Gemeente Landerd: Van Veldhoven (D66) is verantwoordelijk voor oplossing stankprobleem

In een gepeperde brief aan staatssecretaris Stientje van Veldhoven (D66) roept de gemeente Landerd de rijksoverheid op om met een oplossing te komen voor het stankprobleem ten gevolge van falende luchtwassers.

Landerd heeft met zeer veel tegenzin een varkenshouder een vergunning verleend voor 11.000 varkens en 6.000 biggen aan de Schuifelenberg in Zeeland. De varkenshouder maakt gebruik van combi-luchtwassers, waarvoor in juli 2018 strengere emissiefactoren zijn vastgesteld. Aangezien zijn aanvraag nog dateert van voor die datum, mocht hij de oude emissiefactoren gebruiken. Dit betekent dat hij feitelijk veel meer stank veroorzaakt dan in de vergunning is aangegeven. Het gaat om een verschil van circa 40%. De combiwassers reduceren namelijk geen 70-85%, maar slechts 30-45% van de stank, zo is uit onderzoek gebleken.

De gemeente Landerd schrijft in de brief aan Van Veldhoven: ”Op diverse locaties binnen onze gemeente betekent dit dat de geurbelasting van woningen flink is toegenomen boven vastgestelde geurnormen. Dit heeft grotere negatieve gevolgen op de gezondheid voor mens dier en milieu in de omgeving. Zo is de geurbelasting op onze bewoners zwaarder dan op basis van de vergunning wordt aangenomen.”

De verhoudingen tussen bewoners, veehouders en overheid komen op scherp te staan

De verhoudingen tussen bewoners, veehouders en overheid (o.a. gemeente) komen op scherp te staan, aldus de de gemeente Landerd. De gemeente vindt dat Van Veldhoven veel te weinig doet aan de oplossing van dit probleem.

”Het gemeentebestuur van Landerd is van mening dat u hier verantwoordelijk voor bent en u deze verantwoordelijkheid ook op zich moet nemen. Het kan in onze ogen niet zo zijn dat de bewoners van onze gemeente, de betrokken veehouders en de lokale overheid hiervan de dupe worden. Wij verwachten dat u hierin de verantwoordelijkheid neemt en met een oplossing komt die sociaal, juridisch en financieel recht doet aan deze problematiek.”

Realtime meten van geur nodig voor omschakeling naar doelvoorschriften

Boeren hebben liever doelvoorschriften dan middelvoorschriften. Ze willen zich best vastleggen op een bepaalde hoeveelheid ammoniak, fijnstof en geur die ze mogen uitstoten, maar dan willen ze zelf bepalen hoe ze dat doel bereiken. Afschaffing van middelvoorschriften betekent een grotere vrijheid van handelen. Voorwaarde is wel dat er op bedrijfsniveau op elk gewenst moment (real time) gemeten kan worden of ze de vergunde doelen halen. Dat is op dit moment wat betreft geur nog niet mogelijk.

Staatssecretaris Van Veldhoven heeft het onafhankelijke adviesbureau Rebel ingehuurd om te kijken of het werken met doelvoorschriften haalbaar is. Het bureau had als opdracht met een advies te komen over nieuwe vormen van stalbeoordeling. Daarbij is ook onderzocht of het uitvoerig testen van nieuwe technieken onder verantwoordelijkheid van de overheid achterwege kan blijven binnen een systeem met doelvoorschriften.

Met doelvoorschriften krijgen veehouders een sterke prikkel om resultaten te behalen, zo is de veronderstelling. De verantwoordelijkheid voor de prestaties van toegepaste technieken zou dan komen te liggen bij de producent. Toetsing van nieuwe staltechnieken is in dat geval aan de markt, bijvoorbeeld door private certificering van staltechnieken.

