SP en GroenLinks vragen om aanzienlijke verlaging geurnormen

De fracties van de SP en GroenLinks willen dat de geurnormen voor de veehouderij aanzienlijk worden verlaagd. Dat hebben ze bij de behandeling van de landbouwbegroting in de Tweede Kamer in een motie kenbaar gemaakt.

De motie is ingediend door SP-er Frank Futselaar, met steun van Rik Grashoff van GroenLinks.
”Constaterende dat bewoners van gebieden met grootschalige veehouderijen in toenemende mate kampen met geuroverlast;
Constaterende dat 355.000 huishoudens in de directe omgeving van veehouderijen hierdoor worden getroffen;
Overwegende dat geldende agrarische geurnormen meer hinder toestaan dan koepelorganisatie GGD GHOR *) adviseert vanuit gezondheidsperspectief;
Verzoekt de regering,
Met een plan van aanpak te komen om de geurhinder door de agrarische sector in afwachting van de Omgevingswet te reduceren en daarbij gelijke geurnormen te hanteren zoals die gelden voor de industrie.”

Landbouwminister Carola Schouten gaf in een reactie aan dat niet zij maar haar collega, staatssecretaris Van Veldhoven (D66), over het onderwerp geur en veehouderij gaat. ”Ik ben geen doorgeefluik”, zei ze. Futselaar zei geen zin te hebben in ‘pingpongen’. Grashoff wees erop dat minister en staatssecretaris hierover met elkaar in overleg kunnen gaan. Over de motie wordt binnenkort gestemd.

Laatste nieuws 12 december 2017: de motie is aangehouden

*) Voor GGDGHOR zie:
https://www.ggdghorkennisnet.nl/thema/omgevingswet/nieuws/6862-intensieve-veehouderij-en-geurhinder

Gaat de veehouderij binnenkort op slot?

Twee milieuorganisaties hebben de Raad van State gevraagd het Programma Akkoord Stikstof (PAS) te schorsen. Mocht de Raad van State hiermee instemmen dan kunnen er voorlopig geen vergunningen in het kader van de natuurbeschermingswet worden afgegeven. Dat zou betekenen dat de veehouderij op slot gaat.

Het PAS is enkele jaren geleden in het leven geroepen om de ammoniakuitstoot te begrenzen en de natuur te herstellen. Voor de begrenzing van de uitstoot is een rekenmodel ontwikkeld (Aerius). Daarmee kan bepaald worden hoeveel ruimte er is voor uitbreiding van activiteiten die gepaard gaan met de uitstoot van ammoniak.
De milieuorganisaties – Coöperatie Mobilisation for the Environment en de Vereniging Leefmilieu – betogen dat er al teveel ontwikkelruimte is uitgegeven. Ze brengen dit naar voren in een beroepszaak tegen een vergunning voor een veehouderij in Kootwijkerbroek.

Leefgebieden van soorten
Onlangs is het Aerius-model bijgesteld. Sindsdien moet niet alleen de ammoniakbelasting op natuurgebieden worden uitgerekend, maar ook op leefgebieden van soorten. Daarmee is bij eerder verleende NB-wetvergunningen geen rekening gehouden. Er blijkt meer ammoniakuitstoot te zijn vergund dan volgens het PAS is toegestaan, aldus de organisaties.
Zij wijzen erop dat het Aerius-rekenmodel nog altijd een ernstige tekortkoming bevat. Als de maximale ammoniakbelasting voor een bepaald gebied wordt overschreden, dan is dat in het model niet terug te vinden. Daarnaast is er het verschil tussen berekeningen en metingen. Metingen tonen al geruime tijd een minder rooskleurig beeld dan berekeningen. De berekeningen laten een daling zien, terwijl de metingen een lichte stijging van ammoniak aantonen. Er wordt met andere woorden feitelijk meer ammoniak uitgestoten dan in de vergunningen is weergegeven. De milieuorganisaties stellen dat gemeenten en provincies onvoldoende gewicht toekennen aan de metingen. Ook wordt er geen rekening gehouden met overtreding van de mestregels.
De organisaties verwachten begin volgend jaar een uitspraak van de Raad van State.
Verzoek om schorsing PAS

