlijk hoger liggen: 8 en 14 en 20 en 25 odeur.
Een omgevingsplan kan een lagere of hogere waarde bevatten dan de standaardwaarde mits die waarde maar niet hoger is dan de grenswaarde. Dit is de wettelijke grens vanaf 1 januari 2022. Bij een afwijking van de wettelijke standaardwaarde zijn ministeriële regels van toepassing
Bij de inspraak op de omgevingsplannen is het van belang die waarden zo ver mogelijk naar beneden te krijgen. In een omgevingsplan kan worden bepaald op welke locaties welke waarden van toepassing zijn. Het naar beneden bijstellen van de waarden is erg belangrijk omdat ook het BKL een 50%-regeling kent.
Als een veehouderij boven de vastgestelde standaardwaarden van het omgevingsplan zit, dan wordt dat geaccepteerd zolang op die locatie de geurbelasting op een geurgevoelig object niet toeneemt en het aantal dieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toeneemt. Wil de veehouderij toch uitbreiden, dan moet deze geurreducerende maatregelen treffen en is er een berekening mogelijk van het gemiddelde van de bestaande geuremissie en de waarde in het omgevingsplan. Uitbreiding is toegestaan als:

  • a.een geurbelastingreducerende maatregel wordt toegepast; en
  • b.de totale geur na uitbreiding niet meer bedraagt dan het gemiddelde van de in het omgevingsplan opgenomen waarde en de geur die de activiteit voorafgaand aan het toepassen van de maatregel rechtmatig mocht veroorzaken op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Bijvoorbeeld: De bestaande geurbelasting op een woning is 20 ouE/m3 De norm, de opgenomen waarde in het omgevingsplan, is 14 ouE/m3. Dan mag de geurbelasting op die woning na uitbreiding maximaal 17 ouE/m3 zijn.Wordt in een omgevingsplan een waarde van 5 odeur opgenomen, dan mag de geurbelasting na uitbreiding maximaal 12,5 odeur zijn.

Ga bijtijds in gesprek met lokale politici om ze te wijzen op de noodzaak van zo laag mogelijke standaardwaarden in omgevingsplannen, vooral in die gebieden waar uitbreidingen dreigen, waar reeds sprake is van stankoverlast of waar nieuwe stankoverlast kan ontstaan. Wijs lokale politici op het standpunt van VNG en IPO. Zie https://www.max5odeur.nl/gemeenten-en-provincies-willen-af-van-50-regeling/
Wijs politici op de mogelijkheid om met behulp van de Crisis- en Herstelwet de 50%-regeling buiten werking te stellen.

Realtime meten van geur nodig voor omschakeling naar doelvoorschriften

Boeren hebben liever doelvoorschriften dan middelvoorschriften. Ze willen zich best vastleggen op een bepaalde hoeveelheid ammoniak, fijnstof en geur die ze mogen uitstoten, maar dan willen ze zelf bepalen hoe ze dat doel bereiken. Afschaffing van middelvoorschriften betekent een grotere vrijheid van handelen. Voorwaarde is wel dat er op bedrijfsniveau op elk gewenst moment (real time) gemeten kan worden of ze de vergunde doelen halen. Dat is op dit moment wat betreft geur nog niet mogelijk.

Staatssecretaris Van Veldhoven heeft het onafhankelijke adviesbureau Rebel ingehuurd om te kijken of het werken met doelvoorschriften haalbaar is. Het bureau had als opdracht met een advies te komen over nieuwe vormen van stalbeoordeling. Daarbij is ook onderzocht of het uitvoerig testen van nieuwe technieken onder verantwoordelijkheid van de overheid achterwege kan blijven binnen een systeem met doelvoorschriften.

Met doelvoorschriften krijgen veehouders een sterke prikkel om resultaten te behalen, zo is de veronderstelling. De verantwoordelijkheid voor de prestaties van toegepaste technieken zou dan komen te liggen bij de producent. Toetsing van nieuwe staltechnieken is in dat geval aan de markt, bijvoorbeeld door private certificering van staltechnieken.

Volgens Van Veldhoven zou dit een ingrijpende verandering zijn ten opzichte van het bestaande systeem met door de overheid goedgekeurde technieken en emissiefactoren, zo laat ze op 2 juli in een brief aan de Tweede Kamer weten. Maar die verandering zit er voorlopig niet in. ”Een doelgericht systeem voor alle emissies is op korte termijn niet haalbaar, omdat het betrouwbaar realtime meten van geur met sensoren nog niet mogelijk is. Een vorm van beoordeling van technieken blijft daarom ook na stapsgewijze invoering van een nieuw systeem voorlopig noodzakelijk.”
Van Veldhoven spreekt over een transitie die meer tijd vergt.

