Artikelen

Op deze pagina staan de volgende artikelen:
(Scroll naar beneden om bij het gewenste artikel te komen)

29 april 2021
REDUCTIE VAN STANK EEN SLAG IN DE LUCHT

4 januari 2021
50%-REGELING EN DE OMGEVINGSWET

20 oktober 2019
STANK IN TIJDEN VAN STIKSTOFCHAOS

14 oktober 2020
BEREKENDE EMISSIES VOL ONZEKERHEDEN EN ONDERSCHATTINGEN

20 april 2019
RAAD VAN STATE MOET ZICH BUIGEN OVER STANK GROOTSTE VARKENSBEDRIJF IN NEDERLAND

10 februari 2017
ZO DICHT ZITTEN MENS EN DIER IN NEDERLAND OP ELKAAR

 


29 april 2021
REDUCTIE VAN STANK EEN SLAG IN DE LUCHT

Niet iedereen beseft het zich voldoende, maar stank is een aantasting van de persoonlijke levenssfeer. Stank is een inbreuk op het privéleven, op de privacy, in de zin van in je eigen domein je eigen keuzes kunnen maken. Stank, aanhoudende stank, of stank waarvan je niet weet wanneer die komt en wanneer die gaat – kan ertoe leiden dat een mens zich niet meer thuis voelt in eigen huis.

Burgers spreken over stank. Boeren, beleidsmakers en onderzoekers hebben het over geur. Er is sprake van een paradox: hoe meer stank, hoe meer er door de verantwoordelijken voor stank wordt gesproken over geur.
25 Jaar geleden werd er in politiek Den Haag nog gewoon gesproken over stankbeleid.
Rond de eeuwwisseling deed het eufemisme zijn intrede.
In 2006 zette de Wet Geurhinder Veehouderij de deur wagenwijd open voor een ongebreidelde schaalvergroting in de veehouderij. We ondervinden er nog dagelijks de gevolgen van. Veel, te veel bleek mogelijk binnen het concept ‘’aanvaardbaar niveau van geurhinder’’.
Het luchtwasserschandaal maakte een einde aan de illusie dat er zoiets als Best Beschikbare Technieken (BBT) bestaan voor stank. De betrouwbaarheid van de huidige methode voor het meten van stank uit veehouderij kwam ter discussie te staan. En daarmee het fundament onder het stankbeleid.
Gelukkig maar, want met luchtfietserij lossen we geen problemen op.
Beter is het om onder ogen te zien dat veel, zo niet alles berust op aannames.  Dat geldt tot dusver ook voor nieuwe staltechnieken. Reductie van stank is vooralsnog een slag in de lucht. De Wageningse onderzoeker Marith Booijen zegt: ‘’Geur is gewoon een lastige en complexe component.’’

Sinds er aandacht is voor het anders meten van stank, en er ook erkenning komt voor dé zwakke plek in het innovatieproces van nieuwe technieken, zijn burgers, boeren, beleidsmakers en onderzoekers meer dan ooit op elkaar aangewezen.
Het stankonderdeel in de Omgevingswet zal in samenspraak met burgers moeten worden aangepast.
Er is een hoog participatieniveau nodig om aan de hand van objectieve stankmetingen met behulp van sensoren nieuwe grenswaarden vast te stellen.
Uiteindelijk zal er per techniek, per stal, maar ook per toepassing, en per locatie bepaald moeten worden of zij voldoen aan die grenswaarden.
Daarbij kunnen we niet zonder een 0-meting, zoals ook door de Taskforce Versnelling Innovatie Veehouderij wordt bepleit. Duidelijk moet zijn hoeveel stank er moet worden gereduceerd, inclusief de compensatie voor falende luchtwassers.

De wet- en regelgeving zal een stuk eenvoudiger moeten, vergunningverlening mag geen ingewikkelde en voor leken onbegrijpelijke invuloefening meer zijn. De vijf jaar die er volgens de Taskforce moet worden uitgetrokken om met behulp van sensortechniek stank en fijnstof real time te gaan meten, lijkt ons realistisch – zeker gezien de eisen die burgers aan dergelijke metingen zullen stellen, zoals het meten van emissies én immissies. Terwijl de techneuten hun werk doen, kunnen boeren, burgers en beleidsmakers werken aan nieuwe stankregels en een nadere definitie van een aanvaardbaar niveau van stankhinder.