Normen voor achtergrondbelasting geur kunnen in bestemmingsplan

Belangrijke uitspraak van de Raad van State: gemeenten kunnen normen voor de achtergrondbelasting van geur opnemen in een bestemmingsplan. Voor deze zogeheten cumulatie (de optelsom van alle stankbronnen in een bepaald gebied bij elkaar) bestaat geen wettelijk toetsingskader. Maar het is wel mogelijk om via normen in het ruimtelijk beleid overlast door veehouderijen terug te dringen.

Het gaat om een uitspraak van 19 juli 2017. De gemeenteraad van Sint Anthonis had het bestemmingsplan voor het buitengebied gedeeltelijk herzien. Daartegen was door een melkveehouder annex varkenshouder bezwaar gemaakt. Het nieuwe bestemmingplan zat namelijk zo in elkaar dat hij niet meer zou kunnen uitbreiden. Volgens de melkveehouder/varkenshouder had de gemeente ten onrechte een eigen geurregeling in het bestemmingsplan opgenomen. Volgens de gemeenteraad was dat noodzakelijk om de ontwikkelingen van veehouderijen vanuit milieuhygiënisch oogpunt te kunnen beoordelen en bij overbelaste situaties een vermindering van de overlast te bereiken.

Cumulatieve geurhinder
De gemeenteraad had in het bestemmingsplan opgenomen dat een veehouder die wil uitbreiden, moet aantonen dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%. Als zou blijken dat de achtergrondbelasting hoger is dan de genoemde percentages, dan dienen er maatregelen te worden getroffen die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting leidt. Deze daling zou tenminste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting moeten compenseren.

Omgevingsweb
Bovenstaande maakt duidelijk dat het om een zeer ingewikkelde zaak gaat. Gelukkig heeft de jurist omgevingsrecht Max Seelen e.e.a. uitgelegd voor de informatieve website Omgevingsweb. Hij interpreteert de uitspraak van de Raad van State aldus:
je kunt regels in je bestemmingsplan over de totale geurbelasting van alle veehouderijen (achtergrondbelasting) opnemen. Dat kan door te bepalen dat er geen vierkante meter voor de veehouderij mag worden bijgebouwd. Van dit bouwverbod mag men vervolgens (binnenplans) afwijken op voorwaarde dat de veehouderij aantoont dat de totale geurbelasting op geurgevoelige objecten (zoals woningen) in de bebouwde kom niet hoger is dan (bijvoorbeeld) 12% en in het buitengebied niet hoger dan 20% (in deze zaak werd aangesloten bij de normstelling van de provinciale verordening). En mocht de achtergrondbelasting toch hoger zijn, dan moet de veehouderij maar maatregelen treffen die leiden tot een daling van de achtergrondbelasting (die in ieder geval de eigen bijdrage moet compenseren).

Tegen deze handelwijze valt na de uitspraak van de Raad van State weinig in te brengen. Seelen stelt vast dat op deze manier geen wettelijk kader wordt doorkruist. Er bestaat voor de beoordeling van de achtergrondbelasting immers geen wettelijk kader. Door deze bredere toetsing in je bestemmingsplan op te nemen, bescherm je het woon- en leefklimaat, schrijft hij.
Hij wijst er verder op dat het niet de bedoeling is om normen voor de zogeheten voorgrondbelasting op te nemen in een bestemmingsplan. Bepalen hoeveel geur een individuele veehouderij veroorzaakt bij een geurgevoelig object is namelijk onderdeel van de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning.

Burgergroepen: overheid moet ingrijpen in ontspoorde veehouderij


(Foto Google Earth)

De veehouderij in Nederland is volledig ontspoord. De rijksoverheid moet ingrijpen, de bedrijven aanzienlijk verkleinen en duidelijke normen stellen. Die normen moeten omwonenden beter beschermen tegen stank, lawaai en gezondheidsschade.

