Metingen in de praktijk kunnen een hoop dubieus rekenwerk vervangen

Het berekenen van geur en andere emissies uit veehouderijen kent een grote onzekerheidsmarge. De SGP-fractie in de Tweede Kamer vraagt daarom of het mogelijk is om meer te gaan meten. In zo’n meting kunnen ook de emissies van activiteiten die nu nog niet worden berekend, worden meegenomen.

In het antwoord van staatssecretaris Van Veldhoven (I&W) op vragen van de SGP duiken de e-noses weer op. De werkgroep max5odeur heeft daar al eerder voor gepleit. Bij een nulmeting kan de geurbelasting worden vastgesteld voordat er een nieuwe vergunning wordt verleend. Wanneer in een voorschrift bijvoorbeeld wordt opgenomen dat bij uitbreiding de geuremissie hooguit met 10% mag toenemen, kan met behulp van metingen indien nodig handhavend worden opgetreden.

Volgens Van Veldhoven is het zeker een optie. Maar de huidige meettechnieken zijn nog te complex en te duur om op praktijkstallen toe te passen. Er zijn echter diverse ontwikkelingen gaande op het gebied van sensoren voor ammoniak, geur en fijnstof. ”De uitkomsten van lopend onderzoek naar toepassing van sensoren worden gevolgd en bij positieve uitkomsten zal een vervolgonderzoek worden gestart naar de beleidsperspectieven ervan. De Omgevingswet geeft de ruimte om in de toekomst in te kunnen spelen op veranderingen in de stand der techniek”, aldus Van Veldhoven.

VVD wil nader onderzoek luchtwassers

VVD-kamerlid Hema Lodders vindt dat het onderzoek van Wageningen Universiteit naar gecombineerde luchtwassers aan alle kanten rammelt. Ze pleit met haar collega Eric Ziengs voor nader onderzoek. ”Wat de VVD betreft moeten de zaken eerst maar eens goed worden uitgezocht alvorens er allerlei wet- en regelgeving wordt aangepast”, aldus Lodders in een toelichting op kamervragen.

Het aantal bedrijven dat is onderzocht op de verwijdering van geur door gecombineerde luchtwassers, is wel erg klein, aldus Lodders. ”En het is ook gek dat dezelfde luchtwassers in Duitsland en Nederland toch hele andere rendementen halen. Er is op dit moment nog onvoldoende duidelijk, terwijl aanpassing van het beleid enorme consequenties kan hebben voor veehouderijen.”

De VVD trekt de bekende trukendoos open: als de resultaten van een onderzoek je niet bevallen, kraak je het hele onderzoek maar af. Daar is echter weinig reden toe, want het onderzoek laat aan duidelijkheid niets te wensen over.
Het onderzoek is uitgevoerd op 29 varkensbedrijven met een gecombineerde luchtwasser. Deze luchtwassers reduceren op papier de geur met 70% tot 85%. Uit metingen blijkt dat deze luchtwassers gemiddeld een rendement hebben van slechts 40%.

De toegekende hoge reductiepercentages zijn gebaseerd op Duits onderzoek. De Wageningse onderzoekers wijzen erop dat de Duitse reductiepercentages zo hoog uitvallen doordat  luchtwasinstallaties eerst onder begeleiding van de (certificerende) instanties werden geoptimaliseerd en vervolgens tijdens de uitvoering van het meetprogramma ook onder toezicht stonden van deze instanties. Dat zijn hele andere condities dan de metingen die de Wageningers hebben uitgevoerd in de praktijk. Ook de omvang van het onderzoek is volgens de Wageningse onderzoekers geen reden om aan de resultaten te twijfelen. ”De steekproefomvang is voldoende groot om voor de betrokken regio’s te concluderen dat de hier onderzochte groep combi-wassers onvoldoende presteert voor geur.”

Brabant schroeft eisen mestverwerkers op

Mestverwerkers in Brabant moeten maatregelen treffen om de uitstoot van stank en stof te verminderen. De provincie heeft de eisen opgeschroefd vanwege risico’s voor de volksgezondheid.

