EU-voorwaarden mest uitrijden leiden tot minder stank

De EU heeft voorwaarden gesteld aan de derogatie voor melkveebedrijven, waardoor het uitrijden van mest in de zomer in delen van Nederland tot minder stank zal leiden. Boeren op veen- en kleigrond mogen alleen nog mest uitrijden met een zogeheten sleepvoetbemester als het onder de 20 graden is.

De voorwaarde is bedoeld om de ammoniakemissies te verminderen, maar het heeft ook gevolgen voor de mate van stankhinder. Bij zonnig en warm weer ontstaat er meer stank en komt er meer ammoniak vrij, dan bij bewolkt, regenachtig en koeler weer.

De melkveebedrijven hebben de derogatie onder voorwaarden gekregen. Ze kunnen daardoor meer stikstof op hun land brengen dan zonder derogatie. De derogatie is verleend voor twee jaar.

Aan het gebruik van de sleepvoetbemester zijn al eerder beperkingen opgelegd door het ministerie van LNV. De mest moet voor een derde zijn aangelegd met water. Ook dat heeft een reducerend effect op de uitstoot van ammoniak, en vermoedelijk ook op het ontstaan van stank.

De strontrijders in Nederland maken gebruik van drie typen technieken: de sleepvoet (laten strookjes mest van vijf centimeter breed achter), de sleufkouter (brengt met behulp van messen de mest enkele centimeters diep in de grond) en de zodenbemester (snijdt met een schijfwiel de zode door tot vijf centimeter diep en laat daar de mest in achter).

De sleepvoet wordt veel toegepast op veen- en kleigrond omdat deze op dit type grond minder brandstof verbruikt. Het gebruik van de andere technieken vergt op veen- en kleigrond meer energie. De sleufkouter- en zodenbemesters worden vooral gebruikt op loss- en zandgrond. Aan het gebruik van deze technieken stelt de EU geen voorwaarden.

Er zijn nog altijd boeren die een vrijstelling hebben voor het bovengronds uitrijden van mest. Dat mag van de EU, maar niet langer in combinatie met derogatie. De hoeveelheid mest die zij gewend waren uit te rijden, moet dus naar beneden. Ook weer gunstig voor de omwonenden.

Helemaal gunstig voor de inwoners van het buitengebied zou een algeheel drijfmestverbod zijn. Tjeerd de Groot van D66 is daar een voorstander van. Ook de commissie Remkes heeft geadviseerd om drijfmest in tien jaar ”uit te faseren”.

Miljoenen vinden gretig aftrek bij varkensboeren, wat schiet de burger ermee op?

Hup, daar gaan weer honderden miljoenen naar de varkenshouderij. De subsidies voor stoppende boeren vinden gretig aftrek. Of de burgers in het buitengebied er veel mee opschieten, moet nog blijken. De overheid heeft de lat wel erg laag gelegd.

De krimpregeling is bedoeld voor varkensbedrijven die stank veroorzaken. Hoe meer stank, hoe groter de kans op geld. Tenminste, dat was de opzet. Aanvankelijk was het totale subsidiebedrag vastgesteld op 180 miljoen. Vanwege de grote belangstelling is dat bedrag uitgebreid naar bijna een half miljard.

Het aanvankelijke bedrag  was genoeg voor zo’n 124 locaties. In totaal kwamen er 502 aanvragen binnen, waarvan er 407 voldoen aan de gestelde vereisten, aldus de minister van LNV in een brief aan de Tweede Kamer.  In plaats van de lat hoger te leggen, is besloten meer geld uit te trekken, zodat ook stikstofdoelen met de subsidies kunnen worden gediend.

Met de 407 erkende aanvragen zijn 910.645 varkensrechten gemoeid, 802.243 in de regio Zuid en 108.402 in de regio Oost, zo heeft het ministerie van LNV becijferd. Dat betekent een krimp van circa 10% van het aantal varkensbedrijven in NL en een krimp van 7,44% van het aantal varkens. De stoppers hebben  een gemiddelde bedrijfsomvang van ruim 2200 varkens.
 
Ruim een miljoen per bedrijf. De belastingbetaler heeft er heel wat voor over om de stankoverlast in Brabant, Gelderland, Limburg en Overijssel  te verminderen. Maar helpt het ook?