Tekst uitgesproken op het webinar van het Kennisplatform Veehouderij en Gezondheid, 29 april 2021

4 januari 2021
50%-REGELING EN DE OMGEVINGSWET

Op 1 januari 2022 treedt de Omgevingswet in werking en het daarbij behorende Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL). Alle gemeenten moeten omgevingsplannen opstellen waarin bestemmingsplannen worden opgenomen. Inspraak over een omgevingsplan is hét moment om als burger van je te laten horen.

In het BKL zijn voor geur standaardwaarden opgesteld: de bekende 2 en 3 odeur buiten concentratiegebieden en 8 en 14 odeur binnen concentratiegebieden. Ook staan er grenswaarden in, die aanzienlijk hoger liggen: 8 en 14 en 20 en 25 odeur.
Een omgevingsplan kan een lagere of hogere waarde bevatten dan de standaardwaarde mits die waarde maar niet hoger is dan de grenswaarde. Dit is de wettelijke grens vanaf 1 januari 2022. Bij een afwijking van de wettelijke standaardwaarde zijn ministeriële regels van toepassing.

Bij de inspraak op de omgevingsplannen is het van belang die waarden zo ver mogelijk naar beneden te krijgen. In een omgevingsplan kan worden bepaald op welke locaties welke waarden van toepassing zijn. Het naar beneden bijstellen van de waarden is erg belangrijk omdat ook het BKL een 50%-regeling kent.
Als een veehouderij boven de vastgestelde standaardwaarden van het omgevingsplan zit, dan wordt dat geaccepteerd zolang op die locatie de geurbelasting op een geurgevoelig object niet toeneemt en het aantal dieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toeneemt. Wil de veehouderij toch uitbreiden, dan moet deze geurreducerende maatregelen treffen en is er een berekening mogelijk van het gemiddelde van de bestaande geuremissie en de waarde in het omgevingsplan. Uitbreiding is toegestaan als:

a. een geurbelastingreducerende maatregel wordt toegepast; en
b. de totale geur na uitbreiding niet meer bedraagt dan het gemiddelde van de in het omgevingsplan opgenomen waarde en de geur die de activiteit voorafgaand aan het toepassen van de maatregel rechtmatig mocht veroorzaken op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.
Bijvoorbeeld: De bestaande geurbelasting op een woning is 20 ouE/m3 De norm, de opgenomen waarde in het omgevingsplan, is 14 ouE/m3. Dan mag de geurbelasting op die woning na uitbreiding maximaal 17 ouE/m3 zijn.

Ga bijtijds in gesprek met lokale politici om ze te wijzen op de noodzaak van zo laag mogelijke standaardwaarden in omgevingsplannen, vooral in die gebieden waar uitbreidingen dreigen, waar reeds sprake is van stankoverlast of waar nieuwe stankoverlast kan ontstaan. Wijs lokale politici erop dat zowel de VNG als het IPO tegen een 50%-regeling zijn. Zie https://www.max5odeur.nl/gemeenten-en-provincies-willen-af-van-50-regeling/ Wijs ze erop dat ze met behulp van de Crisis- en Herstelwet de 50%-regeling buitenwerking kunnen omzeilen. Breng ze op de hoogte van de aanpak waarvoor de gemeente Boekel heeft gekozen (zie Lokaal geurbeleid, bericht van 2 oktober 2020)


20 oktober 2019
STANK IN TIJDEN VAN STIKSTOFCHAOS

De stank die veehouderijen veroorzaken dreigt ten tijde van de stikstofcrisis op de achtergrond te raken. Je zou haast vergeten dat er voor de commissie Remkes nog een commissie Biesheuvel was, die geconstateerd heeft dat burgers onvoldoende worden beschermd door de huidige wet- en geurregelgeving.

Het recent verschenen artikel ”De boer op tegen de stank’‘ in het Down to earth magazine zet nog eens duidelijk uiteen wat er aan de hand is en wat daar tegen gedaan zou moeten worden. Wat opvalt zijn de parallellen: net als met stikstof heeft de overheid ook wat betreft geur de zaak jarenlang op z’n beloop gelaten en veehouderijen telkens opnieuw meer dieren vergund dan uit het oogpunt van geurhinder verantwoord was. Dit kon alleen doorat de wet- en regelgeving daartoe alle ruimte bood. En dat er modellen en berekeningen worden gebruikt die met de werkelijke geurbelasting weinig te maken hebben.