Volgens Van Veldhoven zou dit een ingrijpende verandering zijn ten opzichte van het bestaande systeem met door de overheid goedgekeurde technieken en emissiefactoren, zo laat ze op 2 juli in een brief aan de Tweede Kamer weten. Maar die verandering zit er voorlopig niet in. ”Een doelgericht systeem voor alle emissies is op korte termijn niet haalbaar, omdat het betrouwbaar realtime meten van geur met sensoren nog niet mogelijk is. Een vorm van beoordeling van technieken blijft daarom ook na stapsgewijze invoering van een nieuw systeem voorlopig noodzakelijk.”
Van Veldhoven spreekt over een transitie die meer tijd vergt.

Onderzoek falende luchtwassers stagneert

Het onderzoek naar mogelijkheden om het rendement van luchtwassers te verbeteren, heeft ernstige vertraging opgelopen. Dat schrijft staatssecretaris Van Veldhoven op 2 juli 2020 in een brief aan de Tweede Kamer met een beleidsreactie op het rapport Stalbeoordeling van adviesbureau Rebel.

”Wanneer de maatregelen vanwege corona het toelaten zal het onderzoek worden hervat en zullen de voorgestelde verbetermaatregelen dit jaar beproefd worden”, aldus Van Veldhoven.

Twee jaar geleden zijn de emissiefactoren van zogeheten combi-wassers gewijzigd, nadat was gebleken dat deze installaties veel minder geur verwijderen dan werd aangenomen.
Daarna is onderzocht in hoeverre het falen van de luchtwassers kon worden aangepakt. Door optimalisatie zou het geur- en ammoniakrendement van combiluchtwassers verbeterd kunnen worden, zo is de verwachting. Wageningen Universiteit kreeg de onderzoeksopdracht, maar slaagde er tot dusver niet in geschikte meetlocaties te vinden. Door de coronacrisis konden bovendien geen geurmetingen worden uitgevoerd.

Ingewijden laten weten dat er zich bij het onderzoek naar de falende luchtwassers twee problemen voordoen:
1. Het falen van luchtwassers is in veel gevallen te wijten aan toepassing van ondeugdelijke kopieën van oorspronkelijk goedgekeurde installaties. Mogelijke verbeteringen zullen in alle gevallen tot een verhoging van het rendement moeten leiden. Het is de vraag of dat met al die kopieën lukt.
2. Het meten van geur is met bestaande meetmethoden onvoldoende betrouwbaar.

EU-voorwaarden mest uitrijden leiden tot minder stank in veen- en kleigebieden

De EU heeft voorwaarden gesteld aan de derogatie voor melkveebedrijven, waardoor het uitrijden van mest in de zomer in delen van Nederland tot minder stank zal leiden. Boeren op veen- en kleigrond mogen alleen nog mest uitrijden met een zogeheten sleepvoetbemester als het onder de 20 graden is.

De voorwaarde is bedoeld om de ammoniakemissies te verminderen, maar het heeft ook gevolgen voor de mate van stankhinder. Bij zonnig en warm weer ontstaat er meer stank en komt er meer ammoniak vrij, dan bij bewolkt, regenachtig en koeler weer.

De melkveebedrijven hebben de derogatie onder voorwaarden gekregen. Ze kunnen daardoor meer stikstof op hun land brengen dan zonder derogatie. De derogatie is verleend voor twee jaar.

Aan het gebruik van de sleepvoetbemester zijn al eerder beperkingen opgelegd door het ministerie van LNV. De mest moet voor een derde zijn aangelegd met water. Ook dat heeft een reducerend effect op de uitstoot van ammoniak, en vermoedelijk ook op het ontstaan van stank.

Drie technieken: sleepvoet, sleufkouter en zodenbemester
De strontrijders in Nederland maken gebruik van drie typen technieken: de sleepvoet (laten strookjes mest van vijf centimeter breed achter), de sleufkouter (brengt met behulp van messen de mest enkele centimeters diep in de grond) en de zodenbemester (snijdt met een schijfwiel de zode door tot vijf centimeter diep en laat daar de mest in achter).

In Nederland komt ongeveer 69% van het totale volume aan drijfmest op grasland terecht. De rest (31%) komt op bouwland. Het uitrijden van drijfmest op gras vindt voor 24% van het mestvolume plaats met de sleufkouter en 14% met de sleepvoet. Dit vindt plaats op veen-en kleigronden. De rest vindt plaats met een zodenbemester, vooral op zandgronden.