In de Nederlandse varkenshouderij doet zich een autonome krimp voor. Het aantal bedrijven daalde in 2019 ten opzichte van 2018 met 2,3%. De krimp is het grootst in Brabant, waar in 2019 het aantal varkensbedrijven met 7,9% gedaald tot 1.410 ten opzichte van 2018 en in Gelderland met 3,6% tot 940 bedrijven. Tegenover deze krimp staat een groei in Noord Holland, Zuid-Holland, Zeeland, Friesland, Groningen en Overijssel. Zo nam het aantal varkensbedrijven in de provincie Noord-Holland met maar liefst 36,5% toe naar 52 bedrijven; 1 jaar eerder waren dat er nog 33. In Friesland is een stijging zichtbaar van 29% tot 69 varkenshouderijen.
Als we kijken naar het totaal aantal varkens in NL, dan zien we een daling van 2,4% in 2019 ten opzichte van 2018. In Brabant heeft zich een krimp van – 3,3% voorgedaan (van 5,9 naar 5,7 miljoen), in Gelderland – 2% (van bijna 1,9 naar 1,85 miljoen), in Drenthe -6,7%, in Utrecht – 5,2%, – 12,7% in Zuid-Holland en in Limburg – 1,9% (van 1,975 naar 1,936 miljoen). Tegenover deze krimp staat een groei in Zeeland van 12,2%, in Overijssel van 0,5% en Groningen 4,4%.

Tegen de achtergrond van deze cijfers die landelijk gezien een lichte verschuiving laten zien van zuid naar west en noord, is de krimp voor de betrokken gebieden ten gevolge van de saneringsregeling wel iets substantiëler dan de eerder genoemde 7,44%. Een afname van 802.243 varkens komt in de regio zuid neer op een krimp van het aantal varkens met meer dan 10,42%.

Behalve aantallen dieren en krimpcijfers moeten we natuurlijk ook kijken naar de afname van de stankoverlast. Daar was het immers allemaal om te doen.  Het is heel goed mogelijk dat de afname van overlast geen gelijke tred houdt met de afname van het aantal dieren, domweg omdat de varkens verdwijnen van plaatsen waar de overlast niet het grootst was. Er kunnen ondanks de sanering nog veel stank veroorzakende bedrijven overblijven. Woon je als burger tussen meerdere varkenshouderijen, waarvan er eentje stopt, dan kan het heel goed zijn dat je daar weinig van merkt, omdat de overlast van de andere bedrijven aanhoudt.

Maar het omgekeerde is ook mogelijk: de stankoverlast neemt meer af dan je op grond van de krimp van het aantal dieren zou verwachten. Om dit alles te kunnen berekenen hebben we bedrijfsgegevens van de stoppers nodig: hoeveel stank is er vergund, hoeveel stank werd er feitelijk uitgestoten, werd er gebruik gemaakt van luchtwassers, heeft er een herberekening plaatsgevonden aan de hand van de emissiefactoren die sinds juli 2018 gelden voor de zogeheten combi-wassers, etc.
Die gegevens moeten nog komen. De subsidieregeling zal worden geëvalueerd. Daarbij zal onder andere aandacht zijn voor het effect van de subsidieregeling op emissies naar het milieu. De burgerwerkgroep max5odeur zal de gegevens opvragen, zodra ze beschikbaar zijn.

Geurscores
Wel valt nu al uit de subsidievoorwaarden een en ander af te leiden. De aanvragen worden beoordeeld aan de hand van een geurscore. De hoogte van de geurscore is afhankelijk van:

  • de hoeveelheid geureenheden die een varkenshouderijlocatie uitstoot (de geuremissie),
  • de afstand tussen de varkenshouderijlocatie en geurgevoelig object(en)
  • het aantal geurgevoelige objecten in een straal van 1.000 meter rond de varkenshouderijlocatie.