Miljoenen vinden gretig aftrek bij varkensboeren, wat schiet de burger ermee op?

Hup, daar gaan weer honderden miljoenen naar de varkenshouderij. De subsidies voor stoppende boeren vinden gretig aftrek. Of de burgers in het buitengebied er veel mee opschieten, moet nog blijken. De overheid heeft de lat wel erg laag gelegd.

De krimpregeling is bedoeld voor varkensbedrijven die stank veroorzaken. Hoe meer stank, hoe groter de kans op geld. Tenminste, dat was de opzet. Aanvankelijk was het totale subsidiebedrag vastgesteld op 180 miljoen. Vanwege de grote belangstelling is dat bedrag uitgebreid naar bijna een half miljard.

Het aanvankelijke bedrag  was genoeg voor zo’n 124 locaties. In totaal kwamen er 502 aanvragen binnen, waarvan er 407 voldoen aan de gestelde vereisten, aldus de minister van LNV in een brief aan de Tweede Kamer.  In plaats van de lat hoger te leggen, is besloten meer geld uit te trekken, zodat ook stikstofdoelen met de subsidies kunnen worden gediend.

Met de 407 erkende aanvragen zijn 910.645 varkensrechten gemoeid, 802.243 in de regio Zuid en 108.402 in de regio Oost, zo heeft het ministerie van LNV becijferd. Dat betekent een krimp van circa 10% van het aantal varkensbedrijven in NL en een krimp van 7,44% van het aantal varkens. De stoppers hebben  een gemiddelde bedrijfsomvang van ruim 2200 varkens.
 
Ruim een miljoen per bedrijf. De belastingbetaler heeft er heel wat voor over om de stankoverlast in Brabant, Gelderland, Limburg en Overijssel  te verminderen. Maar helpt het ook?

In de Nederlandse varkenshouderij doet zich een autonome krimp voor. Het aantal bedrijven daalde in 2019 ten opzichte van 2018 met 2,3%. De krimp is het grootst in Brabant, waar in 2019 het aantal varkensbedrijven met 7,9% gedaald tot 1.410 ten opzichte van 2018 en in Gelderland met 3,6% tot 940 bedrijven. Tegenover deze krimp staat een groei in Noord Holland, Zuid-Holland, Zeeland, Friesland, Groningen en Overijssel. Zo nam het aantal varkensbedrijven in de provincie Noord-Holland met maar liefst 36,5% toe naar 52 bedrijven; 1 jaar eerder waren dat er nog 33. In Friesland is een stijging zichtbaar van 29% tot 69 varkenshouderijen.
Als we kijken naar het totaal aantal varkens in NL, dan zien we een daling van 2,4% in 2019 ten opzichte van 2018. In Brabant heeft zich een krimp van – 3,3% voorgedaan (van 5,9 naar 5,7 miljoen), in Gelderland – 2% (van bijna 1,9 naar 1,85 miljoen), in Drenthe -6,7%, in Utrecht – 5,2%, – 12,7% in Zuid-Holland en in Limburg – 1,9% (van 1,975 naar 1,936 miljoen). Tegenover deze krimp staat een groei in Zeeland van 12,2%, in Overijssel van 0,5% en Groningen 4,4%.

Tegen de achtergrond van deze cijfers die landelijk gezien een lichte verschuiving laten zien van zuid naar west en noord, is de krimp voor de betrokken gebieden ten gevolge van de saneringsregeling wel iets substantiëler dan de eerder genoemde 7,44%. Een afname van 802.243 varkens komt in de regio zuid neer op een krimp van het aantal varkens met meer dan 10,42%.

Behalve aantallen dieren en krimpcijfers moeten we natuurlijk ook kijken naar de afname van de stankoverlast. Daar was het immers allemaal om te doen.  Het is heel goed mogelijk dat de afname van overlast geen gelijke tred houdt met de afname van het aantal dieren, domweg omdat de varkens verdwijnen van plaatsen waar de overlast niet het grootst was. Er kunnen ondanks de sanering nog veel stank veroorzakende bedrijven overblijven. Woon je als burger tussen meerdere varkenshouderijen, waarvan er eentje stopt, dan kan het heel goed zijn dat je daar weinig van merkt, omdat de overlast van de andere bedrijven aanhoudt.