Nederland zucht dus niet alleen onder een deken van stikstof, in grote delen van het land zuchten burgers ook nog altijd onder een deken van stank. In de parallel schuilt echter een groot gevaar. Nu het stikstofprobleem zo acuut is dat maatregelen niet langer op zich kunnen laten wachten, valt te vrezen dat het stankprobleem uit het beeld van politici en beleidsmakers verdwijnt. En dat boeren zo maatregel-moe worden dat ze straks niet meer bereid zijn nog iets te doen aan de overlast die ze veroorzaken en waar burgers schade van ondervinden.

Stikstofchaos leidt aandacht af van luchtwasserschandaal

Met enig cynisme zou kunnen worden vastgesteld dat het stikstofprobleem de verantwoordelijken voor het stankprobleem goed uitkomt. Het leidt onder meer de aandacht af van de gevolgen van het door overheid en boerenbedrijfsleven veroorzaakte luchtwasserschandaal. Deze gevolgen zijn nog verre van bestreden. Met de aanpak van die gevolgen is nog niet eens een begin gemaakt. De emissiefactoren zijn weliswaar bijgesteld, waardoor er praktisch geen nieuwe aanvragen voor sjoemelluchtwassers kunnen worden gedaan, maar bestaande en reeds vergunde installaties draaien volop, terwijl omwonenden in de stank zitten.

De overheid heeft die omwonenden op dit moment niet zoveel te bieden, zo is door staatssecretaris Van Veldhoven onlangs nog in en beleidsreactie op het rapport Biesheuvel bevestigd. Er is weliswaar een saneringsregeling varkenshouderij, maar de slachtoffers van een jarenlang falend geurbeleid hebben geen enkele garantie dat de grootste stinkerds daarvan gebruik maken. En dan zijn er nog de pluimveebedrijven die grote hoeveelheden stank en stof kunnen blijven verspreiden. Ook de melkveebedrijven kunnen vooralsnog hun mest blijven dumpen op volledig verzadigde bodems en daarbij burgers telkens opnieuw blootstellen aan ongezonde golven van stank.

In deze situatie kan de huidige stikstofchaos door burgers worden uitgelegd als een zegen. De stank wordt weliswaar niet structureel aangepakt, maar kan op dit moment ook niet erger worden doordat bedrijfsuitbreidingen voorlopig even stil liggen. En wie weet hebben de stikstofmaatregelen straks ook een stankreducerend effect. Dat zal op enkele plaatsen zeker het geval zijn: waar een bedrijf wordt beëindigd kan het niet meer stinken.
Te verwachten valt echter dat de maatregelen de schaalvergroting verder in de hand werken, waardoor de stank op andere plaatsen alleen maar zal toenemen. Veel bedrijven die overblijven, zullen groter worden en hun omgeving nog meer belasten. Van nieuwe technieken valt weinig te verwachten: die reduceren stank slechts marginaal. Of de melkveehouders, varkens- en kippenboeren moeten hun bedrijfsvoering ingrijpend wijzigen, maar daar zijn nog amper voorbeelden van.

Wie de boeren met hun trekkers heeft gezien, weet dat zij voorlopig niet aanspreekbaar zijn als het gaat om volksgezondheid en kwaliteit van de leefomgeving

Het pleidooi van D66-kamerlid Tjeerd de Groot voor een halvering van de veestapel en een verbod op drijfmest is in menig burgergezin in de veedichte gebieden met instemming ontvangen. Maar tegelijkertijd is er de vrees voor de averechtse werking. Wie de boeren met hun trekkers heeft gezien, weet dat zij voorlopig niet aanspreekbaar zijn als het gaat om volksgezondheid en kwaliteit van de leefomgeving. Vandaar dat het nodig blijft om in de heersende stikstofchaos aandacht op te eisen voor het stankprobleem en bij de overheid aan te dringen op een betere bescherming.


14 oktober 2020
BEREKENDE EMISSIES VOL ONZEKERHEDEN EN ONDERSCHATTINGEN
Uit indicatieve berekeningen blijkt dat de NH3-emissies uit emissiearme stallen mogelijk met circa 8 miljoen kg zijn onderschat. Op een totale NH3-emissie uit mest in stallen en mestopslagen van 57,1 miljoen kg in 2017 is dat circa 14%.