Zo kan een varkenshouderij met een geurbelasting van 5 tot 8 odeur op 3 woningen binnen een cirkel van 1 km uitkomen op een geurscore van 0,45 en dat is boven de drempelwaarde van 0,40. Deze varkenshouderij komt in aanmerking voor subsidie. Hetzelfde geldt voor een varkenshouderij met een geurbelasting van 3 tot 5 odeur op 5 woningen. Die krijgt een geurscore van 0,50 en is dus ook subsidiabel. Een varkenshouderij die op slechts 1 woning een geurbelasting heeft van 20 tot 32 odeur is echter niet subsidiabel. Die heeft namelijk een geurscore van 0,36.
Deze berekeningswijze maakt het mogelijk dat niet uitsluitend de ‘’zware gevallen’’ worden uitgekocht. Ook ‘’lichtere gevallen’’ komen voor subsidie in aanmerking. Dit wordt nog eens gestimuleerd doordat het subsidieplafond is verhoogd. Aanvankelijk was het met een subsidieplafond van 120 miljoen zo dat varkenshouderijen met de hoogste geurscore als eerste in aanmerking zouden komen voor subsidie. Hiermee wilde het ministerie van LNV waarborgen dat de beschikbare middelen zo doelmatig en doeltreffend mogelijk zouden worden ingezet. Nu dat bedrag is verhoogd, is de rangschikking op de mate van stank losgelaten en is het niet langer gegarandeerd dat vooral zwaar stinkende bedrijven worden uitgekocht. 

Meer over Subsidieregeling Sanering Varkenshouderij:

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-55830.htmlhttps://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/06/10/stand-van-zaken-subsidieregeling-sanering-varkenshouderijen-srv

Brief aan de kamer

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/06/10/stand-van-zaken-subsidieregeling-sanering-varkenshouderijen-srv

Staat handelt onrechtmatig: grondrecht ongestoord woongenot onvoldoende beschermd

Een groep burgers uit Nood-Brabant, Limburg, Gelderland en Overijssel die geregeld stankoverlast ervaren vanuit de veehouderij, klagen de Nederlandse staat aan voor een onrechtmatige daad. De wet- en regelgeving beschermt burgers onvoldoende. De dagvaarding is na twee jaar voorbereiding ingediend bij de civiele rechter.

“De Staat handelt onrechtmatig door het grondrecht van ongestoord woongenot van eisers in strijd met zijn rechtsplicht daartoe niet adequaat te beschermen. De Staat schendt daarmee artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, de artikelen 21 en 22 van de Grondwet en de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek”, aldus de dagvaarding.

De groep burgers wordt bijgestaan door advocaat mr. Nout Verbeek. Klik hieronder voor het persbericht en het artikel in het Eindhovens Dagblad van 10 juni 2020

Artikel in het Eindhovens Dagblad

Aandacht voor stank mag niet verslappen: ”politiek is aan zet”

De aandacht voor stank uit veehouderijen mag niet verslappen, vindt de voorzitter van de Commissie Biesheuvel. In een terugblik op het onderzoek naar wat hij noemt een ”complexe maatschappelijke opgave”, zegt Pieter Jan Biesheuvel: “De meest effectieve maatregelen die voorgesteld zijn, vragen aanpassing van de regelgeving; de politiek is nu aan zet!”

Ruim een jaar geleden bracht de commissie het rapport ”Geur bekennen” uit. ”Echt luisteren” naar iedereen die bij het stankprobleem is betrokken, noemt Biesheuvel een meerwaarde van het onderzoek.

‘Geur bekennen’ bevat drie aanbevelingen voor nieuw beleid.
1. voor geurhinder zijn eenduidige emissiegrenswaarden nodig waar veehouders zich permanent aan moeten houden.
2. er zijn betere manieren nodig om de effectiviteit van luchtwassers te bepalen en de geurproductie te verminderen waar zij begint: in de stal.
3. de staatssecretaris moet maatwerk per gebied mogelijk maken, met meer vrijheid voor decentrale overheden om in te grijpen in bestaande situaties.

Het laatste punt wordt mogelijk door een verandering van de Crisis- en Herstelwet. Aan punt 2 wordt gewerkt door de ontwikkeling van nieuwe emissiereducerende technieken. De effectiviteit daarvan is echter wat betreft geur moeilijk vast te stellen, omdat betrouwbare meettechnieken ontbreken. De uitvoering van punt 1 is nog niet ter hand genomen.

Biesheuvel constateert: veel betrokkenen bij het onderzoek ervaren een kloof tussen de totstandkoming van het rapport van de commissie en nieuwe maatregelen die zij vervolgens op korte en langere termijn verwachten. Omwonenden zien nog geen onmiddellijke verbetering in de geurhinder, zo wordt in de terugblik gesignaleerd. 