In een brief aan de nieuwe minister van landbouw en staatssecretaris van milieu laten 56 burgergroepen uit het hele land een noodkreet horen. Deze ‘buren van de boeren’ vinden dat de bewindslieden Carola Schouten (LNV) en Stientje van Veldhoven (I&M) in deze regeerperiode orde op zaken moeten stellen. De burgergroepen hebben geen vertrouwen in het vermogen van de sector om zelf ingrijpende veranderingen teweeg te brengen. Er zijn al teveel rapporten verschenen over verduurzaming van de veehouderij. Ondertussen stapelen de misstanden en schandalen zich op.

Stop op mestverwerking
In hun brief doen de burgergroepen 20 concrete voorstellen die op korte termijn moeten leiden tot een verbetering van het leefklimaat in het buitengebied en de dorpen. Een van de voorstellen betreft een voorlopige stop op mestverwerkingsinstallaties. Een ander voorstel is om gecombineerde luchtwassers per direct van de lijst emissie-reducerende technieken te halen. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat het rendement van deze installaties tegenvalt.

Industrie
Niet alleen in Brabant en Limburg, ook elders zijn burgers de dupe van een verdergaande schaalvergroting en intensivering van de veehouderij. Deze bedrijfstak is uitgegroeid tot een industrie, zonder dat deze als zodanig wordt behandeld. Lokale overheden blijken in vergunningtrajecten niet opgewassen tegen gewiekste en intimiderende agrarische adviesbureaus. Omgevingsdiensten missen de expertise om industriële activiteiten te beoordelen, te controleren en handhavend op te treden. In de sector is sprake van een diepgewortelde cultuur waarin overtreding van wetten als normaal wordt beschouwd.

Tweede Kamer
Alleen een rijksbeleid met strakke kaders, primair gericht op bescherming van volksgezondheid en milieu, kan  een einde maken aan een volledig uit de hand gelopen veehouderij. Provincies en gemeenten zijn daar niet toe in staat. De burgergroepen richten zich met hun noodkreet ook tot de Tweede Kamer. Zij vragen om een hoorzitting over de voorgestelde maatregelen.

Brief aan de minister van Landbouw en staatssecretaris Infrastructuur en Milieu

Gezondheidseffecten mestverwerking nog onbekend

De effecten van mestverwerking op de volksgezondheid zijn nog onbekend. ”Ik vind wel dat we daar naar moeten kijken”, zei een woordvoerder van LTO tijdens het symposium over veehouderij en gezondheid op 3 november in Den Bosch. ”We willen geen processen waarbij grote volksgezondheidsproblemen bij optreden.”

De LTO-woordvoerder verwees naar het Kennis Coördinatie Centrum Mestbewerking dat in oprichting is. Daarin zijn mestverwerkers, mestvervoerders, LTO, landelijke en provinciale overheden bij betrokken. Ook het kennisplatform Veehouderij en Gezondheid inventariseert de risico’s. Binnenkort verschijnt er een zogeheten ”kennisbericht mestverwerking.”
Jeroen van Leuken van het RIVM zei: ”Grote vraag is of er ziektekiemen in het milieu terechtkomen via de luchtwassers. Nader onderzoek moet daar meer duidelijkheid over geven.”
Ondertussen heeft de provincie Brabant een adviesbureau in de arm genomen. De provincie wil grootschalige mestverwerking toestaan. Het adviesbureau moet nu de processen en technieken in kaart brengen en de effecten daarvan op de omgeving. Er komt een gezondheidstoetsingskader. Samen met het kennisplatform veehouderij en gezondheid worden de risico’s zo goed mogelijk in beeld gebracht.
De druk vanuit de veehouderij is enorm. Er moeten dringend mestverwerkers bij komen om het mestoverschot weg te werken. Burgers kunnen daartegen in het geweer komen door erop te wijzen dat er mogelijk risico’s zijn voor de volksgezondheid en dat overheden hierover nog geen zorgvuldig besluit kunnen nemen.