De sleepvoet wordt veel toegepast op veen- en kleigrond omdat deze op dit type grond minder brandstof verbruikt. Het gebruik van de andere technieken vergt op veen- en kleigrond meer energie. De sleufkouter- en zodenbemesters worden vooral gebruikt op loss- en zandgrond. Aan het gebruik van deze technieken stelt de EU geen voorwaarden.

Geen derogatie bij vrijstelling bovengronds uitrijden
Er zijn nog altijd boeren die een vrijstelling hebben voor het bovengronds uitrijden van mest. Dat mag van de EU, maar niet langer in combinatie met derogatie. De hoeveelheid mest die zij gewend waren uit te rijden, moet dus naar beneden. Ook weer gunstig voor de omwonenden.

Algeheel drijfmestverbod
Helemaal gunstig voor de inwoners van het buitengebied zou een algeheel drijfmestverbod zijn. Tjeerd de Groot van D66 is daar een voorstander van. Ook de commissie Remkes heeft geadviseerd om drijfmest in tien jaar ”uit te faseren”.

Miljoenen vinden gretig aftrek bij varkensboeren, wat schiet de burger ermee op?

Hup, daar gaan weer honderden miljoenen naar de varkenshouderij. De subsidies voor stoppende boeren vinden gretig aftrek. Of de burgers in het buitengebied er veel mee opschieten, moet nog blijken. De overheid heeft de lat wel erg laag gelegd.

De krimpregeling is bedoeld voor varkensbedrijven die stank veroorzaken. Hoe meer stank, hoe groter de kans op geld. Tenminste, dat was de opzet. Aanvankelijk was het totale subsidiebedrag vastgesteld op 180 miljoen. Vanwege de grote belangstelling is dat bedrag uitgebreid naar bijna een half miljard.

Het aanvankelijke bedrag  was genoeg voor zo’n 124 locaties. In totaal kwamen er 502 aanvragen binnen, waarvan er 407 voldoen aan de gestelde vereisten, aldus de minister van LNV in een brief aan de Tweede Kamer.  In plaats van de lat hoger te leggen, is besloten meer geld uit te trekken, zodat ook stikstofdoelen met de subsidies kunnen worden gediend.

Met de 407 erkende aanvragen zijn 910.645 varkensrechten gemoeid, 802.243 in de regio Zuid en 108.402 in de regio Oost, zo heeft het ministerie van LNV becijferd. Dat betekent een krimp van circa 10% van het aantal varkensbedrijven in NL en een krimp van 7,44% van het aantal varkens. De stoppers hebben  een gemiddelde bedrijfsomvang van ruim 2200 varkens.
 
Ruim een miljoen per bedrijf. De belastingbetaler heeft er heel wat voor over om de stankoverlast in Brabant, Gelderland, Limburg en Overijssel  te verminderen. Maar helpt het ook?

In de Nederlandse varkenshouderij doet zich een autonome krimp voor. Het aantal bedrijven daalde in 2019 ten opzichte van 2018 met 2,3%. De krimp is het grootst in Brabant, waar in 2019 het aantal varkensbedrijven met 7,9% gedaald tot 1.410 ten opzichte van 2018 en in Gelderland met 3,6% tot 940 bedrijven. Tegenover deze krimp staat een groei in Noord Holland, Zuid-Holland, Zeeland, Friesland, Groningen en Overijssel. Zo nam het aantal varkensbedrijven in de provincie Noord-Holland met maar liefst 36,5% toe naar 52 bedrijven; 1 jaar eerder waren dat er nog 33. In Friesland is een stijging zichtbaar van 29% tot 69 varkenshouderijen.
Als we kijken naar het totaal aantal varkens in NL, dan zien we een daling van 2,4% in 2019 ten opzichte van 2018. In Brabant heeft zich een krimp van – 3,3% voorgedaan (van 5,9 naar 5,7 miljoen), in Gelderland – 2% (van bijna 1,9 naar 1,85 miljoen), in Drenthe -6,7%, in Utrecht – 5,2%, – 12,7% in Zuid-Holland en in Limburg – 1,9% (van 1,975 naar 1,936 miljoen). Tegenover deze krimp staat een groei in Zeeland van 12,2%, in Overijssel van 0,5% en Groningen 4,4%.