Pleidooi voor nieuw protocol voor het meten van stank uit veehouderij

De burgerwerkgroep max5odeur pleit voor een geheel nieuw protocol voor het meten van stank uit veehouderij. Dat protocol zou samen met het RIVM, GGD en burgergroeperingen ontwikkeld moeten worden.

Dit heeft de werkgroep laten weten in een commentaar op het zogeheten herziene NEN-protocol Luchtkwaliteit geurmetingen. Dit Nen-protocol is van toepassing op veel sectoren, waaronder de veehouderij. Volgens de burgerwerkgroep max5odeur is stank uit veehouderij zo specifiek, dat er een apart protocol voor moet komen. Het huidige protocol biedt omwonenden onvoldoende bescherming.

In plaats van bestuurders, ambtenaren, veehouders en rechters voor te spiegelen dat stank vanuit veehouderijen kan worden gemeten, dient de realiteit onder ogen te worden gezien. De relatie tussen de stank die omwonenden ervaren en de bron van die stank valt met de huidige meetmethoden niet op een effectieve en betrouwbare wijze te achterhalen, aldus max5odeur.

In veehouderijgebieden is vaak sprake van ernstige en langdurige geurhinder. Concentraties van veehouderijen in Gelderland, Brabant en Limburg hebben geleid tot het ontstaan van talrijke hotspots van stankoverlast. Daarnaast kan ook een enkele veehouderij voor langdurige stankoverlast zorgen. Omvang en intensiteit van het stankprobleem hebben te maken met:
a. Veel te ruime geurnormen
b. Cumulatie, die niet standaard wordt meegerekend bij de vergunningverlening
c. Emissie reducerende technieken die in de praktijk niet of nauwelijks blijken te werken, doordat aan meetresultaten die zijn bepaald onder specifieke omstandigheden, een algemene waarde wordt toegekend. Bestaande meetprotocollen verzetten zich daar kennelijk niet tegen. Daardoor is toepassing van deze technieken onder andere dan de gemeten omstandigheden mogelijk.

Het belang van geurmetingen in de veehouderij is bijzonder groot, stelt max5odeur. Wet- en regelgeving, alsmede de subsidiëring van emissie reducerende technieken, staan vooral in het teken van ontwikkeling van de veehouderij en dienen niet om omwonenden te beschermen. Met behulp van tweezijdige metingen (emissies en immissies, bron én geurgevoelig object) kan worden vastgesteld wat het daadwerkelijke effect is van een of meerdere veehouderijen op de leefomgeving en kunnen klachten van omwonenden niet opzij worden gelegd, maar worden afgehandeld.

Klik hieronder voor het complete commentaar van max5odeur


Planbureau ziet teveel nadelen in afstandseis veehouderijen

De overgrote meerderheid van de veehouderijen in Nederland staat op minder dan 250 meter van een woning of andere bebouwing. Een afstandseis van 250 meter zou op het gebied van volksgezondheid in veel gevallen bescherming kunnen bieden.

Dat stelt het Plan Bureau voor de Leefomgeving in het rapport Kansrijk landbouw- en voedselbeleid . Toch is het Planbureau geen voorstander van een dergelijke afstandseis. Zo’n maatregel beperkt ruimtelijke ontwikkelingen, zoals nieuwbouw. Ook kan een afstandseis een rem zetten op de ontwikkeling van emissie-arme stallen.

Als boeren geen vergunning kunnen krijgen voor aanpassingen van hun bedrijf zoals het bouwen van een emissiearme stal, ontstaat het risico dat de bestaande situatie wordt voortgezet, aldus het Planbureau.

Het Planbureau heeft de afstandseis van 250 meter onder de loupe genomen, omdat daar al jaren voor wordt gepleit, onder meer door de GGD’en. Aangezien uit metingen en modelberekeningen blijkt dat de geurhinder, geluidsoverlast en de concentraties fijnstof en endotoxinen afnemen met de afstand tot veehouderijen, lijkt het hanteren van een minimumafstand op het eerste gezicht een effectieve maatregel om gezondheidswinst te halen. De werkelijkheid is echter gecompliceerder, aldus het PBL.

