Ontbreken betrouwbare meetmethode zet geurbeleid op losse schroeven

Uitgelicht

Het zal nog geruime tijd duren voordat er een nieuwe, betrouwbare methode is voor het meten van geur uit veehouderijen. Zolang die methode er niet is, staat het geurbeleid en daarmee de vergunningverlening van veehouderijen op losse schroeven. Bestaande meetmethoden blijken resultaten te geven die niet reproduceerbaar zijn.

Tot die conclusie komt de burgerwerkgroep max5odeur na deelname aan een webinar van het ministerie van I&W ”Anders meter van geur”. Op 26 november zijn de eerste resultaten gepresenteerd van een onderzoek naar een nieuwe meetmethode. Het onderzoek wordt uitgevoerd door Wageningen Universiteit, in samenwerking met de Universiteit van Aarhus in Denemarken.

De oude meetmethode is in diskrediet geraakt door het luchtwasserschandaal. Dat schandaal heeft tekortkomingen aan het licht gebracht in de zogeheten olfactorische meetmethode, waarbij de menselijke neus een centrale rol vervult. De methode is niet betrouwbaar gebleken. De gevolgen hiervan zijn op deze website uitvoerig beschreven.
Nico Ogink van Wageningen Universiteit gaf in zijn presentatie op 26 november exact aan wat de tekortkomingen zijn van de olfactorische meetmethode:
> de toegepaste methode geeft geen informatie over welke geurstoffen precies worden gemeten,
> geurmonsters worden in een lab geanalyseerd, dat geeft per lab verschillende uitkomsten,
> de resultaten zijn niet goed reproduceerbaar,
> de methode is niet goed te kalibreren.

Chemisch-analytische methode
De methode die nu in ontwikkeling is, behoort tot de chemisch-analytische categorie. Gekeken wordt welke geurstoffen aanwezig zijn en in welke mate. Het onderzoek is in de huidige fase nog sterk gericht op varkenshouderijen met gecombineerde luchtwassers. Het falen van deze luchtwassers vormde de aanleiding om op zoek te gaan naar nieuwe meetmethoden. Er is een methode nodig die een relatie kan leggen tussen wat je meet en de bedrijfsprocessen, aldus de onderzoekers. Over de relatie tussen wat wordt gemeten op het bedrijf en in de omgeving, de geur die omwonenden ervaren, konden de Wageningse onderzoekers nog niet veel zeggen. Het onderzoek naar de effectiviteit van de nieuwe methode is in dit stadium vooral gericht op het bepalen van het rendement van luchtwassers.

De behoefte aan monitoring in de omgeving kwam wel ter sprake op het druk bezochte webinar. Duidelijk werd dat er eerst een gevalideerde basismethode (een referentiemethode) moet zijn voor het meten van geur uit veehouderijen, voordat er allerlei afgeleiden zoals sensoren gebruikt kunnen worden. Jos van Lent, beleidsmedewerker van de Provincie Brabant, zei te hopen dat de nieuwe methode gaat helpen om nieuwe normen te stellen.

Pleidooi voor stand-still
De burgerwerkgroep max5odeur merkte op dat er helemaal geen tijd is voor het ontwikkelen van nieuwe meetmethoden, tenzij er een standstill wordt ingevoerd. ”Aangezien een betrouwbare methode voor geurmetingen ontbreekt, is het niet verantwoord om door te gaan met het verlenen van vergunningen”, aldus max5odeur.

Toename van geurmetingen verwacht

De komende jaren zal het aantal geurmetingen bij veehouderijen toenemen. Dat verwacht de jurist mr. Valentijn Wösten. Hij heeft de zogeheten NEN-commissie gevraagd het meetprotocol voor veehouderijen te vernieuwen. Metingen moeten betrouwbaarder worden.

De NEN-commissie heeft eerder dit jaar een herzien meetprotocol vastgesteld. Volgens Wösten is het protocol onvoldoende om in een groot aantal, zeer verschillende praktijksituaties betrouwbare geurmetingen uit te voeren. Er moet een goed ontwikkeld meetprotocol komen dat milieuwetenschappelijk betrouwbare uitkomsten oplevert. Het luchtwasserdebacle heeft aangetoond dat geurmetingen tot dusver tekort schieten. Er zijn op basis van metingen emissiefactoren toegekend, die achteraf niet bleken te deugen.

”Het onderwerp van de meting bepaalt welke eisen aan het meetprotocol moeten worden gesteld”, aldus Wösten. Hij merkt op dat metingen in de veehouderij verschillende doelen kunnen dienen. Zo is het vaststellen of emissies ook echt worden gereduceerd, iets anders dan het meten van de werkelijk optredende emissies, ongeacht de werking van een emissiereducerende techniek. Als alleen de doelmatigheid van een reductietechniek moet worden onderzocht, zal eerst de ongefilterde bronemissie moeten worden vastgesteld, stelt hij. ”Niet elk mestvarken geeft een gelijke stankemissie. De emissie per dier is immers onder meer afhankelijk van het geboden veevoer.”

Meetplicht
Wösten voorziet een toename van geurmetingen op basis van zijn rechtspraktijk. Hij noemt in zijn verzoek aan de NEN-commissie een aantal zaken waarin de rechter een meetplicht oplegt. Zo is in de zaak Grubbenvorst (20.000 varkens) sprake van een vergunning met ondeugdelijke combi-luchtwassers. In die zaak heeft GS van Limburg aanvullende voorschriften opgelegd aan de vergunninghouder met een stankemissiemeetplicht en een inspanningsverplichting om een emissiereductieplicht van 85 % te realiseren. ”De Raad van State heeft die voorschriften in stand gelaten. Dit is voor het eerst dat een veehouderij aan een stankmeetplicht wordt gebonden”, aldus Wösten.
Ook in handhavingszaken kan een meetplicht van belang zijn. ”Immers, zolang de
ernst van de stankhinder door een overlast gevend bedrijf onbekend is ontbreekt een grondslag voor vervolgoptreden. Het bevoegd gezag zal eerst de ernst van de milieusituatie moeten vaststellen.”

De NEN-commissie is verantwoordelijk voor het opstellen, toepassen en actualiseren van nationale methoden voor geurmetingen. In de commissie zitten milieuadviseurs, vertegenwoordigers van provincies en de ministeries van I&W en LNV, Wageningen Universiteit en deskundigen op het gebied van luchtkwaliteit.

De burgerwerkgroep max5odeur heeft eveneens aangedrongen op een beter meetprotocol voor het meten van geur vanuit veehouderijen. Zie eerder bericht Pleidooi voor nieuw protocol voor het meten van stank uit veehouderij