Stank vleeskippen zwaar onderschat

Uitgelicht

Onderzoek naar stank uit stallen met vleeskippen in West-Vlaanderen toont aan dat er meer dan twee keer zoveel stank wordt geproduceerd dan in vergunningen is opgenomen. Eén vleeskip produceert niet 0,33 odeur units, maar 0,77, zo is uit metingen gebleken. Ook in Nederland wordt sinds 2016 een emissiefactor van 0,33 odeur units gebruikt bij de berekening van stank.

Het onderzoek is uitgevoerd in West-Vlaanderen bij acht bedrijven. Daar is in 2018 en 2019 met behulp van zogeheten snuffelmetingen de werkelijke stank vanuit stallen met vleeskuikens in kaart gebracht. “De studie bevestigt de vermoedens die er al waren, namelijk dat de huidige geurimpact bepaling op basis van het geuremissiecijfer niet overeenstemt met de vaststellingen tijdens de metingen. Wetende dat er de laatste jaren een sterke groei aan kippenstallen is, moeten we beseffen dat de reële impact van die kippen groter is dan we eigenlijk dachten,” zegt Chris Steenwegen, parlementslid van Groen, op de website VILT.be. Vlaams Minister van Omgeving Demir:  “We nemen de aanwijzing dat de gehanteerde geuremissiefactor van 0,33 odeur units te laag zou zijn, uiteraard zeer ernstig. Daarom werkt de administratie aan een evaluatie van die factor.”

Het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) heeft in het afgelopen anderhalf jaar eveneens geuremissiemetingen uitgevoerd bij vleeskippenbedrijven. Die resultaten worden binnenkort verwacht en vergeleken met resultaten van het eerdere onderzoek in opdracht van de provincie Vlaanderen. Demir kondigt aan dat binnenkort een nieuwe emissiefactor wordt vastgesteld.

Ontbreken betrouwbare meetmethode zet geurbeleid op losse schroeven

Uitgelicht

Het zal nog geruime tijd duren voordat er een nieuwe, betrouwbare methode is voor het meten van geur uit veehouderijen. Zolang die methode er niet is, staat het geurbeleid en daarmee de vergunningverlening van veehouderijen op losse schroeven. Bestaande meetmethoden blijken resultaten te geven die niet reproduceerbaar zijn.

Tot die conclusie komt de burgerwerkgroep max5odeur na deelname aan een webinar van het ministerie van I&W ”Anders meter van geur”. Op 26 november zijn de eerste resultaten gepresenteerd van een onderzoek naar een nieuwe meetmethode. Het onderzoek wordt uitgevoerd door Wageningen Universiteit, in samenwerking met de Universiteit van Aarhus in Denemarken.

De oude meetmethode is in diskrediet geraakt door het luchtwasserschandaal. Dat schandaal heeft tekortkomingen aan het licht gebracht in de zogeheten olfactorische meetmethode, waarbij de menselijke neus een centrale rol vervult. De methode is niet betrouwbaar gebleken. De gevolgen hiervan zijn op deze website uitvoerig beschreven.
Nico Ogink van Wageningen Universiteit gaf in zijn presentatie op 26 november exact aan wat de tekortkomingen zijn van de olfactorische meetmethode:
> de toegepaste methode geeft geen informatie over welke geurstoffen precies worden gemeten,
> geurmonsters worden in een lab geanalyseerd, dat geeft per lab verschillende uitkomsten,
> de resultaten zijn niet goed reproduceerbaar,
> de methode is niet goed te kalibreren.

Chemisch-analytische methode
De methode die nu in ontwikkeling is, behoort tot de chemisch-analytische categorie. Gekeken wordt welke geurstoffen aanwezig zijn en in welke mate. Het onderzoek is in de huidige fase nog sterk gericht op varkenshouderijen met gecombineerde luchtwassers. Het falen van deze luchtwassers vormde de aanleiding om op zoek te gaan naar nieuwe meetmethoden. Er is een methode nodig die een relatie kan leggen tussen wat je meet en de bedrijfsprocessen, aldus de onderzoekers. Over de relatie tussen wat wordt gemeten op het bedrijf en in de omgeving, de geur die omwonenden ervaren, konden de Wageningse onderzoekers nog niet veel zeggen. Het onderzoek naar de effectiviteit van de nieuwe methode is in dit stadium vooral gericht op het bepalen van het rendement van luchtwassers.