In het rapport van het PBL staat dat 80 tot 90% van de veehouderijen in Nederland op een afstand kleiner dan 250 meter van woningen is gelegen. Het zijn cijfers uit 2011. Onbekend is hoe hoog dat percentage nu is, maar het zal nog steeds om de overgrote meerderheid gaan.

Mensen die dicht bij veehouderijen wonen hebben vaker luchtwegklachten. Door de afstand tussen woningen en veehouderijen te vergroten kan de gezondheid van omwonenden verbeteren als tegelijkertijd de achtergrondbelasting met fijnstof omlaag gebracht wordt, ziet ook het PBL Het PBL vreest dat door het toepassen van een rigide afstandseis geen gezondheidswinst zal worden geboekt, omdat vervuilende veehouderijen gewoon kunnen doorboeren.

Een toetsingskader waarbij rekening wordt gehouden met de belasting van veehouderijen op omwonenden biedt meer flexibiliteit dan een afstandseis, aldus het PBL. Omdat afhankelijk van de situatie fijnstof, endotoxinen of geurhinder de beperkende factor is, zou in het toetsingsprotocol voor de omgevingsvergunning de blootstelling aan alle factoren meegenomen moeten worden. De hoogte van de gekozen gezondheidskundige grenswaarden in dit toetsingsprotocol bepaalt in sterke mate het beschermingsniveau van omwonenden.

Anti-fijnstoftechnieken voor kippenstallen onvoldoende getest

Het onderzoek naar nieuwe anti-fijnstof technieken voor de pluimveehouderij vertoont allerlei gebreken. Niet vaststaat of ze voldoende effectief zijn in bestaande stallen. Er ontbreken ook metingen die aantonen in hoeverre de technieken leiden tot een afname van fijnstof in de omgeving en de volksgezondheid ten goede komen. Desondanks zijn de technieken erkend door de overheid.

De burgerwerkgroep Max5Odeur vraagt de overheid reeds verleende erkenningen en toegekende emissiefactoren in te trekken. Ook  de subsidiekraan moet voorlopig dicht blijven. De gang van zaken met de anti-fijnstoftechnieken doet teveel denken aan het luchtwasserschandaal in de varkenshouderij, waar technieken zijn toegepast die in de praktijk niet goed blijken te functioneren. 

Nieuwe metingen
In het rapport ‘’Fijnstof en het sprookje van nieuwe technieken in de pluimveehouderij’’ (link zie onder) pleit de werkgroep voor het uitvoeren van nieuwe metingen, waarbij ook de blootstelling aan fijnstof in de omgeving wordt geregistreerd.  Met dergelijke metingen kan worden gecontroleerd of reductiedoelstellingen worden gehaald.

De afgelopen decennia is de hoeveelheid fijnstof in de lucht verminderd door maatregelen in verkeer en industrie. Het fijnstof uit kippenstallen is daarentegen toegenomen. Op fijnstofkaarten van Nederland zijn duidelijke hotspots te zien in gebieden waar veel kippen worden gehouden.  Talrijke stallen met een zogeheten Beter-Leven-Keurmerk zijn daar mede debet aan.

Overheid en pluimveesector willen dat het fijnstof afneemt. Vijf nieuwe technieken die de uitstoot van fijnstof moeten verminderen, zijn getest en inmiddels toegestaan voor een brede toepassing. De overheid heeft er zogeheten emissiefactoren aan toegekend.  Op 1 juli gaat de subsidiekraan open en kunnen pluimveehouders de technieken aanschaffen. Onverantwoord, vindt de burgerwerkgroep.

Conclusies
Na een analyse van alle publicaties over de nieuwe technieken komt de burgerwerkgroep tot de volgende conclusies:
1. Onderzoekers van Wageningen Universiteit hebben bij het testen onderzoeksprotocollen moeten negeren. Ze spreken zelf over ‘’bewuste omissies’’.
2. De metingen hebben plaatsgevonden in gesloten stallen, terwijl inmiddels 10 miljoen legkippen in stallen zitten met een overdekte uitloop die in directe verbinding staat met de buitenlucht.
3. Er geen rekening gehouden met het gegeven dat technieken in de stal geen effect hebben op de stofdeeltjes die vrijkomen bij het verwijderen van mest uit de stallen, bij de op- en overslag van mest en het uitrijden van mest.