Maar het omgekeerde is ook mogelijk: de stankoverlast neemt meer af dan je op grond van de krimp van het aantal dieren zou verwachten. Om dit alles te kunnen berekenen hebben we bedrijfsgegevens van de stoppers nodig: hoeveel stank is er vergund, hoeveel stank werd er feitelijk uitgestoten, werd er gebruik gemaakt van luchtwassers, heeft er een herberekening plaatsgevonden aan de hand van de emissiefactoren die sinds juli 2018 gelden voor de zogeheten combi-wassers, etc.
Die gegevens moeten nog komen. De subsidieregeling zal worden geëvalueerd. Daarbij zal onder andere aandacht zijn voor het effect van de subsidieregeling op emissies naar het milieu. De burgerwerkgroep max5odeur zal de gegevens opvragen, zodra ze beschikbaar zijn.

Geurscores
Wel valt nu al uit de subsidievoorwaarden een en ander af te leiden. De aanvragen worden beoordeeld aan de hand van een geurscore. De hoogte van de geurscore is afhankelijk van:

  • de hoeveelheid geureenheden die een varkenshouderijlocatie uitstoot (de geuremissie),
  • de afstand tussen de varkenshouderijlocatie en geurgevoelig object(en)
  • het aantal geurgevoelige objecten in een straal van 1.000 meter rond de varkenshouderijlocatie.

Zo kan een varkenshouderij met een geurbelasting van 5 tot 8 odeur op 3 woningen binnen een cirkel van 1 km uitkomen op een geurscore van 0,45 en dat is boven de drempelwaarde van 0,40. Deze varkenshouderij komt in aanmerking voor subsidie. Hetzelfde geldt voor een varkenshouderij met een geurbelasting van 3 tot 5 odeur op 5 woningen. Die krijgt een geurscore van 0,50 en is dus ook subsidiabel. Een varkenshouderij die op slechts 1 woning een geurbelasting heeft van 20 tot 32 odeur is echter niet subsidiabel. Die heeft namelijk een geurscore van 0,36.
Deze berekeningswijze maakt het mogelijk dat niet uitsluitend de ‘’zware gevallen’’ worden uitgekocht. Ook ‘’lichtere gevallen’’ komen voor subsidie in aanmerking. Dit wordt nog eens gestimuleerd doordat het subsidieplafond is verhoogd. Aanvankelijk was het met een subsidieplafond van 120 miljoen zo dat varkenshouderijen met de hoogste geurscore als eerste in aanmerking zouden komen voor subsidie. Hiermee wilde het ministerie van LNV waarborgen dat de beschikbare middelen zo doelmatig en doeltreffend mogelijk zouden worden ingezet. Nu dat bedrag is verhoogd, is de rangschikking op de mate van stank losgelaten en is het niet langer gegarandeerd dat vooral zwaar stinkende bedrijven worden uitgekocht.

Pleidooi voor nieuw protocol voor het meten van stank uit veehouderij

De burgerwerkgroep max5odeur pleit voor een geheel nieuw protocol voor het meten van stank uit veehouderij. Dat protocol zou samen met het RIVM, GGD en burgergroeperingen ontwikkeld moeten worden.

Dit heeft de werkgroep laten weten in een commentaar op het zogeheten herziene NEN-protocol Luchtkwaliteit geurmetingen. Dit Nen-protocol is van toepassing op veel sectoren, waaronder de veehouderij. Volgens de burgerwerkgroep max5odeur is stank uit veehouderij zo specifiek, dat er een apart protocol voor moet komen. Het huidige protocol biedt omwonenden onvoldoende bescherming.

In plaats van bestuurders, ambtenaren, veehouders en rechters voor te spiegelen dat stank vanuit veehouderijen kan worden gemeten, dient de realiteit onder ogen te worden gezien. De relatie tussen de stank die omwonenden ervaren en de bron van die stank valt met de huidige meetmethoden niet op een effectieve en betrouwbare wijze te achterhalen, aldus max5odeur.

In veehouderijgebieden is vaak sprake van ernstige en langdurige geurhinder. Concentraties van veehouderijen in Gelderland, Brabant en Limburg hebben geleid tot het ontstaan van talrijke hotspots van stankoverlast. Daarnaast kan ook een enkele veehouderij voor langdurige stankoverlast zorgen. Omvang en intensiteit van het stankprobleem hebben te maken met:
a. Veel te ruime geurnormen
b. Cumulatie, die niet standaard wordt meegerekend bij de vergunningverlening
c. Emissie reducerende technieken die in de praktijk niet of nauwelijks blijken te werken, doordat aan meetresultaten die zijn bepaald onder specifieke omstandigheden, een algemene waarde wordt toegekend. Bestaande meetprotocollen verzetten zich daar kennelijk niet tegen. Daardoor is toepassing van deze technieken onder andere dan de gemeten omstandigheden mogelijk.