De behoefte aan monitoring in de omgeving kwam wel ter sprake op het druk bezochte webinar. Duidelijk werd dat er eerst een gevalideerde basismethode (een referentiemethode) moet zijn voor het meten van geur uit veehouderijen, voordat er allerlei afgeleiden zoals sensoren gebruikt kunnen worden. Jos van Lent, beleidsmedewerker van de Provincie Brabant, zei te hopen dat de nieuwe methode gaat helpen om nieuwe normen te stellen.

Pleidooi voor stand-still
De burgerwerkgroep max5odeur merkte op dat er helemaal geen tijd is voor het ontwikkelen van nieuwe meetmethoden, tenzij er een standstill wordt ingevoerd. ”Aangezien een betrouwbare methode voor geurmetingen ontbreekt, is het niet verantwoord om door te gaan met het verlenen van vergunningen”, aldus max5odeur.

Toename van geurmetingen verwacht

Uitgelicht

De komende jaren zal het aantal geurmetingen bij veehouderijen toenemen. Dat verwacht de jurist mr. Valentijn Wösten. Hij heeft de zogeheten NEN-commissie gevraagd het meetprotocol voor veehouderijen te vernieuwen. Metingen moeten betrouwbaarder worden.

De NEN-commissie heeft eerder dit jaar een herzien meetprotocol vastgesteld. Volgens Wösten is het protocol onvoldoende om in een groot aantal, zeer verschillende praktijksituaties betrouwbare geurmetingen uit te voeren. Er moet een goed ontwikkeld meetprotocol komen dat milieuwetenschappelijk betrouwbare uitkomsten oplevert. Het luchtwasserdebacle heeft aangetoond dat geurmetingen tot dusver tekort schieten. Er zijn op basis van metingen emissiefactoren toegekend, die achteraf niet bleken te deugen.

”Het onderwerp van de meting bepaalt welke eisen aan het meetprotocol moeten worden gesteld”, aldus Wösten. Hij merkt op dat metingen in de veehouderij verschillende doelen kunnen dienen. Zo is het vaststellen of emissies ook echt worden gereduceerd, iets anders dan het meten van de werkelijk optredende emissies, ongeacht de werking van een emissiereducerende techniek. Als alleen de doelmatigheid van een reductietechniek moet worden onderzocht, zal eerst de ongefilterde bronemissie moeten worden vastgesteld, stelt hij. ”Niet elk mestvarken geeft een gelijke stankemissie. De emissie per dier is immers onder meer afhankelijk van het geboden veevoer.”

Meetplicht
Wösten voorziet een toename van geurmetingen op basis van zijn rechtspraktijk. Hij noemt in zijn verzoek aan de NEN-commissie een aantal zaken waarin de rechter een meetplicht oplegt. Zo is in de zaak Grubbenvorst (20.000 varkens) sprake van een vergunning met ondeugdelijke combi-luchtwassers. In die zaak heeft GS van Limburg aanvullende voorschriften opgelegd aan de vergunninghouder met een stankemissiemeetplicht en een inspanningsverplichting om een emissiereductieplicht van 85 % te realiseren. ”De Raad van State heeft die voorschriften in stand gelaten. Dit is voor het eerst dat een veehouderij aan een stankmeetplicht wordt gebonden”, aldus Wösten.
Ook in handhavingszaken kan een meetplicht van belang zijn. ”Immers, zolang de
ernst van de stankhinder door een overlast gevend bedrijf onbekend is ontbreekt een grondslag voor vervolgoptreden. Het bevoegd gezag zal eerst de ernst van de milieusituatie moeten vaststellen.”

De NEN-commissie is verantwoordelijk voor het opstellen, toepassen en actualiseren van nationale methoden voor geurmetingen. In de commissie zitten milieuadviseurs, vertegenwoordigers van provincies en de ministeries van I&W en LNV, Wageningen Universiteit en deskundigen op het gebied van luchtkwaliteit.