De Burgerwerkgroep Max5Odeur pleit ervoor om in samenwerking met het RIVM een voor iedereen toegankelijk meetsysteem op te zetten in de omgeving van veehouderijen. Zowel de blootstelling aan fijnstof als aan geur en ammoniak kan met een dergelijk meetsysteem worden gemonitord.

Best beschikbare technieken verplicht voor alle IPPC-veehouderijen per 2021

Alle bestaande IPPC-veehouderijen moeten per 1 januari 2021 voldoen aan de Europese richtlijnen voor best beschikbare technieken (BBT). Gemeenten en provincies moeten het initiatief nemen en bedrijven benaderen voor een controle en eventuele aanpassing van stalsystemen. Die aanpassing kan worden opgelegd door middel van voorschriften.

Best beschikbare technieken zijn verplicht onder meer op het gebied van geluid, stof, geur, opslag, verwerking en uitrijden van mest, ammoniak en monitoring. Wanneer er klachten vanuit de omgeving zijn, dan kan het bevoegde gezag een geurbeheersplan verplicht stellen. Dat kan op grond van BBT 12. Dat is van toepassing wanneer bij omwonenden geurhinder wordt verwacht en/of is onderbouwd. Geurhinder kan worden verwacht als een bedrijf ten gevolge van het aantal dieren dat wordt gehouden een zeer geringe marge heeft ten opzichte van de geurnorm.

Hoewel er veel te doen is over gecombineerde luchtwassers en de emissiefactoren voor deze installaties zijn aangepast, worden ze nog steeds beschouwd als de beste beschikbare techniek om de geurhinder te beperken. Er kunnen wel meetverplichtingen worden opgelegd. Op grond van BBT 28 kunnen alle intensieve veehouderijen met luchtwassers worden verplicht tot elektronische monitoring van de luchtwassers in combinatie met een eenmalige geurrendementsmeting.

Op 30 december 2019 heeft rechtbank Oost-Brabant hier een eerste inhoudelijke uitspraak over gedaan ECLI:NL:RBOBR:2019:7440
Op 15 januari 2020 heeft de Raad van State bepaald dat de provincie Limburg aan een varkenshouder terecht een meetverplichting, streefnormen en grenswaarden voor de geuremissie heeft opgelegd. De streefnormen zijn gebaseerd op een geurverwijderingsrendement van het luchtwassysteem van 85% en de grenswaarden op een rendement van 45%.  Het college heeft die verplichting opgelegd nadat is vast komen te staan dat het vergunde luchtwassysteem een lager rendement heeft dan waarvan aanvankelijk werd uitgegaan, hetgeen ertoe leidt dat een zodanig hoge geurbelasting in de omgeving ontstaat, dat de geurnormen uit de Wgv bij een aantal geurgevoelige objecten zullen worden overschreden. Om er zeker van te zijn dat die geurnormen toch zoveel als mogelijk worden gerespecteerd, heeft het college de nieuwe voorschriften opgelegd.
ECLI:NL:RVS:2020:108

Tot de IPPC-veehouderijen behoren varkensbedrijven met meer dan 2000 mestvarkens of 750 zeugen en pluimveehouderijen met meer dan 40.000 kippen. Wil je weten of jouw buurman een IPPC-bedrijf heeft? Gemeenten en provincie moeten de vergunning van IPPC-bedrijven publiceren op internet. Je kunt bij gemeente of provincie informeren of een IPPC-bedrijf voldoet aan de Europese richtlijnen voor BBT.
Woon je in de buurt van een pluimveebedrijf met overdekte uitloop, laat de geurbelasting dan narekenen aan de hand van de handleiding van V-Stacks-vergunning, versie mei 2017. Na een herberekening zou er wel eens een overschrijding van de grenswaarden aangetoond kunnen worden
Klik hier voor de BBT intensieve veehouderij

Het stinkt in het noorden van Groningen

Omwonenden van het pluimveebedrijf van IJzebrand Rijzebol aan de Wadwerdweg in het Gronings Usquert hebben al jaren last van stank. Daarom waren ze blij dat de maatschap van Rijzebol op die plek zou stoppen. Het bedrijf zou gebruik maken van de Stopperregeling Actieplan Ammoniak. Nu blijkt echter dat Rijzebol toch doorgaat met het houden van 32.000 vleeskuikens aan de Wadwerdweg, een vermindering met 43.000 ten opzichte van de oude vergunning. De gemeente Het Hogeland verleende een nieuwe vergunning. ”Aan totale beëindiging van de activiteiten is nooit gedacht, wel aan het ontlasten van Usquert’’, zegt IJzebrand Rijzebol in het Dagblad van het Noorden.