Het belang van geurmetingen in de veehouderij is bijzonder groot, stelt max5odeur. Wet- en regelgeving, alsmede de subsidiëring van emissie reducerende technieken, staan vooral in het teken van ontwikkeling van de veehouderij en dienen niet om omwonenden te beschermen. Met behulp van tweezijdige metingen (emissies en immissies, bron én geurgevoelig object) kan worden vastgesteld wat het daadwerkelijke effect is van een of meerdere veehouderijen op de leefomgeving en kunnen klachten van omwonenden niet opzij worden gelegd, maar worden afgehandeld.

Klik hieronder voor het complete commentaar van max5odeur


Planbureau ziet teveel nadelen in afstandseis veehouderijen

De overgrote meerderheid van de veehouderijen in Nederland staat op minder dan 250 meter van een woning of andere bebouwing. Een afstandseis van 250 meter zou op het gebied van volksgezondheid in veel gevallen bescherming kunnen bieden.

Dat stelt het Plan Bureau voor de Leefomgeving in het rapport Kansrijk landbouw- en voedselbeleid . Toch is het Planbureau geen voorstander van een dergelijke afstandseis. Zo’n maatregel beperkt ruimtelijke ontwikkelingen, zoals nieuwbouw. Ook kan een afstandseis een rem zetten op de ontwikkeling van emissie-arme stallen.

Als boeren geen vergunning kunnen krijgen voor aanpassingen van hun bedrijf zoals het bouwen van een emissiearme stal, ontstaat het risico dat de bestaande situatie wordt voortgezet, aldus het Planbureau.

Het Planbureau heeft de afstandseis van 250 meter onder de loupe genomen, omdat daar al jaren voor wordt gepleit, onder meer door de GGD’en. Aangezien uit metingen en modelberekeningen blijkt dat de geurhinder, geluidsoverlast en de concentraties fijnstof en endotoxinen afnemen met de afstand tot veehouderijen, lijkt het hanteren van een minimumafstand op het eerste gezicht een effectieve maatregel om gezondheidswinst te halen. De werkelijkheid is echter gecompliceerder, aldus het PBL.

In het rapport van het PBL staat dat 80 tot 90% van de veehouderijen in Nederland op een afstand kleiner dan 250 meter van woningen is gelegen. Het zijn cijfers uit 2011. Onbekend is hoe hoog dat percentage nu is, maar het zal nog steeds om de overgrote meerderheid gaan.

Mensen die dicht bij veehouderijen wonen hebben vaker luchtwegklachten. Door de afstand tussen woningen en veehouderijen te vergroten kan de gezondheid van omwonenden verbeteren als tegelijkertijd de achtergrondbelasting met fijnstof omlaag gebracht wordt, ziet ook het PBL Het PBL vreest dat door het toepassen van een rigide afstandseis geen gezondheidswinst zal worden geboekt, omdat vervuilende veehouderijen gewoon kunnen doorboeren.

Een toetsingskader waarbij rekening wordt gehouden met de belasting van veehouderijen op omwonenden biedt meer flexibiliteit dan een afstandseis, aldus het PBL. Omdat afhankelijk van de situatie fijnstof, endotoxinen of geurhinder de beperkende factor is, zou in het toetsingsprotocol voor de omgevingsvergunning de blootstelling aan alle factoren meegenomen moeten worden. De hoogte van de gekozen gezondheidskundige grenswaarden in dit toetsingsprotocol bepaalt in sterke mate het beschermingsniveau van omwonenden.

Best beschikbare technieken verplicht voor alle IPPC-veehouderijen per 2021

Alle bestaande IPPC-veehouderijen moeten per 1 januari 2021 voldoen aan de Europese richtlijnen voor best beschikbare technieken (BBT). Gemeenten en provincies moeten het initiatief nemen en bedrijven benaderen voor een controle en eventuele aanpassing van stalsystemen. Die aanpassing kan worden opgelegd door middel van voorschriften.

Best beschikbare technieken zijn verplicht onder meer op het gebied van geluid, stof, geur, opslag, verwerking en uitrijden van mest, ammoniak en monitoring. Wanneer er klachten vanuit de omgeving zijn, dan kan het bevoegde gezag een geurbeheersplan verplicht stellen. Dat kan op grond van BBT 12. Dat is van toepassing wanneer bij omwonenden geurhinder wordt verwacht en/of is onderbouwd. Geurhinder kan worden verwacht als een bedrijf ten gevolge van het aantal dieren dat wordt gehouden een zeer geringe marge heeft ten opzichte van de geurnorm.