De burgerwerkgroep max5odeur heeft eveneens aangedrongen op een beter meetprotocol voor het meten van geur vanuit veehouderijen. Zie eerder bericht Pleidooi voor nieuw protocol voor het meten van stank uit veehouderij


GGD: minimaal 250 meter tussen woning en veehouderij

Uitgelicht

De GGD adviseert om het voorzorgsprincipe toe te passen en terughoudend te zijn met het bouwen of uitbreiden van veehouderijen binnen 250 meter van woningen, scholen of ziekenhuizen. Dit staat in een nieuwe richtlijn medische milieukunde veehouderij en gezondheid.

De GGD heeft al vaker aangegeven dat er een afstand van 250 meter in acht genomen zou moeten worden. De nieuwe richtlijn is opgesteld op basis van de kennis van nu en wint daardoor aan kracht.

Ook op grotere afstand dan 250 meter kunnen gezondheidseffecten optreden door emissies van veehouderijen, aldus de GGD. Wanneer het mogelijk is om meer afstand te houden tot gevoelige bestemmingen, heeft dat de voorkeur. Voor geitenhouderijen hanteert de GGD een afstandscriterium van 2 kilometer, vanwege het verhoogde risico op longontsteking.

Binnen 250 meter strenge normen voor fijnstof en geur
In de zone van 250 meter van gevoelige bestemmingen adviseert de GGD alleen nieuwe veehouderijen te bouwen als de concentratie van fijnstof lager is dan de WHO-advieswaarde, én de maatregelen om emissies van PM10 en andere stoffen te reduceren ten minste op niveau BBT zijn. Bij voorkeur neemt de veehouder ook bovenwettelijke maatregelen.
Andere voorwaarde voor de bouw van een veehouderij binnen de 250 meter is dat de geurbelasting voldoet aan de maximale geurbelasting:
(woonkern) voorgrond 2 OU/m³, achtergrond 5 OU/m³;
(buitengebied) voorgrond 5 OU/m³, achtergrond 10 OU/m³

De nieuwe richtlijn kan door gemeenten worden gebruikt bij het verlenen van vergunningen of het opstellen van een omgevingsvisie. De GGD wil bij uitbreiding of nieuwvestiging in veel gevallen een advies op maat geven.

Varkenshouder uit Hengelo mag stankoverlast blijven veroorzaken

De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) blijft een enorme sta-in-de-weg bij de aanpak van ernstige vormen van stankhinder. Vijf jaar na de evaluatie is deze wet nog altijd niet zodanig aangepast dat veehouders gedwongen kunnen worden om overlast te voorkomen.

Zo kan het varkensbedrijf Hakvoort-Lenselink in Hengelo (Gld) nog altijd de geurnorm van 14 odeur fors overschrijden, omdat de Wgv daartoe de gelegenheid biedt. De bewoners van het op circa 250 afstand gelegen pand aan de Kervelseweg 29 moeten met 21,5 odeur genoegen nemen, zo heeft het Gerechtshof van Arnhem onlangs bepaald (ECLI:NL:GHARL:2020:5772).

De overbelaste situatie op de Kervelweg 29 is het resultaat van de zogeheten 50%-regeling in de Wgv, die voor dit bedrijf in 2015 is toegepast. Deze regeling maakt het mogelijk dat bedrijven die willen uitbreiden en geurbeperkende maatregelen treffen, de geurwinst voor 50% mogen gebruiken om meer dieren te gaan houden. Van die mogelijkheid is tot voor kort op grote schaal gebruik gemaakt. Zo ook door Hakvoort-Lenselink

De omwonenden van het bedrijf aan het Baaksevoetpad in Hengelo hadden, hoewel ze eerder door de rechtbank Gelderland in het gelijk waren gesteld (ECLI:NL:RBGEL:2017:6442), in hoger beroep bij het Gerechtshof geen poot om op te staan. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, hoeft de maatschap Hakvoort-Lenseling van het hof ten aanzien van Kervelweg 29 geen aanvullende maatregelen te treffen om de geurhinder te beperken.