De omwonenden hebben bezwaar gemaakt tegen de verleende vergunning. Ze vinden dat er aan de Wadwerdweg geen plaats is voor intensieve veehouderij, omdat het niet past bij een beschermd dorpsgezicht. En ze hebben aan de bel getrokken vanwege mogelijke belangenverstrengeling. Ze vinden dat het zaakje ook bestuurlijk stinkt. IJzebrand Rijzebol is namelijk niet alleen eigenaar van een groot vleeskuikenbedrijf (aan de Kolhorsterweg in Spijk – gemeente Delfzijl – staat nog een bedrijf met 199.000 vleeskuikens, daar zijn uitbreidingsplannen voor 238.000 vleeskuikens), hij is tevens gedeputeerde van de provincie Groningen en in die hoedanigheid voorzitter van de Omgevingsdienst Groningen, belast met handhaving van afspraken die zijn gemaakt bij het verstrekken van vergunningen. Ook was hij sinds 2012 wethouder in Delfzijl.

Vooralsnog neemt Commissaris van de Koning René Paas zijn collega CDA-bestuurder in bescherming. ”Ik heb geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de integriteit van Rijzebol als overheidsbestuurder. In deze procedure zat hij als bestuurder nergens met zijn vingers aan het stuur. Ik heb dat laten onderzoeken door onze kabinetschef. Er is dus geen sprake van laakbaar gedrag. Rijzebol heeft als wethouder, noch als gedeputeerde enige invloed gehad op besluitvorming bij vergunningverlening. Over de inhoud van het bezwaarschrift van de omwonenden doe ik geen uitspraken. De gemeente Het Hogeland heeft een bezwaarcommissie en een eigen route om te komen tot een besluit”, zegt Paas in het Dagblad van het Noorden.

Kijk goed naar emissiepunten bij geurberekeningen

Bij de beoordeling van een nieuwe vergunning voor een veehouderij is het altijd zinvol om goed naar de gekozen emissiepunten te kijken. Adviseurs hebben nogal eens de neiging om die emissiepunten zo te kiezen dat de geurbelasting binnen de norm blijft. Dat blijkt uit de zaak van een pluimveehouderij in Delfzijl. De Raad van State heeft oplettende omwonenden, die De Roever Omgevingsadvies naar de vergunning hebben laten kijken, in het gelijk gesteld.

Een emissiepunt is de plek waar ammoniak, geurstoffen en fijnstof de stal verlaten. Deze punten zitten op een bepaalde hoogte, die bij de berekeningen van onder meer de geuruitstoot en geurbelasting moet worden ingevoerd. Niet alleen de hoogte is daarbij van belang, maar ook de uittreesnelheid. Het zijn de ”knoppen” waaraan adviseurs kunnen draaien om de geurbelasting bij geurgevoelige objecten zo te berekenen dat deze binnen de geldende norm blijft. Gemeenten en provincies nemen in hun vergunningen deze berekeningen vaak klakkeloos over.

In de zaak van de pluimveehouderij in Delfzijl – een houder van 119.500 vleeskuikens – was dat ook het geval. De Stichting Advies Bestuursrechtspraak (StAB) moest eraan te pas komen om de gemaakte V-stacksberekeningen tegen het licht te houden. Daarbij bleek dat ten onrechte als emissiepunt niet de hoogte van de omkasting van de ventilatoren, maar de ventilatoren zelf als missiepunt waren gekozen. Volgens de STAB is het aannemelijk dat bij de bovenkant van de omkasting sprake is van een lagere uittreesnelheid, omdat lucht vanwege wrijving in principe in snelheid afneemt naarmate het hoger komt. De Raad van State heeft dit overgenomen en stelt dat in de verleende vergunning van een verkeerd emissiepunt is uitgegaan. Daardoor is niet zeker of aan de geldende geurnormen kan worden voldaan. De vergunning is vernietigd.

Klik hier voor de uitspraak van 29 april 2020