Tegen de achtergrond van deze cijfers die landelijk gezien een lichte verschuiving laten zien van zuid naar west en noord, is de krimp voor de betrokken gebieden ten gevolge van de saneringsregeling wel iets substantiëler dan de eerder genoemde 7,44%. Een afname van 802.243 varkens komt in de regio zuid neer op een krimp van het aantal varkens met meer dan 10,42%.

Behalve aantallen dieren en krimpcijfers moeten we natuurlijk ook kijken naar de afname van de stankoverlast. Daar was het immers allemaal om te doen.  Het is heel goed mogelijk dat de afname van overlast geen gelijke tred houdt met de afname van het aantal dieren, domweg omdat de varkens verdwijnen van plaatsen waar de overlast niet het grootst was. Er kunnen ondanks de sanering nog veel stank veroorzakende bedrijven overblijven. Woon je als burger tussen meerdere varkenshouderijen, waarvan er eentje stopt, dan kan het heel goed zijn dat je daar weinig van merkt, omdat de overlast van de andere bedrijven aanhoudt.

Maar het omgekeerde is ook mogelijk: de stankoverlast neemt meer af dan je op grond van de krimp van het aantal dieren zou verwachten. Om dit alles te kunnen berekenen hebben we bedrijfsgegevens van de stoppers nodig: hoeveel stank is er vergund, hoeveel stank werd er feitelijk uitgestoten, werd er gebruik gemaakt van luchtwassers, heeft er een herberekening plaatsgevonden aan de hand van de emissiefactoren die sinds juli 2018 gelden voor de zogeheten combi-wassers, etc.
Die gegevens moeten nog komen. De subsidieregeling zal worden geëvalueerd. Daarbij zal onder andere aandacht zijn voor het effect van de subsidieregeling op emissies naar het milieu. De burgerwerkgroep max5odeur zal de gegevens opvragen, zodra ze beschikbaar zijn.

Geurscores
Wel valt nu al uit de subsidievoorwaarden een en ander af te leiden. De aanvragen worden beoordeeld aan de hand van een geurscore. De hoogte van de geurscore is afhankelijk van:

  • de hoeveelheid geureenheden die een varkenshouderijlocatie uitstoot (de geuremissie),
  • de afstand tussen de varkenshouderijlocatie en geurgevoelig object(en)
  • het aantal geurgevoelige objecten in een straal van 1.000 meter rond de varkenshouderijlocatie.

Zo kan een varkenshouderij met een geurbelasting van 5 tot 8 odeur op 3 woningen binnen een cirkel van 1 km uitkomen op een geurscore van 0,45 en dat is boven de drempelwaarde van 0,40. Deze varkenshouderij komt in aanmerking voor subsidie. Hetzelfde geldt voor een varkenshouderij met een geurbelasting van 3 tot 5 odeur op 5 woningen. Die krijgt een geurscore van 0,50 en is dus ook subsidiabel. Een varkenshouderij die op slechts 1 woning een geurbelasting heeft van 20 tot 32 odeur is echter niet subsidiabel. Die heeft namelijk een geurscore van 0,36.
Deze berekeningswijze maakt het mogelijk dat niet uitsluitend de ‘’zware gevallen’’ worden uitgekocht. Ook ‘’lichtere gevallen’’ komen voor subsidie in aanmerking. Dit wordt nog eens gestimuleerd doordat het subsidieplafond is verhoogd. Aanvankelijk was het met een subsidieplafond van 120 miljoen zo dat varkenshouderijen met de hoogste geurscore als eerste in aanmerking zouden komen voor subsidie. Hiermee wilde het ministerie van LNV waarborgen dat de beschikbare middelen zo doelmatig en doeltreffend mogelijk zouden worden ingezet. Nu dat bedrag is verhoogd, is de rangschikking op de mate van stank losgelaten en is het niet langer gegarandeerd dat vooral zwaar stinkende bedrijven worden uitgekocht. 