Hoewel er veel te doen is over gecombineerde luchtwassers en de emissiefactoren voor deze installaties zijn aangepast, worden ze nog steeds beschouwd als de beste beschikbare techniek om de geurhinder te beperken. Er kunnen wel meetverplichtingen worden opgelegd. Op grond van BBT 28 kunnen alle intensieve veehouderijen met luchtwassers worden verplicht tot elektronische monitoring van de luchtwassers in combinatie met een eenmalige geurrendementsmeting.

Op 30 december 2019 heeft rechtbank Oost-Brabant hier een eerste inhoudelijke uitspraak over gedaan ECLI:NL:RBOBR:2019:7440

(Update 22 juli 2020 De Raad van State heeft in hoger beroep een nieuwe uitspraak over gedaan over de rechtmatigheid van een geurbeheersplan: zolang een bedrijf voldoet aan de Wet geurhinder veehouderij, bij uitbreiding de 50%-regeling correct toepast en de geurhinder afneemt, kan er geen sprake zijn van geurhinder, ook al wordt de geldende geurnorm van 8 odeur met 1,4 odeur overschreden, uitspraak ECLI:NL:RVS:2020:1741).

Op 15 januari 2020 heeft de Raad van State bepaald dat de provincie Limburg aan een varkenshouder terecht een meetverplichting, streefnormen en grenswaarden voor de geuremissie heeft opgelegd. De streefnormen zijn gebaseerd op een geurverwijderingsrendement van het luchtwassysteem van 85% en de grenswaarden op een rendement van 45%.  Het college heeft die verplichting opgelegd nadat is vast komen te staan dat het vergunde luchtwassysteem een lager rendement heeft dan waarvan aanvankelijk werd uitgegaan, hetgeen ertoe leidt dat een zodanig hoge geurbelasting in de omgeving ontstaat, dat de geurnormen uit de Wgv bij een aantal geurgevoelige objecten zullen worden overschreden. Om er zeker van te zijn dat die geurnormen toch zoveel als mogelijk worden gerespecteerd, heeft het college de nieuwe voorschriften opgelegd.
ECLI:NL:RVS:2020:108

Tot de IPPC-veehouderijen behoren varkensbedrijven met meer dan 2000 mestvarkens of 750 zeugen en pluimveehouderijen met meer dan 40.000 kippen. Wil je weten of jouw buurman een IPPC-bedrijf heeft? Gemeenten en provincie moeten de vergunning van IPPC-bedrijven publiceren op internet. Je kunt bij gemeente of provincie informeren of een IPPC-bedrijf voldoet aan de Europese richtlijnen voor BBT.
Woon je in de buurt van een pluimveebedrijf met overdekte uitloop, laat de geurbelasting dan narekenen aan de hand van de handleiding van V-Stacks-vergunning, versie mei 2017. Na een herberekening zou er wel eens een overschrijding van de grenswaarden aangetoond kunnen worden
Klik hier voor de BBT intensieve veehouderij

Nieuwe proefstalregeling deugt niet en is onuitvoerbaar

De nieuwe proefstalregeling voor veehouderijen deugt niet en is onuitvoerbaar. Belangrijkste manco is het ontbreken van een betrouwbaar meetsysteem voor geur, zo blijkt uit een analyse van de burgerwerkgroep max5odeur. In een brief aan staatssecretaris Van Veldhoven pleit de werkgroep voor het opzetten van een burgermeetnetwerk, met behulp van sensoren en onder auspiciën van het RIVM.

De nieuwe proefstalregeling, onderdeel van de Crisis- en Herstelwet en specifiek bedoeld voor Brabant, Gelderland, Limburg en Overijssel, is de zoveelste poging om met behulp van innovaties de omvang van de intensieve veehouderij in het dichtbevolkte Nederland in stand te houden en verdere schaalvergroting mogelijk te maken, aldus max5odeur. Ook al is er op dit moment veel te doen over regelingen die moeten leiden tot een lichte krimp van het aantal varkens, tegenover de ”stoppers” staan de ”blijvers”en die willen doorgroeien. Dat kan alleen als ze hun emissies naar beneden brengen. Emissies van ammoniak, fijnstof én van geur.

Met de nieuwe proefstalregeling geur probeert de overheid het voor de veehouderij wat minder omslachtig en kostbaar te maken. De oude proefstalregeling is tijdrovend. Een speciale commissie moet advies uitbrengen aan het ministerie en er geldt een behoorlijk zware verplichting om te testen. Er waren veel klachten van leveranciers van nieuwe stalsystemen, die vonden dat het allemaal veel te lang duurde en als ze al een systeem door de ballotage kregen, ging de concurrent ermee van door.