Dat stelt de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) in een advies van juni 2020 aan minister Schouten. Schouten heeft het advies openbaar gemaakt bij de presentatie van haar stikstofwet. Het advies houdt in dat de berekeningen van de ammoniakuitstoot uit de landbouw moeten worden herzien en emissiefactoren moeten worden aangepast. Daarbij moet ze rekening houden met grote onzekerheden, aldus de commissie.

”In NEMA variëren de onzekerheden in de berekende totale NH3-emissies (uit stallen en mestopslagen en na toediening van mest op het land) globaal van 30 tot 100% per diercategorie”, aldus de commissie. ”De onzekerheden in berekende emissies worden veroorzaakt door onzekerheden in de grootte van de emissiefactoren, in de hoeveelheid mest en de samenstelling van die mest (N-gehalte, TAN-gehalte). Voor melkkoeien is de geschatte onzekerheid in de berekende emissies op nationale schaal 45%, voor varkens 37% en voor pluimvee 44-50%.

De commissie is voorstander van metingen per emissiearme stal e verwijst daarbij naar het adviesrapport ‘Geur bekennen’ (Commissie geurhinder veehouderijen, 2019). Daarin is geconstateerd dat structurele verbeteringen nodig zijn om de geuroverlast door de veehouderij voor omwonenden te beperken. Er zijn geurmetingen en grenswaarden per stal nodig.

Een vergelijkbare aanbeveling kan volgens de commissie deskundigen meststoffen worden gemaakt voor emissiearme stallen; de veehouder heeft resultaten van NH3-metingen en grenswaarden nodig om te kunnen sturen. Dezelfde metingen bieden Omgevingsdiensten de mogelijkheid om te verifiëren of de emissiearme stalsystemen aan de gestelde eisen voldoen. Dit is de situatie waarnaar gestreefd zou moeten worden. Het vereist dat er sensoren beschikbaar komen om NH3-concentraties in stallen te kunnen meten en rekenprogramma’s om NH3-emissies uit die stallen te kunnen berekenen. Daarbij hoort een wettelijke en juridische verankering.


20 april 2019
RAAD VAN STATE BUIGT ZICH OVER GROOTSTE VARKENSBEDRIJF IN NEDERLAND

De Raad van State moet zich opnieuw uitspreken over de milieugevolgen van varkensbedrijf Houbensteyn Heideveld in Grubbenvorst. Omwonenden willen dat de hoogste bestuursrechter de bouw van het grootste varkensbedrijf in Nederland (19.200 vleesvarkens) stillegt in afwachting van een betere milieuvergunning. In de directe omgeving van het bedrijf dreigt namelijk een onleefbare situatie te ontstaan. Een extreme stankbelasting van 50 Ou/m3 valt niet uit te sluiten; het tienvoudige van wat als acceptabel wordt beschouwd.

Eerder werd de stankkwestie voorgelegd aan de Rechtbank Roermond. Deze oordeelde dat de door de provincie opgelegde aanvullende vergunningvoorschriften vooralsnog voldoende zijn: de provincie houdt de vinger aan de pols en de ondernemer is bereid indien nodig extra stankreducerende technieken toe te passen.

De jurist mr. Valentijn Wösten geeft aan perplex te staan over de uitspraak van de Rechtbank Roermond. ‘’Cliënten zijn weggestuurd met weinig meer dan de boodschap te moeten vertrouwen op enerzijds nog niet erkende milieutechnieken en anderzijds de goede wil van de ondernemer en het bevoegde gezag. Een bestuursrechtelijke waarborg voor behoud van hun leefkwaliteit wordt hen ontzegd. ‘’
Omwonenden zijn in het voorkomen van stankhinder dermate sterk afhankelijk van het bevoegd gezag en de ondernemer, dat er voldoende waarborgen moeten komen die ervoor zorgen dat de gestelde milieuprestaties ook daadwerkelijk afdwingbaar zijn, aldus Wösten. Hij ging namens vier omwonenden in beroep bij de Raad van State. Daar probeert hij nu in een laatste poging de huidige vergunning van tafel te krijgen en ingebruikname van het bedrijf in september van dit jaar te verhinderen.

Falende luchtwassers
Het is niet voor de eerste keer dat de zaak Houbensteyn Heideveld bij de hoogste bestuursrechter terecht komt. Tot dusver zijn na langslepende procedures uiteindelijk alle benodigde vergunningen onherroepelijk verklaard. Door de wijziging van de emissiefactoren voor falende gecombineerde luchtwassers is er echter een nieuwe situatie ontstaan. Daarbij dreigt nu een ongekende hoeveelheid stank te worden gelegaliseerd.