Politiek en overheid dansen nog altijd naar de pijpen van de sector

De burgerwerkgroep max5odeur heeft bij het ministerie van I&W en bij de politiek meerdere keren aangedrongen op het intrekken van de 50%-regeling. Tot dusver zonder resultaat. Uit de reactie van varkensvoorvrouw, voorzitter van de POV en lid van Farmers Defence Force Linda Janssen op nieuweoogst.nl wordt duidelijk dat overheid en politiek nog altijd naar de pijpen dansen van de sector. De organisaties die de belangen van varkenshouders behartigen zijn er tevreden over dat de rechter de 50%-regeling opnieuw heeft bekrachtigd.

Janssen zegt:
”Deze uitspraak van het Hof schept hoopvolle verwachtingen, dat het ook in andere zaken tot een gunstige uitspraak komt voor varkenshouders. Dit neemt overigens niet weg dat we als varkenshouderij ons via de programmalijn vitalisering varkenshouderij inzetten om daadwerkelijk overlast richting de omgeving te beperken. We denken graag mee over oplossingsrichtingen.”

50%-regeling en de Omgevingswet
De enige oplossing is, wat max5odeur betreft, afschaffing van de 50%-regeling. Zolang dat niet gebeurt, zullen burgers zeer actief moeten zijn om hun leefklimaat te beschermen.
Op 1 januari 2022 treedt de Omgevingswet in werking en het daarbij behorende Besluit Kwaliteit Leegomgeving (BKL). Alle gemeenten moeten omgevingsplannen opstellen waarin bestemmingsplannen worden opgenomen. Inspraak over een omgevingsplan is hét moment om als burger van je te laten horen.
In het BKL zijn voor geur standaardwaarden opgesteld: de bekende 2 en 3 odeur buiten concentratiegebied en 8 en 14 odeur binnen concentratiegebied. Ook staan er grenswaarden in, die aanzienlijk hoger liggen: 8 en 14 en 20 en 25 odeur.
Een omgevingsplan kan een lagere of hogere waarde bevatten dan de standaardwaarde mits die waarde maar niet hoger is dan de grenswaarde. Dit is de wettelijke grens vanaf 1 januari 2022. Bij een afwijking van de wettelijke standaardwaarde zijn ministeriële regels van toepassing
Bij de inspraak op de omgevingsplannen is het van belang die waarden zo ver mogelijk naar beneden te krijgen. In een omgevingsplan kan worden bepaald op welke locaties welke waarden van toepassing zijn. Het naar beneden bijstellen van de waarden is erg belangrijk omdat ook het BKL een 50%-regeling kent.
Als een veehouderij boven de vastgestelde standaardwaarden van het omgevingsplan zit, dan wordt dat geaccepteerd zolang op die locatie de geurbelasting op een geurgevoelig object niet toeneemt en het aantal dieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toeneemt. Wil de veehouderij toch uitbreiden, dan moet deze geurreducerende maatregelen treffen en is er een berekening mogelijk van het gemiddelde van de bestaande geuremissie en de waarde in het omgevingsplan. Uitbreiding is toegestaan als:

  • a.een geurbelastingreducerende maatregel wordt toegepast; en
  • b.de totale geur na uitbreiding niet meer bedraagt dan het gemiddelde van de in het omgevingsplan opgenomen waarde en de geur die de activiteit voorafgaand aan het toepassen van de maatregel rechtmatig mocht veroorzaken op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Bijvoorbeeld: De bestaande geurbelasting op een woning is 20 ouE/m3 De norm, de opgenomen waarde in het omgevingsplan, is 14 ouE/m3. Dan mag de geurbelasting op die woning na uitbreiding maximaal 17 ouE/m3 zijn.Wordt in een omgevingsplan een waarde van 5 odeur opgenomen, dan mag de geurbelasting na uitbreiding maximaal 12,5 odeur zijn.

Ga bijtijds in gesprek met lokale politici om ze te wijzen op de noodzaak van zo laag mogelijke standaardwaarden in omgevingsplannen, vooral in die gebieden waar uitbreidingen dreigen, waar reeds sprake is van stankoverlast of waar nieuwe stankoverlast kan ontstaan. Wijs lokale politici op het standpunt van VNG en IPO. Zie https://www.max5odeur.nl/gemeenten-en-provincies-willen-af-van-50-regeling/
Wijs politici op de mogelijkheid om met behulp van de Crisis- en Herstelwet de 50%-regeling buiten werking te stellen.