Meer over Subsidieregeling Sanering Varkenshouderij:

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-55830.htmlhttps://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/06/10/stand-van-zaken-subsidieregeling-sanering-varkenshouderijen-srv

Brief aan de kamer

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/06/10/stand-van-zaken-subsidieregeling-sanering-varkenshouderijen-srv

Staat handelt onrechtmatig: grondrecht ongestoord woongenot onvoldoende beschermd

Een groep burgers uit Nood-Brabant, Limburg, Gelderland en Overijssel die geregeld stankoverlast ervaren vanuit de veehouderij, klagen de Nederlandse staat aan voor een onrechtmatige daad. De wet- en regelgeving beschermt burgers onvoldoende. De dagvaarding is na twee jaar voorbereiding ingediend bij de civiele rechter.

“De Staat handelt onrechtmatig door het grondrecht van ongestoord woongenot van eisers in strijd met zijn rechtsplicht daartoe niet adequaat te beschermen. De Staat schendt daarmee artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, de artikelen 21 en 22 van de Grondwet en de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek”, aldus de dagvaarding.

De groep burgers wordt bijgestaan door advocaat mr. Nout Verbeek. Klik hieronder voor het persbericht en het artikel in het Eindhovens Dagblad van 10 juni 2020

Artikel in het Eindhovens Dagblad

Aandacht voor stank mag niet verslappen: ”politiek is aan zet”

De aandacht voor stank uit veehouderijen mag niet verslappen, vindt de voorzitter van de Commissie Biesheuvel. In een terugblik op het onderzoek naar wat hij noemt een ”complexe maatschappelijke opgave”, zegt Pieter Jan Biesheuvel: “De meest effectieve maatregelen die voorgesteld zijn, vragen aanpassing van de regelgeving; de politiek is nu aan zet!”

Ruim een jaar geleden bracht de commissie het rapport ”Geur bekennen” uit. ”Echt luisteren” naar iedereen die bij het stankprobleem is betrokken, noemt Biesheuvel een meerwaarde van het onderzoek.

‘Geur bekennen’ bevat drie aanbevelingen voor nieuw beleid.
1. voor geurhinder zijn eenduidige emissiegrenswaarden nodig waar veehouders zich permanent aan moeten houden.
2. er zijn betere manieren nodig om de effectiviteit van luchtwassers te bepalen en de geurproductie te verminderen waar zij begint: in de stal.
3. de staatssecretaris moet maatwerk per gebied mogelijk maken, met meer vrijheid voor decentrale overheden om in te grijpen in bestaande situaties.

Het laatste punt wordt mogelijk door een verandering van de Crisis- en Herstelwet. Aan punt 2 wordt gewerkt door de ontwikkeling van nieuwe emissiereducerende technieken. De effectiviteit daarvan is echter wat betreft geur moeilijk vast te stellen, omdat betrouwbare meettechnieken ontbreken. De uitvoering van punt 1 is nog niet ter hand genomen.

Biesheuvel constateert: veel betrokkenen bij het onderzoek ervaren een kloof tussen de totstandkoming van het rapport van de commissie en nieuwe maatregelen die zij vervolgens op korte en langere termijn verwachten. Omwonenden zien nog geen onmiddellijke verbetering in de geurhinder, zo wordt in de terugblik gesignaleerd. 

Pleidooi voor nieuw protocol voor het meten van stank uit veehouderij

De burgerwerkgroep max5odeur pleit voor een geheel nieuw protocol voor het meten van stank uit veehouderij. Dat protocol zou samen met het RIVM, GGD en burgergroeperingen ontwikkeld moeten worden.

Dit heeft de werkgroep laten weten in een commentaar op het zogeheten herziene NEN-protocol Luchtkwaliteit geurmetingen. Dit Nen-protocol is van toepassing op veel sectoren, waaronder de veehouderij. Volgens de burgerwerkgroep max5odeur is stank uit veehouderij zo specifiek, dat er een apart protocol voor moet komen. Het huidige protocol biedt omwonenden onvoldoende bescherming.