Wösten heeft laten uitrekenen wat het falen van de luchtwassers die Houbensteyn Heideveld toepast in zijn gigastal, betekent. Het combi-luchtwassertype realiseert maximaal 45% stankemissiereductie in plaats van de in het vergunningbesluit genoemde en voorgeschreven reductieplicht van 85%. Dit houdt in dat de stankemissies in 2014, toen Gedeputeerde Staten (GS) van Limburg de vergunning verstrekte, met bijna een factor 4 zijn onderschat. Uit zijn nieuwe V-stacks berekening blijkt dat de stankbelasting kan oplopen tot 50 Ou/m3. ‘’Nu kennelijk de vergunde installatie aan de Laagheide in ernstige mate niet aan de vergunningplichtige emissiereductie kan voldoen, treedt bij omwonenden een veel ernstiger stankhinder dan waar GS in het vergunningbesluit is uitgegaan’’, aldus Wösten in het beroepschrift aan de Raad van State. Hij spreekt over een situatie die – zo mogelijk – ernstiger is dan de meest ernstige hindercategorie ‘extreem slechte’ milieukwaliteit. Bovendien, merkt hij op dat de Raad van State in een uitspraak van 13 mei 2015 aan de vergunning het voorschrift heeft gebonden dat een stankreductie van 85% moet worden gerealiseerd. ‘’Met het bestreden besluit is dat voorschrift gewijzigd, en geldt thans als grenswaarde een reductieplicht van slechts 45%. Kortom, waar omwonenden rechtens aanspraak konden maken op een reductieplicht van 85% is die reductieplicht afgezwakt naar 45%.’’
Nu op voorhand vaststaat dat daardoor de stanknormen in ernstige mate zullen worden overschreden en de verantwoordelijke overheid niet genegen is daarin handhavend op te treden, ontstaat volgens Wösten een situatie die strijd is met de Europese Richtlijn Industriële Emissies (RIE). Die schrijft namelijk voor dat als een vergunning niet kan worden nageleefd en er ‘’onmiddellijke en significante gevolgen voor het milieu dreigen’’ een bedrijf dient te worden stil gelegd.

Wet Geurhinder Veehouderij
Daarmee is vanuit de optiek van de omwonenden overigens nog niet het laatste woord gesproken. Want hoe komt het dat overheden in vergunningprocedures niet uit zichzelf de Europese Richtlijn erbij pakken om het ontstaan van gigabedrijven met gigaoverlast te voorkomen? Wat geeft dit soort bedrijven de ruimte om maar door te groeien en door te groeien, terwijl inmiddels toch duidelijk is dat ze het leefklimaat voor burgers ernstig verstoren?
Wösten boort in zijn beroepschrift een laag dieper naar de oorzaken. Dat Gedeputeerde Staten van Limburg tot dusver niet optreden tegen Houbensteyn Heideveld, heeft niet alleen te maken met de halfslachtige wetgeving inzake het luchtwasserdebacle en het negeren van de RIE, maar ook met de Wet Geurhinder Veehouderij (WGV). Kort gezegd: de WGV zit zo in elkaar dat het economisch belang van de veehouderij prevaleert boven het belang van omwonenden. Sterker nog: de WGV belemmert toepassing van de Europese richtlijn RIE.

De in 2007 door de Tweede Kamer aangenomen wet is een uitermate zwak instrument om burgers te beschermen tegen overlast. De wet zit zo in elkaar dat niet de feitelijke stankhinder, maar de berekende hoeveelheid stank maatgevend is. Als het op papier aan de geurnormen voldoet, dan valt daar weinig tegen in te brengen. Zo kan ook Houbensteyn Heideveld straks zijn nieuwe gigastal volladen met varkens en ondertussen rustig beweren dat de stank voor omwonenden beneden de maximale waarde van 14 OU/m3 blijft.