Zie ook bericht: Mest ”risicofactor” voor de volksgezondheid”

Burgers kunnen zelf GGD om advies vragen

Burgers die een zienswijze willen indienen tegen een vergunning voor een veehouderij of een mestverwerker, kunnen zelf de GGD om advies vragen. Een GGD is er niet alleen voor de gemeente, maar voor de gehele bevolking. Wanneer een gemeente het niet nodig vindt de GGD in te schakelen, is het dus mogelijk dat gezondheidsrisico’s op verzoek van omwonenden in beeld worden gebracht.
Tijdens het symposium Veehouderij en Gezondheid op 3 november in Den Bosch werd algemeen gepleit voor het vroegtijdig informeren van burgers bij de vestiging of uitbreiding van een veehouderij. Oud GGD-arts Jos van de Sande gaf in een van de workshops het belang aan van een rechtstreekse relatie tussen de GGD en omwonenden. Hij benadrukte ook dat een GGD niet alleen in opdracht van een gemeente werkt.
Hoewel steeds meer gemeenten de GGD om advies vragen bij de vestiging of uitbreiding van een veehouderij, is dat nog lang niet in alle gevallen gebruikelijk.
Omwonenden kunnen daar dus zelf op aansturen. Met een GGD-advies kan een besluit van een gemeente over een vergunningaanvraag beter onderbouwd worden aangevochten.

Gemeenten procederen liever tegen omwonenden dan tegen veehouders

Gemeenten procederen liever tegen omwonenden dan tegen veehouders. Waarom?

Als omwonenden een procedure winnen, dan kost dat de gemeente hooguit enkele duizenden euro’s. Als een bedrijf een procedure wint, dan volgt er een veelal een eis tot schadevergoeding. Die kan in de honderdduizenden euro’s lopen.

Omwonenden van veehouderijen hebben vaak het idee dat gemeenten bij het verlenen van een vergunning zich teveel laten leiden door de belangen van de ondernemer. De eventuele financiële gevolgen spelen hierin een belangrijke rol. Wanneer een rechter in een beroepsprocedure van omwonenden een vergunning vernietigt, loopt een gemeente geen grote financiële risico’s.

Angst voor schadeclaims
Tijdens een van de workshops van het symposium veehouderij en gezondheid, op 3 november in De Bosch, bleek dat gemeenten grote angst hebben voor schadeclaims. Veehouders en hun adviseurs dreigen daar ook mee gedurende het proces van vergunningverlening. Daardoor valt de afweging van belangen – die van omwonenden versus die van de veehouder – vaak uit in het voordeel van degene die de vergunning heeft aangevraagd.

Dat omwonenden een procedure tot planschade kunnen opstarten, maakt op gemeenten weinig indruk. Mocht de planschade worden toegewezen door de rechter, dan is die vaak te verhalen op de veehouder, zo werd tijdens de workshop door een van de deelnemers naar voren gebracht.

Mest ”risicofactor” voor volksgezondheid

Een gram mest bevat gemiddeld miljoenen tot honderden miljoenen bacteriën, waarvan een gedeelte ziekteverwekkend kan zijn. Dit stelt het RIVM in een rapport over de vraag of mest een risicofactor is voor de volksgezondheid.

Het rapport is niet gebaseerd op eigen onderzoek maar op wetenschappelijke studies van anderen. Deze studies wijzen op de aanwezigheid van ziekmakende E. coli-bacteriën in 17% van de onderzochte monsters rundveemest. Gemiddeld was 43% van de varkensmestmonsters positief voor ziekmakende E. coli. MRSA-bacteriën werden slechts in twee publicaties onderzocht en alleen aangetoond in varkensmest.