Vanuit de politiek (CDA, VVD en SGP, onder aanvoering van de kamerleden Geurts, Lodders, en Bisschop) werd de druk opgevoerd om tot een vereenvoudiging te komen, zodat innovaties – hét toverwoord van de schaalvergroters – versneld zouden kunnen worden ingevoerd. Dit alles ook nog eens onder de vlag van decentralisatie: gemeenten en provincies zouden meer bevoegdheden moeten krijgen om nieuwe stalsystemen een kans te geven.

Luchtwasserschandaal en volière-schandaal
Nu was er op de oude proefstalregeling ook vanuit het oogpunt van omwonenden van alles aan te merken. Deze regeling heeft niet weten te voorkomen dat emissiereducerende technieken door de mand vielen. Het luchtwasserschandaal, waar grote groepen burgers nog altijd de gevolgen van ondervinden, valt mede toe te schrijven aan zeer gebrekkig systeem van meten, toetsen en controleren. Metingen werden uitgevoerd in kleine stallen, met kleine aantallen dieren. Bij de toekenning van emissiefactoren aan nieuwe stalsystemen, werd onvoldoende rekening gehouden met toepassingen in stallen met zeer veel dieren. In het geval van de luchtwasssers werden Duitse metingen acceptabel geacht, terwijl de Nederlandse varkensboeren veel meer varkens in hun stallen proppen dan de Duitsers.
Naast het luchtwasserschandaal is er ook nog een volière-schandaal in de pluimveehouderij. Tientallen miljoenen kippen zitten op dit moment in stallen waarvan de emissiefactoren voor ammoniak (en hoogstwaarschijnlijk ook voor fijnstof en geur) bij nader inzien niet deugen. Deze innovatie uit eind vorige, begin deze eeuw is vanuit het oogpunt van het milieu een debacle. Bij nieuwe metingen is gebleken dat de emissies van ammoniak twee keer zo hoog zijn dan de emissiefactoren aangeven. WUR-onderzoekers Ellen, Groenestein en Ogink hebben in 2017 al gepleit voor aanpassing van de emissiefactoren, maar dat komt politiek gezien natuurlijk niet goed uit.

Dat er op metingen van nieuwe stalsystemen van alles aan te merken was, werd ook door Berenschot in het rapport Naar een ander stelsel van proefstalbeoordeling (2013) gesignaleerd. ”In de praktische uitvoering van de proefstalregeling ligt een grote focus op de schijnbare nauwkeurigheid van de emissiefactoren”, luidde een van de conclusies van Berenschot. ”Het stelsel draait voor een belangrijk deel op het zo scherp mogelijk vaststellen daarvan.Tegelijkertijd zijn de metingen omgeven met een onzekerheidsmarge. De (methodologische) focus op de juistheid van de emissiefactoren is te groot. Bovendien lijkt de meetverplichting op grote schaal te worden ontweken.”

Meetresultaten geur niet reproduceerbaar
Valt bij ammoniak met behulp van herhaalde metingen onder verschillende omstandigheden de werkelijke emissie op redelijk betrouwbare wijze te achterhalen, bij geur ligt dat een stuk moeilijker. Dat is tegelijk ook het meest problematische onderdeel van de nieuwe proefstalregeling. Betrouwbare methoden ontbreken om geuremissies te meten. De nieuwe proefstalregeling verwijst naar een meetprotocol uit 2010. Tien jaar oud dus en inmiddels afgeserveerd door geurdeskundigen. Zo wordt er gebruik gemaakt van geurmonsters en geurpanels. Gebleken is dat deze vorm van meten resultaten oplevert die niet reproduceerbaar zijn.

De bewindspersonen die de proefstalregeling het licht hebben doen zien (Schouten en Van Veldhoven), weten dat het meetprotocol geen betrouwbare gegevens oplevert. De commissie Biesheuvel die onderzoek heeft gedaan naar stankoverlast door veehouderijen, heeft daar in het rapport Geur bekennen ook op gewezen. En Van Veldhoven heeft in haar kamerbrief over dit rapport aangegeven dat de ”urgentie” aanwezig is om over te stappen op een ander systeem van meten van geur. Probleem: dat andere systeem is er (nog) niet. Sensoren zijn nog niet in voldoende mate beschikbaar.