Machtspolitiek
Wösten wijst er in zijn beroepschrift en passant op dat deze norm niet tot stand is gekomen op basis van wetenschappelijke inzichten, maar op basis van machtspolitiek van de partijen die destijds een meerderheid vormden in de Tweede Kamer: VVD, CDA, LPF en PvdA. Een stanknorm van 14OU/m3 is milieu-wetenschappelijk controversieel, stelt hij op basis van onderzoek van RIVM en GGD. Bovendien is de norm in strijd met de Herziene Nota Stankbeleid uit 1994. Met deze nota heeft het openbaar bestuur zich gebonden aan de beleidsdoelstelling dat per 2010 geen sprake meer mag zijn van ernstig gehinderden, waarbij als criterium voor ernstig gehinderden een stankbelasting boven de 10 geureenheden/m3 wordt genoemd. Dit komt overeen met 5 Ou/m3. Daar had een meerderheid in de Tweede Kamer in 2007 echter geen boodschap aan.

Veel te ruime geurnormen – de stanknormering van stalemissies vormen een grote (negatieve) uitzondering binnen het industriële stankbeleid – hebben op zeer veel plaatsen tot stankoverlast geleid, waarbij Houbensteyn Heideveld nu afstevent op een record. Deze uitwas kan groeien doordat stank jarenlang een miskend probleem is geweest en provincies en gemeenten de feitelijke geurbelasting niet onder ogen hebben willen zien. In een dergelijk bestuurlijk klimaat worden net zo makkelijk met terugwerkende kracht de milieuprestaties van eerder vergunde installaties naar beneden bijgesteld, zonder dat de wetgever zich bekommert om de consequenties.

Best Beschikbare Technieken
Tot slot wijst Wösten erop dat 10.000 vleesvarkens niet in een traditioneel stalsysteem mogen worden gehouden, terwijl 20.000 vleesvarkens wel mogen worden gehouden mits er technieken worden gebruikt die de uitstoot van stank met de helft verminderen. Dat kan, omdat de WGV rekent met emissiegrenswaarden per dierplaats. Dit leidt er echter toe dat er geen enkele milieuwinst wordt gerealiseerd. Toepassing van Best Beschikbare Technieken (BBT) is zo een wassen neus. Ook dit is strijdig met de eerder genoemde RIE. De omvang van de installatie en de werkelijk optredende milieubelasting mogen niet buiten beschouwing worden gelaten. ‘’Enkel een emissiegrenswaarde stellen per dierplaats, ongeacht het effect van het aantal dierplaatsen en de totale milieubelasting is onverenigbaar met de RIE.’’

Hij vraagt de Raad van State bepalingen in de WGV en/of het Activiteitenbesluit onverbindend te verklaren voor zover die het voldoen aan het RIE en de BBT-eisen zoals genoemd in het BREF belemmeren. Een zeer principieel juridisch punt dat ook consequenties kan hebben voor andere varkenshouderijen die door falende luchtwassers veel meer stank uitstoten dan in de vergunning is vastgelegd. Er zal volgens de Europese Richtlijn gehandhaafd moeten worden, aldus Wösten.

Update 17 mei 2019
De voorzieningenrechter van de Raad van State heeft het verzoek om stopzetting van de bouw afgewezen. De zaak heeft volgens de RvS geen spoedeisend karakter. De stal zal pas na september van dit jaar geleidelijk gevuld worden met varkens. De gevreesde stankoverlast zal niet eerder dan na september 2019 optreden. Deze uitspraak is voorlopig, later dit jaar volgt nog een bodemprocedure.

Update 17 januari 2020
Ook in hoger beroep trekken omwonenden en de Vereniging Behoud de Parel aan het kortste eind. De Raad van State heeft op 15 januari uitspraak gedaan (ECLI:NL:RVS:2020:108). Kort gezegd: niet uit te sluiten valt dat de luchtwassers een rendement van 85% halen en mochten dat niet het geval zijn, dan kan de gemeente via voorschriften aanvullende maatregelen opleggen. De Raad van State ”begrijpt de vrees voor ernstige geurhinder, maar ziet in hetgeen zij hebben aangevoerd onvoldoende aanwijzingen dat het varkensbedrijf er niet voor zou kunnen zorgen, eventueel met extra maatregelen, dat aan de streefnormen wordt voldaan. Indien blijkt dat het varkensbedrijf niet aan de inspanningsverplichting voldoet en de streefnormen worden overschreden, kan dat aanleiding voor het college zijn om de omgevingsvergunning alsnog geheel of gedeeltelijk in te trekken of om voorschriften te wijzigen.”