In plaats van bestuurders, ambtenaren, veehouders en rechters voor te spiegelen dat stank vanuit veehouderijen kan worden gemeten, dient de realiteit onder ogen te worden gezien. De relatie tussen de stank die omwonenden ervaren en de bron van die stank valt met de huidige meetmethoden niet op een effectieve en betrouwbare wijze te achterhalen, aldus max5odeur.

In veehouderijgebieden is vaak sprake van ernstige en langdurige geurhinder. Concentraties van veehouderijen in Gelderland, Brabant en Limburg hebben geleid tot het ontstaan van talrijke hotspots van stankoverlast. Daarnaast kan ook een enkele veehouderij voor langdurige stankoverlast zorgen. Omvang en intensiteit van het stankprobleem hebben te maken met:
a. Veel te ruime geurnormen
b. Cumulatie, die niet standaard wordt meegerekend bij de vergunningverlening
c. Emissie reducerende technieken die in de praktijk niet of nauwelijks blijken te werken, doordat aan meetresultaten die zijn bepaald onder specifieke omstandigheden, een algemene waarde wordt toegekend. Bestaande meetprotocollen verzetten zich daar kennelijk niet tegen. Daardoor is toepassing van deze technieken onder andere dan de gemeten omstandigheden mogelijk.

Het belang van geurmetingen in de veehouderij is bijzonder groot, stelt max5odeur. Wet- en regelgeving, alsmede de subsidiëring van emissie reducerende technieken, staan vooral in het teken van ontwikkeling van de veehouderij en dienen niet om omwonenden te beschermen. Met behulp van tweezijdige metingen (emissies en immissies, bron én geurgevoelig object) kan worden vastgesteld wat het daadwerkelijke effect is van een of meerdere veehouderijen op de leefomgeving en kunnen klachten van omwonenden niet opzij worden gelegd, maar worden afgehandeld.

Klik hieronder voor het complete commentaar van max5odeur


Planbureau ziet teveel nadelen in afstandseis veehouderijen

De overgrote meerderheid van de veehouderijen in Nederland staat op minder dan 250 meter van een woning of andere bebouwing. Een afstandseis van 250 meter zou op het gebied van volksgezondheid in veel gevallen bescherming kunnen bieden.

Dat stelt het Plan Bureau voor de Leefomgeving in het rapport Kansrijk landbouw- en voedselbeleid . Toch is het Planbureau geen voorstander van een dergelijke afstandseis. Zo’n maatregel beperkt ruimtelijke ontwikkelingen, zoals nieuwbouw. Ook kan een afstandseis een rem zetten op de ontwikkeling van emissie-arme stallen.

Als boeren geen vergunning kunnen krijgen voor aanpassingen van hun bedrijf zoals het bouwen van een emissiearme stal, ontstaat het risico dat de bestaande situatie wordt voortgezet, aldus het Planbureau.

Het Planbureau heeft de afstandseis van 250 meter onder de loupe genomen, omdat daar al jaren voor wordt gepleit, onder meer door de GGD’en. Aangezien uit metingen en modelberekeningen blijkt dat de geurhinder, geluidsoverlast en de concentraties fijnstof en endotoxinen afnemen met de afstand tot veehouderijen, lijkt het hanteren van een minimumafstand op het eerste gezicht een effectieve maatregel om gezondheidswinst te halen. De werkelijkheid is echter gecompliceerder, aldus het PBL.

In het rapport van het PBL staat dat 80 tot 90% van de veehouderijen in Nederland op een afstand kleiner dan 250 meter van woningen is gelegen. Het zijn cijfers uit 2011. Onbekend is hoe hoog dat percentage nu is, maar het zal nog steeds om de overgrote meerderheid gaan.

Mensen die dicht bij veehouderijen wonen hebben vaker luchtwegklachten. Door de afstand tussen woningen en veehouderijen te vergroten kan de gezondheid van omwonenden verbeteren als tegelijkertijd de achtergrondbelasting met fijnstof omlaag gebracht wordt, ziet ook het PBL Het PBL vreest dat door het toepassen van een rigide afstandseis geen gezondheidswinst zal worden geboekt, omdat vervuilende veehouderijen gewoon kunnen doorboeren.