Op dit moment is onbekend of en in hoeverre verspreiding van micro-organismen uit mest via het milieu bijdraagt aan het optreden van ziekte bij mensen, aldus het RIVM. Verschillende epidemiologische studies wijzen mest aan als risicofactor voor het optreden van infecties. In Nederland is de dichtheid van veehouderijen echter zeer groot. Er wonen relatief veel mensen dichtbij veehouderijen. De verwachting is dat daarmee de druk van ziektekiemen uit mest op het milieu dan ook groter is, wat de risico’s voor de gezondheid mogelijk vergroot.

Mestverwerking
Het RIVM heeft ook bekeken wat er bekend is over de risico’s van mestverwerking voor de volksgezondheid. Emissie vanuit mestverwerkers naar het oppervlaktewater lijkt onwaarschijnlijk, gegeven de grote mate van verwijdering door omgekeerde osmose. Wel is nog onduidelijk in hoeverre emissie kan optreden vanuit luchtwassers van mestverwerkers en of dit gevolgen heeft voor de gezondheid. Ook is onduidelijk in hoeverre dit zich verhoudt tot emissies van pathogenen vanaf bemeste akkers.

Klik hier voor het rapport Verkenning van de microbiologische risico’s van mest voor de gezondheid

Pluimveehouderijen gooien de luiken open: meer stof voor omwonenden

Steeds meer pluimveehouderijen zetten de luiken open om de kippen in overdekte en niet-overdekte uitlopen te laten scharrelen. Zo kunnen ze meer geld verdienen aan het vlees en de eieren. Het Beter Leven Keurmerk stimuleert deze ontwikkeling. De vraag is of omwonenden daar zo blij mee zijn.

Door de stallen te openen, veranderen de emissies van stof, ammoniak en stank. In de meeste gevallen wordt de emissiefactor van gesloten stallen gebruikt, bij gebrek aan emissiefactoren voor open stallen. De natuurlijke ventilatie die optreedt in de overdekte uitlopen veroorzaakt echter andere emissiestromen. Technieken die emissies reduceren werken niet meer optimaal. Het gebruik van luchtwassers is bij natuurlijke ventilatie niet mogelijk. Met de kennis van nu kan gesteld worden dat biologisch gehouden vleeskuikens meer fijnstof uitstoten dan vleeskuikens in gesloten stallen. Ander belangrijk punt is dat de grens van de inrichting verandert door het in gebruik nemen van een vrije uitloop. De afstand van omwonenden tot de inrichting kan daardoor kleiner worden.

Onderzoek
In oktober is er een onderzoek gestart naar de hoogte van emissies van biologisch gehouden pluimvee. In eerste instantie richt het onderzoek zich op de verschillen tussen biologische en reguliere pluimveehouderij, Gekeken wordt of daar emissiefactoren voor de open stallen uit afgeleid kunnen worden. Het kan zijn dat daarna nog metingen noodzakelijk zijn. Hilko Ellen van Wageningen Universiteit & Research gaf tijdens een bijeenkomst van omwonenden van een pluimveebedrijf in Wehl aan dat dit onderzoek ongeveer een jaar in beslag neemt.
Het gemeentebestuur van Doetinchem had de bijeenkomst belegd. In Wehl wil Kemper Kip een biologisch bedrijf starten. Het gemeentebestuur is in afwachting van een GGD-advies. Op de bijeenkomst gingen Wim van der Hoek van het RIVM en Martien Bokma, Hilko Ellen, Nico Ogink en Armin Elbers van de WUR in op vragen van omwonenden.

Het bedrijf dat Kemper Kip wil realiseren is uitzonderlijk qua omvang voor een biologisch bedrijf. Verspreid over 13 stallen zullen circa 50.000 vleeskuikens worden gehouden. Zij krijgen de beschikking over 12 hectare vrije uitloop. Omdat volgens de biologische regels er niet meer dan 16.000 vleeskuikens per locatie mogen worden gehouden, knipt Kemper het bedrijf ter plekke op in meerdere locaties.