10 FEBRUARI 2017
ZO DICHT ZITTEN MENS EN DIER IN NEDERLAND OP ELKAAR
Dat burgers in het buitengebied op grote schaal de dupe zijn van een volledig uit de hand gelopen veehouderij in Nederland, mag onderhand wel als bekend worden verondersteld. Onderzoek heeft nu aangetoond hoe omvangrijk dit probleem eigenlijk is: maar liefst 355.000 woningen bevinden zich op een afstand van nog geen 250 m van in totaal 27.000 veehouderijen.

Zo’n afstand leidt in veel gevallen tot overlast en mogelijk ook gezondheidsschade. Nu is de ene veehouderij de andere niet. Melkveehouderijen zijn beter te verdragen dan geitenhouderijen, varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Maar ook al zouden we de 19.000 melkveehouderijen die op minder dan 250 meter van burgerwoningen staan, buiten beschouwing laten, dan houden we nog zo’n 8.000 intensieve veehouderijen over die zich dicht in de buurt van burgerwoningen bevinden.
Van de legkippen bevindt zich 85% van de dieren op locaties met woningen op een afstand van minder dan 250 m; 86% van de vleeskuikens wordt op locaties gehouden met woningen binnen de 250 m; het merendeel van de vleesvarkens zit op minder dan 250 m van woningen: 87%. Bij de fokzeugen zit 91% van de dieren op locaties met een woning op minder dan 250 m. 84% van de geiten wordt gehouden op locaties met woningen binnen de 250 m. En van de 606 megastallen hebben er 480 te maken met woningen op minder dan 250 m. Het gaat daarbij om gemiddeld 5,8 woningen.

GGD-advies
Al geruime tijd adviseert de GGD om voor intensieve veehouderijbedrijven op een afstand van minder dan 250 m van woningen geen uitbreiding of nieuwvestiging meer toe te staan. Dit om gezondheidsrisico’s van veehouderijbedrijven voor de omwonenden in te perken. Uit de cijfers, verzameld door Alterra in opdracht van het ministerie van Economische Zaken, wordt duidelijk dat dit advies – als het zou worden opgevolgd – grote consequenties heeft voor talrijke veehouderijen.
In eerste instantie lijkt het verplaatsen van veehouderijen of woningen de meest voor de hand liggende optie, aldus de Alterra-onderzoekers. Maar: ‘’Zowel in de bedrijven als in de woningen is zoveel kapitaal geïnvesteerd, dat uit elkaar plaatsen van veel woningen en bedrijven op korte termijn erg kostbaar lijkt. Op de langere termijn kan de kwaliteit van het buitengebied wellicht wel verbeterd worden door verdergaande ontwikkeling van veehouderij te sturen naar locaties met minder woningen in de nabijheid.’’

Ze bevelen aan verder onderzoek te doen naar het minimaliseren van risico’s en het verminderen van overlast, zoals:

onderzoek naar aanpassingen in de bedrijfsvoering, die minder emissies en mogelijke risico’s veroorzaken (fijnstof, ammoniak, geur, geluid)
onderzoek naar aanpassingen in de huisvesting van vee, die minder emissies en mogelijke risico’s veroorzaken (fijnstof, ammoniak, geur, geluid, zoönosen).
De veehouderijen doen al veel aan het terugdringen van emissies, maar maatregelen zijn vooral bedoeld om op een bepaalde locatie meer dieren te kunnen houden. Bovendien bieden de normen voor fijnstof en geur nog altijd veel ruimte voor uitbreiding. Het daadwerkelijk verminderen van de uitstoot ten behoeve van de leefbaarheid, is nog geen beleid.

Belevingsapp
De Alterra-onderzoekers bevelen aan om onderzoek te doen naar beleving van overlast bij omwonenden: waar en wanneer vindt welke hinder plaats? Dat zou bijvoorbeeld kunnen via het ontwikkelen van een zogenaamde BelevingsApp, waarmee omwonenden op eenvoudige wijze actuele en nauwkeurige meldingen kunnen doen. Zo krijgen omwonenden en bedrijven betrouwbare informatie, waarmee ze kunnen zoeken naar oplossingen.
Tenslotte kan er wel wat verbeterd worden aan de communicatie tussen veehouderijbedrijven en omwonenden, vinden de Alterra-onderzoekers. ‘’Dat kan een eerste stap zijn om hinder in beeld te krijgen en te zoeken naar oplossingen. Ook daarbij zou een Belevingsapp een rol kunnen spelen.’’
Afstand tussen veehouderij en woningen 2016 Alterra


Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

achttien + een =