Geur-app hulpmiddel bij registratie klachten stank veehouderij

Uitgelicht

Stank van veehouderijen is alleen aan te pakken als degenen die daar hinder van ondervinden geregeld klachten indienen. Zolang er geen meetapparatuur is, waarmee stank kan worden vastgesteld, is een goede klachtenregistratie van groot belang. Een speciale geur-app kan daarbij helpen.

Zo’n geur-app wordt nu gebruikt binnen het project Boeren en Buren. Sinds oktober 2019 meten boeren en omwonenden in Venray fijnstof, stikstofdioxide en ammoniak in hun leefomgeving. Onderzocht wordt of de geur-app bruikbare informatie oplevert in combinatie met de metingen van fijnstof, stikstofdioxide en ammoniak..

Het project wordt geleid door het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) en mede gefinancierd door provincie en gemeente. Begin 2021 komen naar verwachting alle gegevens van een jaar lang meten beschikbaar.

Deelnemers kunnen met een geur-app een melding maken op het moment dat zij een geur ruiken, aldus het RIVM in een voortgangsbericht. ”Op dit moment zijn er al aardig wat meldingen gedaan, maar door een beperkt aantal deelnemers. Om de resultaten van geur goed mee te kunnen nemen in dit project is het belangrijk dat meer deelnemers de geur-app gaan gebruiken”.

Boeren en buren geur-app
Met behulp van een app is een uniforme registratie van klachten mogelijk. Het RIVM heeft hiervoor samen met Ordina een speciale Boeren en Buren geur-app ontwikkeld. Mia Wegh, secretaris en plaatsvervangend-voorzitter van Gezond Leefmilieu Venray (deelnemer aan Boeren en Burgers), vertelt dat de meldingen alleen naar het RIVM gaan en nog niet naar bijvoorbeeld de omgevingsdienst. Zelf woont ze in een overbelaste situatie. Ze heeft in de periode maart 2020 tot medio juli circa dertig keer de app gebruikt om een melding te doen.

Met behulp van de app worden datum, tijdstip en locatie geregistreerd, hoe onaangenaam de geur is, wat de vermoedelijke bron is, in welke mate de melder wordt gehinderd, in welke mate de melder wordt gestoord in zijn/haar bezigheden, en hoeveel mensen op de locatie aanwezig zijn.

De geur-app van het RIVM dient nu alleen nog een onderzoeksdoel, maar kan bij bewezen diensten wellicht breder worden ingezet voor een effectieve klachtenregistratie. Een goede klachtenregistratie is niet alleen van belang voor de handhaving in geval van overlast, maar ook voor de vergunningverlening. Zo kan aan een bedrijf dat geregeld overlast veroorzaakt extra voorschriften worden opgelegd.

Realtime meten van geur nodig voor omschakeling naar doelvoorschriften

Boeren hebben liever doelvoorschriften dan middelvoorschriften. Ze willen zich best vastleggen op een bepaalde hoeveelheid ammoniak, fijnstof en geur die ze mogen uitstoten, maar dan willen ze zelf bepalen hoe ze dat doel bereiken. Afschaffing van middelvoorschriften betekent een grotere vrijheid van handelen. Voorwaarde is wel dat er op bedrijfsniveau op elk gewenst moment (real time) gemeten kan worden of ze de vergunde doelen halen. Dat is op dit moment wat betreft geur nog niet mogelijk.

Staatssecretaris Van Veldhoven heeft het onafhankelijke adviesbureau Rebel ingehuurd om te kijken of het werken met doelvoorschriften haalbaar is. Het bureau had als opdracht met een advies te komen over nieuwe vormen van stalbeoordeling. Daarbij is ook onderzocht of het uitvoerig testen van nieuwe technieken onder verantwoordelijkheid van de overheid achterwege kan blijven binnen een systeem met doelvoorschriften.

Met doelvoorschriften krijgen veehouders een sterke prikkel om resultaten te behalen, zo is de veronderstelling. De verantwoordelijkheid voor de prestaties van toegepaste technieken zou dan komen te liggen bij de producent. Toetsing van nieuwe staltechnieken is in dat geval aan de markt, bijvoorbeeld door private certificering van staltechnieken.