Max5odeur dringt aan op spoedoverleg
Desondanks schrijft artikel 7aa van de proefstalregeling voor dat het bevoegd gezag moet vaststellen dat de controleerbaarheid van de werking van het huisvestingssysteem voldoende is gewaarborgd. Ook moet voldoende zijn gewaarborgd dat de geuremissie overeenkomstig het Protocol voor meting van geuremissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij 2010 of een gelijkwaardige methode wordt gemeten en dat over de wijze van meten en de resultaten van de metingen aan het bevoegd gezag wordt gerapporteerd.

Door het ontbreken van een betrouwbare meetmethode voor geur is de hele proefstalregeling in feite ondeugdelijk en onuitvoerbaar, vindt max5odeur. Om te voorkomen dat provincies en gemeenten er toch mee aan de slag gaan en net als met de luchtwassers bedrijfsuitbreidingen mogelijk maken, terwijl niet gegarandeerd kan worden dat de stank zal afnemen, heeft de burgerwerkgroep bij Van Veldhoven aangedrongen op spoedoverleg: ”Wij pleiten voor een andere aanpak. Lokale overheden zouden ons inziens samen met burgerinitiatieven en ondernemers uit de varkens- en pluimveehouderij en onder auspiciën van het RIVM, een meetnetwerk moeten optuigen. Essentieel is dat boeren en burgers niet tegenover elkaar staan, maar werken aan bewustwording en samen reële stappen maken. Essentieel is ook dat de onafhankelijkheid en transparantie zijn gewaarborgd”

Max5odeur: eerst normen aanscherpen en dan experimenteren

De burgerwerkgroep max5odeur is het niet eens met een wijziging van de Crisis- en Herstelwet, waardoor provincies en gemeenten meer ruimte krijgen om te experimenteren met anti-stankmaatregelen. De werkgroep vindt dat eerst de geurnormen moeten worden aangescherpt.

Over de wijziging van de Crisis- en Herstelwet kon een zienswijze worden ingediend. Van die mogelijkheid heeft max5odeur gebruik gemaakt. In die zienswijze schrijft max5odeur:

”Wegens het ontbreken van een geactualiseerd wettelijk kader dat het woon- en leefklimaat en de gezondheid van omwonenden van intensieve veehouderijbedrijven afdoende beschermt, bestaat er een reëel risico dat de voorgestelde wijzigingen voor direct belanghebbenden geen verbeteringen en mogelijk zelfs verslechteringen teweeg brengen. De voorgestelde wijziging van de CHW zal leiden tot uitstel van noodzakelijke wijzigingen in de Wet geurhinder veehouderij en de Regeling geurhinder veehouderij, c.q. de Omgevingswet en bijbehorende besluiten”.

Max5odeur heeft er weinig vertrouwen in dat provincies en gemeenten in staat zijn om het stankprobleem daadwerkelijk aan te pakken. Bovendien zijn de maatregelen waarvoor de Crisis- en Herstelwet ruimte wil bieden, vooral technisch van aard. Daarvan is nog niet bewezen dat ze effectief zijn als het gaat om het reduceren van stank. Middelen ontbreken om de afname van stank op onomstreden wijze vast te stellen. Met het recente luchtwasserschandaal in gedachten, vindt de werkgroep max5odeur dat de tijd nog lang niet rijp is voor experimenten. Omwonenden van veehouderijen zitten niet te wachten op nieuwe onzekerheden over de effectiviteit van maatregelen.

POV en LTO
Ook de Producenten Organisatie van de Varkenshouderij en LTO Nederland hebben zich, maar dan op andere gronden, negatief uitgelaten over de wijziging van de Crisis- en Herstelwet. Beide organisaties vrezen strenger beleid, willekeur en aantasting van bestaande rechten van veehouders.

‘POV en LTO Nederland hebben al in eerdere brieven laten weten experimenten bij daadwerkelijke overlast te ondersteunen maar wel onder de voorwaarde dat er zorgvuldig met rechten van veehouders wordt omgegaan. Dat is in huidige voorstel niet of nauwelijks geregeld en het artikel 7af is daarmee voor ons onacceptabel. Wij dringen erop aan het voorstel zo aan te passen dat rechten van veehouders voldoende gerespecteerd worden en dat veehouders een eerlijk speelveld behouden. Zonder fundamentele aanpassingen van dit artikel is zorgvuldige samenwerking met veehouders en hun belangenorganisaties niet mogelijk.”

Geurmeter voor varkenshouderij binnen handbereik

Het bedrijf EMS uit Sint Annaland heeft een geurmeetsysteen ontwikkeld dat gebruikt kan worden voor het meten van geuroverlast bij varkensstallen. Het systeem werkt met een sensor en een kunstmatig neuraal netwerk. Het is in staat om zowel de aard als de omvang van de stank vast te stellen.

