‘E-noses voor veehouderij binnen drie tot vijf jaar’

Veehouderijen, gemeenten en omwonenden kunnen binnen drie tot vijf jaar beschikken over e-noses die behulpzaam zijn bij het vaststellen van stankoverlast. Dat zei Jan Kees Boerman (Evironmental Monitoring Systems uit Sint Annaland) op een door de werkgroep max5odeur georganiseerde bijeenkomst in Veenendaal.

Boerman gaf op verzoek van max5odeur voorlichting aan de leden van de ambtelijke werkgroep evaluatie wet geurhinder veehouderij. Hij heeft veel ervaring met e-noses, onder meer in de voedselindustrie. Eerder heeft hij ook een proef gedaan met e-noses bij een varkenshouderij.
De technologische ontwikkelingen op het gebied van geurregistratie gaan snel en bieden zeker perspectief voor degenen die stankoverlast ervaren vanuit de veehouderij, zo bleek uit zijn woorden. In Amerika zijn er al neuzen die kunnen vaststellen of er 8 of 10 odeur uit een bedrijf komt. Het kalibreren van de neus op die specifieke geur en het inleren van de data kost nu nog teveel tijd. Om real time te kunnen meten, zodat er ook direct maatregelen mogelijk zijn, moet er nog een slag gemaakt worden. De huidige neuzen kunnen al wel voorspellen. Ze registreren vooral veranderingen in de sterkte van de geur en in de samenstelling.

Boerman suggereert stap voor stap te werk te gaan en eerst een pilot op te zetten. ”Meten is weten, maar met meten is ook veel tijd versleten”, geeft hij het belang aan van een zorgvuldige aanpak.

Proefstallen: uitstoot onbekend

Op naar schatting 200 veehouderijen in Nederland staan stalsystemen waarvan de feitelijke ammoniakuitstoot onbekend is. Dat komt doordat er gebruik wordt gemaakt van de proefstalregeling en de daarbij behorende verplichte meting van emissies achterwege wordt gelaten.

Dit blijkt uit onderzoek van bureau Berenschot naar het functioneren van de Technische adviescommissie Regeling Ammoniak Veehouderij (TacRav), die een belangrijk aandeel heeft in de uitvoering van de proefstalregeling. De proefstalregeling biedt volgens Berenschot ”onbedoelde ruimte die door het bedrijfsleven ten volle wordt benut.”

Proefstallen zijn innovatieve stalsystemen die pretenderen een lage uitstoot te hebben. Ze worden ontwikkeld door fabrikanten en worden door veehouders, meestal met overheidssubsidie, gebouwd om meer dieren te kunnen houden. In 2012 en 2013 zijn 55 proefstalsystemen goedgekeurd. Deze systemen moeten op vier verschillende plekken in praktijk worden gebracht. Op basis van deze aantallen kan worden aangenomen dat zeker 200 veehouderijen de status hebben van een proefstal.

Stallen draaien op voorlopige emissiefactoren
Om de werking van het innovatieve systeem te bewijzen, dienen de feitelijke emissiewaarden in de praktijk te worden vastgesteld. Daar staat een termijn voor van drie jaar. Deze meetverplichting (een kostenpost van €50.000 tot €150.000) is één van de cruciale factoren in het stelsel. Maar juist daar gaat het mis. Veehouder noch fabrikant voelen zich verplicht de meting uit te voeren. De stallen kunnen ook zonder meting worden gebruikt omdat er een voorlopige emissiefactor is toegekend. En als het stalsysteem toe is aan een meting, wordt er iets aan veranderd en een nieuwe proefstalstatus aangevraagd. Op grond van de Beleidsregels Rav kan de minister een stalsysteem met een voorlopige emissiefactor wel van de zogeheten Rav-lijst verwijderen, als duidelijk is dat niet binnen de voorgeschreven termijn is gemeten. Maar dat gebeurt niet. ”Tot heden wordt op de naleving van deze beleidsregels niet gehandhaafd”, stelt Berenschot vast.

Ook geur en fijnstof opnemen in proefstalregeling
Berenschot adviseert de hele procedure voor het aanvragen en toekennen van proefstallen en bijbehorende emissiefactoren grondig op de schop te nemen. In een nieuwe regeling zouden ook de uitstoot van geur en fijnstof moeten worden opgenomen.

Berenschot over Tac RAV en proefstallen