Volgens Van Veldhoven zou dit een ingrijpende verandering zijn ten opzichte van het bestaande systeem met door de overheid goedgekeurde technieken en emissiefactoren, zo laat ze op 2 juli in een brief aan de Tweede Kamer weten. Maar die verandering zit er voorlopig niet in. ”Een doelgericht systeem voor alle emissies is op korte termijn niet haalbaar, omdat het betrouwbaar realtime meten van geur met sensoren nog niet mogelijk is. Een vorm van beoordeling van technieken blijft daarom ook na stapsgewijze invoering van een nieuw systeem voorlopig noodzakelijk.”
Van Veldhoven spreekt over een transitie die meer tijd vergt.

Miljoenen vinden gretig aftrek bij varkensboeren, wat schiet de burger ermee op?

Hup, daar gaan weer honderden miljoenen naar de varkenshouderij. De subsidies voor stoppende boeren vinden gretig aftrek. Of de burgers in het buitengebied er veel mee opschieten, moet nog blijken. De overheid heeft de lat wel erg laag gelegd.

De krimpregeling is bedoeld voor varkensbedrijven die stank veroorzaken. Hoe meer stank, hoe groter de kans op geld. Tenminste, dat was de opzet. Aanvankelijk was het totale subsidiebedrag vastgesteld op 180 miljoen. Vanwege de grote belangstelling is dat bedrag uitgebreid naar bijna een half miljard.

Het aanvankelijke bedrag  was genoeg voor zo’n 124 locaties. In totaal kwamen er 502 aanvragen binnen, waarvan er 407 voldoen aan de gestelde vereisten, aldus de minister van LNV in een brief aan de Tweede Kamer.  In plaats van de lat hoger te leggen, is besloten meer geld uit te trekken, zodat ook stikstofdoelen met de subsidies kunnen worden gediend.

Met de 407 erkende aanvragen zijn 910.645 varkensrechten gemoeid, 802.243 in de regio Zuid en 108.402 in de regio Oost, zo heeft het ministerie van LNV becijferd. Dat betekent een krimp van circa 10% van het aantal varkensbedrijven in NL en een krimp van 7,44% van het aantal varkens. De stoppers hebben  een gemiddelde bedrijfsomvang van ruim 2200 varkens.
 
Ruim een miljoen per bedrijf. De belastingbetaler heeft er heel wat voor over om de stankoverlast in Brabant, Gelderland, Limburg en Overijssel  te verminderen. Maar helpt het ook?

In de Nederlandse varkenshouderij doet zich een autonome krimp voor. Het aantal bedrijven daalde in 2019 ten opzichte van 2018 met 2,3%. De krimp is het grootst in Brabant, waar in 2019 het aantal varkensbedrijven met 7,9% gedaald tot 1.410 ten opzichte van 2018 en in Gelderland met 3,6% tot 940 bedrijven. Tegenover deze krimp staat een groei in Noord Holland, Zuid-Holland, Zeeland, Friesland, Groningen en Overijssel. Zo nam het aantal varkensbedrijven in de provincie Noord-Holland met maar liefst 36,5% toe naar 52 bedrijven; 1 jaar eerder waren dat er nog 33. In Friesland is een stijging zichtbaar van 29% tot 69 varkenshouderijen.
Als we kijken naar het totaal aantal varkens in NL, dan zien we een daling van 2,4% in 2019 ten opzichte van 2018. In Brabant heeft zich een krimp van – 3,3% voorgedaan (van 5,9 naar 5,7 miljoen), in Gelderland – 2% (van bijna 1,9 naar 1,85 miljoen), in Drenthe -6,7%, in Utrecht – 5,2%, – 12,7% in Zuid-Holland en in Limburg – 1,9% (van 1,975 naar 1,936 miljoen). Tegenover deze krimp staat een groei in Zeeland van 12,2%, in Overijssel van 0,5% en Groningen 4,4%.

Tegen de achtergrond van deze cijfers die landelijk gezien een lichte verschuiving laten zien van zuid naar west en noord, is de krimp voor de betrokken gebieden ten gevolge van de saneringsregeling wel iets substantiëler dan de eerder genoemde 7,44%. Een afname van 802.243 varkens komt in de regio zuid neer op een krimp van het aantal varkens met meer dan 10,42%.