De sensor (Multi Gas Analyzer) neemt eerst een “vingerafdruk” van de geurende lucht. Deze ”vingerafdruk” wordt vervolgens ingevoerd in een kunstmatig neuraal netwerk. Het kunstmatig neuraal netwerk is een computer algoritme dat aan de hand van de vingerafdruk de concentratie van de verschillende geurcomponenten kan bepalen.

De concentraties worden omgezet naar European Odour Units (OUe). Dit is een eenheid voor geurconcentratie vastgelegd in de NEN-13725 en VDI 3882. Vervolgens wordt hieruit de geurbeleving vastgesteld. Aan de hand van deze geurbeleving is het mogelijk om te bepalen of er sprake is van stankoverlast.

De praktische uitvoering en het gebruik van deze sensor is onder handbereik, maar
hangt af van de vraag van de overheden en de handhavende instanties, aldus EMS.
https://www.macview.eu/nl/product/multi-gas-analyser-mga/

Baanbrekend
De geurmeter van EMS mag gerust baanbrekend worden genoemd. Als sinds 2015 pleit de burgerwerkgroep max5odeur voor de ontwikkeling van een e-nose, waarmee stank uit veehouderijen objectief kan worden vastgesteld. Ook de commissie Biesheuvel wijst op de noodzaak om het geurbeleid meer te baseren op metingen, in plaats van op berekeningen. De commissie pleit voor de invoering van emissiegrenswaarden waarvan met behulp van metingen kan worden vastgesteld of aan die waarden wordt voldaan.
In haar brief aan de Tweede Kamer van 6 september 2019 over het rapport van de commissie Biesheuvel, kondigde staatssecretaris Van Veldhoven aan dat Wageningen Universiteit geld krijgt voor een meerjarig onderzoeksprogramma dat moet leiden tot een chemisch-analytische methode voor geurmetingen. Dit lijkt nu overbodig te zijn geworden door de geurmeter van EMS.

Stank uit varkenshouderijen zal toenemen door brijvoer

De stank uit varkenshouderijen zal toenemen door een uitbreiding van het aantal brijvoerinstallaties. De verwachting is dat er door de sanering van de varkenshouderij meer bedrijven zullen komen met een dergelijke installatie. ‘’In Nederland zal relatief het aantal bedrijven met een brijvoerinstallatie eerder toe- dan afnemen door krimp van de varkensstapel en het aantal bedrijven’’, schrijft Nieuwe Oogst.

Een toename van brijvoer valt niet alleen te verwachten ten gevolge van de schaalvergroting, maar ook door toepassing van de kringlooplandbouw. Dat concept wordt gepropageerd door het ministerie van LNV en beoogt voedselverspilling tegen te gaan. Met vochtrijke en met droge reststromen uit de levensmiddelenindustrie zou de varkenssector bovendien een belangrijke bijdrage leveren aan de reductie van broeikasgassen.

Omwonenden zullen het gaan merken: voor brijvoerinstallaties gelden geen geurnormen. De Wet Geurhinder Veehouderij biedt geen enkele bescherming. Wel is er de algemene regel dat het bereiden van brijvoer in gesloten ruimtes moet plaatsvinden. Maar de opslag van brijvoer kan ook stank veroorzaken. Evenals de mest van met brijvoer gevoerde varkens. Het brijvoer voegt aan de mest een zure stank toe, als gevolg van vluchtige vetzuren van gefermenteerde bijproducten.

Het rapport van Wageningen Universiteit Stalmaatregelen voor het reduceren van geuremissie uit de intensieve veehouderij (2015) wijst bovendien op het risico van stank door vermorsing en hokbevuiling. Hokbevuiling bij met name vleesvarkens, is één van de belangrijkste bronnen van geur (en ammoniak), aldus het rapport.

De conclusie van het rapport is weinig hoopgevend: ‘’Er zijn nauwelijks mogelijkheden om de geuremissie uit voeropslagen en/of voerkeuken te voorkomen of te reduceren. Veel zal afhangen van de aanwezige voercomponenten en de dagelijkse werkwijze van de veehouder, zoals bijvoorbeeld het afdekken van sleufsilo’s en het schoonmaken van lege voorraadbakken. Eventueel kan een inpandige opslag van voedercomponenten worden aangesloten op een chemische luchtwasser.

Het bevoegd gezag kan toepassing van een chemische luchtwasser afdwingen in de vorm van aanvullende maatwerkvoorschriften. Daarvoor moeten omwonenden dan wel bij de vergunningverlening via een zienswijze een verzoek indienen.