Een toetsingskader waarbij rekening wordt gehouden met de belasting van veehouderijen op omwonenden biedt meer flexibiliteit dan een afstandseis, aldus het PBL. Omdat afhankelijk van de situatie fijnstof, endotoxinen of geurhinder de beperkende factor is, zou in het toetsingsprotocol voor de omgevingsvergunning de blootstelling aan alle factoren meegenomen moeten worden. De hoogte van de gekozen gezondheidskundige grenswaarden in dit toetsingsprotocol bepaalt in sterke mate het beschermingsniveau van omwonenden.

Anti-fijnstoftechnieken voor kippenstallen onvoldoende getest

Het onderzoek naar nieuwe anti-fijnstof technieken voor de pluimveehouderij vertoont allerlei gebreken. Niet vaststaat of ze voldoende effectief zijn in bestaande stallen. Er ontbreken ook metingen die aantonen in hoeverre de technieken leiden tot een afname van fijnstof in de omgeving en de volksgezondheid ten goede komen. Desondanks zijn de technieken erkend door de overheid.

De burgerwerkgroep Max5Odeur vraagt de overheid reeds verleende erkenningen en toegekende emissiefactoren in te trekken. Ook  de subsidiekraan moet voorlopig dicht blijven. De gang van zaken met de anti-fijnstoftechnieken doet teveel denken aan het luchtwasserschandaal in de varkenshouderij, waar technieken zijn toegepast die in de praktijk niet goed blijken te functioneren. 

Nieuwe metingen
In het rapport ‘’Fijnstof en het sprookje van nieuwe technieken in de pluimveehouderij’’ (link zie onder) pleit de werkgroep voor het uitvoeren van nieuwe metingen, waarbij ook de blootstelling aan fijnstof in de omgeving wordt geregistreerd.  Met dergelijke metingen kan worden gecontroleerd of reductiedoelstellingen worden gehaald.

De afgelopen decennia is de hoeveelheid fijnstof in de lucht verminderd door maatregelen in verkeer en industrie. Het fijnstof uit kippenstallen is daarentegen toegenomen. Op fijnstofkaarten van Nederland zijn duidelijke hotspots te zien in gebieden waar veel kippen worden gehouden.  Talrijke stallen met een zogeheten Beter-Leven-Keurmerk zijn daar mede debet aan.

Overheid en pluimveesector willen dat het fijnstof afneemt. Vijf nieuwe technieken die de uitstoot van fijnstof moeten verminderen, zijn getest en inmiddels toegestaan voor een brede toepassing. De overheid heeft er zogeheten emissiefactoren aan toegekend.  Op 1 juli gaat de subsidiekraan open en kunnen pluimveehouders de technieken aanschaffen. Onverantwoord, vindt de burgerwerkgroep.

Conclusies
Na een analyse van alle publicaties over de nieuwe technieken komt de burgerwerkgroep tot de volgende conclusies:
1. Onderzoekers van Wageningen Universiteit hebben bij het testen onderzoeksprotocollen moeten negeren. Ze spreken zelf over ‘’bewuste omissies’’.
2. De metingen hebben plaatsgevonden in gesloten stallen, terwijl inmiddels 10 miljoen legkippen in stallen zitten met een overdekte uitloop die in directe verbinding staat met de buitenlucht.
3. Er geen rekening gehouden met het gegeven dat technieken in de stal geen effect hebben op de stofdeeltjes die vrijkomen bij het verwijderen van mest uit de stallen, bij de op- en overslag van mest en het uitrijden van mest.

De Burgerwerkgroep Max5Odeur pleit ervoor om in samenwerking met het RIVM een voor iedereen toegankelijk meetsysteem op te zetten in de omgeving van veehouderijen. Zowel de blootstelling aan fijnstof als aan geur en ammoniak kan met een dergelijk meetsysteem worden gemonitord.