Behalve aantallen dieren en krimpcijfers moeten we natuurlijk ook kijken naar de afname van de stankoverlast. Daar was het immers allemaal om te doen.  Het is heel goed mogelijk dat de afname van overlast geen gelijke tred houdt met de afname van het aantal dieren, domweg omdat de varkens verdwijnen van plaatsen waar de overlast niet het grootst was. Er kunnen ondanks de sanering nog veel stank veroorzakende bedrijven overblijven. Woon je als burger tussen meerdere varkenshouderijen, waarvan er eentje stopt, dan kan het heel goed zijn dat je daar weinig van merkt, omdat de overlast van de andere bedrijven aanhoudt.

Maar het omgekeerde is ook mogelijk: de stankoverlast neemt meer af dan je op grond van de krimp van het aantal dieren zou verwachten. Om dit alles te kunnen berekenen hebben we bedrijfsgegevens van de stoppers nodig: hoeveel stank is er vergund, hoeveel stank werd er feitelijk uitgestoten, werd er gebruik gemaakt van luchtwassers, heeft er een herberekening plaatsgevonden aan de hand van de emissiefactoren die sinds juli 2018 gelden voor de zogeheten combi-wassers, etc.
Die gegevens moeten nog komen. De subsidieregeling zal worden geëvalueerd. Daarbij zal onder andere aandacht zijn voor het effect van de subsidieregeling op emissies naar het milieu. De burgerwerkgroep max5odeur zal de gegevens opvragen, zodra ze beschikbaar zijn.

Geurscores
Wel valt nu al uit de subsidievoorwaarden een en ander af te leiden. De aanvragen worden beoordeeld aan de hand van een geurscore. De hoogte van de geurscore is afhankelijk van:

  • de hoeveelheid geureenheden die een varkenshouderijlocatie uitstoot (de geuremissie),
  • de afstand tussen de varkenshouderijlocatie en geurgevoelig object(en)
  • het aantal geurgevoelige objecten in een straal van 1.000 meter rond de varkenshouderijlocatie.

Zo kan een varkenshouderij met een geurbelasting van 5 tot 8 odeur op 3 woningen binnen een cirkel van 1 km uitkomen op een geurscore van 0,45 en dat is boven de drempelwaarde van 0,40. Deze varkenshouderij komt in aanmerking voor subsidie. Hetzelfde geldt voor een varkenshouderij met een geurbelasting van 3 tot 5 odeur op 5 woningen. Die krijgt een geurscore van 0,50 en is dus ook subsidiabel. Een varkenshouderij die op slechts 1 woning een geurbelasting heeft van 20 tot 32 odeur is echter niet subsidiabel. Die heeft namelijk een geurscore van 0,36.
Deze berekeningswijze maakt het mogelijk dat niet uitsluitend de ‘’zware gevallen’’ worden uitgekocht. Ook ‘’lichtere gevallen’’ komen voor subsidie in aanmerking. Dit wordt nog eens gestimuleerd doordat het subsidieplafond is verhoogd. Aanvankelijk was het met een subsidieplafond van 120 miljoen zo dat varkenshouderijen met de hoogste geurscore als eerste in aanmerking zouden komen voor subsidie. Hiermee wilde het ministerie van LNV waarborgen dat de beschikbare middelen zo doelmatig en doeltreffend mogelijk zouden worden ingezet. Nu dat bedrag is verhoogd, is de rangschikking op de mate van stank losgelaten en is het niet langer gegarandeerd dat vooral zwaar stinkende bedrijven worden uitgekocht. 

Meer over Subsidieregeling Sanering Varkenshouderij:

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-55830.htmlhttps://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/06/10/stand-van-zaken-subsidieregeling-sanering-varkenshouderijen-srv

Brief aan de kamer

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/06/10/stand-van-zaken-subsidieregeling-sanering-varkenshouderijen-srv

Aandacht voor stank mag niet verslappen: ”politiek is aan zet”

De aandacht voor stank uit veehouderijen mag niet verslappen, vindt de voorzitter van de Commissie Biesheuvel. In een terugblik op het onderzoek naar wat hij noemt een ”complexe maatschappelijke opgave”, zegt Pieter Jan Biesheuvel: “De meest effectieve maatregelen die voorgesteld zijn, vragen aanpassing van de regelgeving; de politiek is nu aan zet!”

Ruim een jaar geleden bracht de commissie het rapport ”Geur bekennen” uit. ”Echt luisteren” naar iedereen die bij het stankprobleem is betrokken, noemt Biesheuvel een meerwaarde van het onderzoek.

‘Geur bekennen’ bevat drie aanbevelingen voor nieuw beleid.
1. voor geurhinder zijn eenduidige emissiegrenswaarden nodig waar veehouders zich permanent aan moeten houden.
2. er zijn betere manieren nodig om de effectiviteit van luchtwassers te bepalen en de geurproductie te verminderen waar zij begint: in de stal.
3. de staatssecretaris moet maatwerk per gebied mogelijk maken, met meer vrijheid voor decentrale overheden om in te grijpen in bestaande situaties.

Het laatste punt wordt mogelijk door een verandering van de Crisis- en Herstelwet. Aan punt 2 wordt gewerkt door de ontwikkeling van nieuwe emissiereducerende technieken. De effectiviteit daarvan is echter wat betreft geur moeilijk vast te stellen, omdat betrouwbare meettechnieken ontbreken. De uitvoering van punt 1 is nog niet ter hand genomen.

Biesheuvel constateert: veel betrokkenen bij het onderzoek ervaren een kloof tussen de totstandkoming van het rapport van de commissie en nieuwe maatregelen die zij vervolgens op korte en langere termijn verwachten. Omwonenden zien nog geen onmiddellijke verbetering in de geurhinder, zo wordt in de terugblik gesignaleerd. 

Pleidooi voor nieuw protocol voor het meten van stank uit veehouderij

De burgerwerkgroep max5odeur pleit voor een geheel nieuw protocol voor het meten van stank uit veehouderij. Dat protocol zou samen met het RIVM, GGD en burgergroeperingen ontwikkeld moeten worden.

Dit heeft de werkgroep laten weten in een commentaar op het zogeheten herziene NEN-protocol Luchtkwaliteit geurmetingen. Dit Nen-protocol is van toepassing op veel sectoren, waaronder de veehouderij. Volgens de burgerwerkgroep max5odeur is stank uit veehouderij zo specifiek, dat er een apart protocol voor moet komen. Het huidige protocol biedt omwonenden onvoldoende bescherming.

In plaats van bestuurders, ambtenaren, veehouders en rechters voor te spiegelen dat stank vanuit veehouderijen kan worden gemeten, dient de realiteit onder ogen te worden gezien. De relatie tussen de stank die omwonenden ervaren en de bron van die stank valt met de huidige meetmethoden niet op een effectieve en betrouwbare wijze te achterhalen, aldus max5odeur.

In veehouderijgebieden is vaak sprake van ernstige en langdurige geurhinder. Concentraties van veehouderijen in Gelderland, Brabant en Limburg hebben geleid tot het ontstaan van talrijke hotspots van stankoverlast. Daarnaast kan ook een enkele veehouderij voor langdurige stankoverlast zorgen. Omvang en intensiteit van het stankprobleem hebben te maken met:
a. Veel te ruime geurnormen
b. Cumulatie, die niet standaard wordt meegerekend bij de vergunningverlening
c. Emissie reducerende technieken die in de praktijk niet of nauwelijks blijken te werken, doordat aan meetresultaten die zijn bepaald onder specifieke omstandigheden, een algemene waarde wordt toegekend. Bestaande meetprotocollen verzetten zich daar kennelijk niet tegen. Daardoor is toepassing van deze technieken onder andere dan de gemeten omstandigheden mogelijk.

Het belang van geurmetingen in de veehouderij is bijzonder groot, stelt max5odeur. Wet- en regelgeving, alsmede de subsidiëring van emissie reducerende technieken, staan vooral in het teken van ontwikkeling van de veehouderij en dienen niet om omwonenden te beschermen. Met behulp van tweezijdige metingen (emissies en immissies, bron én geurgevoelig object) kan worden vastgesteld wat het daadwerkelijke effect is van een of meerdere veehouderijen op de leefomgeving en kunnen klachten van omwonenden niet opzij worden gelegd, maar worden afgehandeld.

Klik hieronder voor het complete commentaar van max5odeur