Op- en overslag van mest moet binnen gebeuren. Bacteriën moeten door verhitting worden gedood. De nieuwe regels zijn van toepassing als een mestverwerker een nieuwe vergunning aanvraagt.

Brabant loopt voorop
Brabant is hiermee de eerste provincie die een onderzoek van het RIVM vertaalt naar beleid. Er is onder burgers veel weerstand tegen de vestiging van mestverwerkers. Gebleken is dat ziekteverwekkende bacteriën vaak in mest voorkomen en dat deze zich kunnen verspreiden via water of lucht.

Om vast te stellen in hoeverre mest bijdraagt aan de ziektelast in Nederland is meer onderzoek nodig, aldus het RIVM. Bekend is wel is dat verspreiding naar het milieu kan plaatsvinden, onder meer doordat micro-organismen en endotoxinen zich kunnen hechten aan stof. De infectierisico’s door blootstelling via de lucht lijken volgens het RIVM op basis van de onderzochte E. colibacterie en de resistente bacterie MRSA kleiner te zijn dan via het oppervlaktewater. Verder blijkt het aantal ziekteverwekkers af te nemen als mest wordt bewerkt.

Geur van stallen en mestverwerker beter beoordelen
De provincie Brabant past nu het voorzorgprincipe toe. Bestaande mestverwerkers zullen bovendien beter worden gecontroleerd. Ook moeten zij hun uitstoot van stof kunnen verantwoorden. Wanneer blijkt dat die te hoog is, kan de overheid ingrijpen. Belangrijk onderdeel van het nieuwe beleid is dat een eigenaar van een veehouderij met een mestverwerker de stank die zijn stallen en installaties veroorzaken niet meer los van elkaar mag beoordelen.

Luchtwasserschandaal: stront aan de knikker

Alleen al in Noord-Brabant staan 2.365.889 varkens in een stal met combi-luchtwassers. De reductiepercentages van deze luchtwassers blijken tegen te vallen: omwonenden krijgen bijna drie keer zoveel stank over zich heen als in vergunningen is vastgelegd. Dat komt overeen met 1.763.124 dieren. Het tekent de omvang van het luchtwasserschandaal dat dankzij de evaluatie van de Wet Geurhinder Veehouderij en het onderzoek van Wageningen Universiteit aan het licht is gekomen.
Lees meer

Emissiefactoren luchtwassers snel aanpassen

De werkgroep max5odeur dringt er bij het ministerie van I&W op aan dat de emissiefactoren voor gecombineerde luchtwassers zo snel mogelijk worden aangepast. Normaal staat voor aanpassing van emmissiefactoren een termijn van tien weken. De werkgroep heeft nog geen signalen dat de procedure reeds is opgestart.

De werkgroep heeft eerder gepleit voor aanpassing. Dat deze installaties weinig effectief zijn in het voorkomen van stankoverlast, is namelijk al geruime tijd bekend. Het ministerie van I&W heeft echter eerst het onderzoek willen afwachten. Nu de slechte prestaties van gecombineerde luchtwassers zwart op wit staan, is langer wachten met het aanpassen van de emissiefactoren onverantwoord, aldus max5odeur.

Geurbelasting twee tot vier keer hoger
Door gebruik te maken van de huidige, veel te optimistische emissiefactoren wordt de stankoverlast vanuit stallen met gecombineerde luchtwassers zwaar onderschat. Uit het onderzoek van Wageningen Universiteit blijkt dat de ”geurbelasting” van omwonenden twee tot vier keer zo hoog is.
Staatssecretaris Van Veldhoven heeft in een brief aan de Tweede Kamer aangegeven iets te willen doen aan de emissiefactoren. Ze toont echter weinig daadkracht, aldus de werkgroep max5odeur. Voor de aanpak van bestaande overlast verwijst ze naar de omstreden 50%-regeling *). Als er na aanpassing van de emissiefactoren sprake is van een overschrijding van de geurnormen, dan kan er toch nog met behulp van deze regeling enigszins uitgebreid worden. Ze miskent daarmee het advies dat door de bestuurlijke werkgroep evaluatie wet geurhinder veehouderij is opgesteld.
In dat advies wordt gewezen op de voorwaarde om bij bestaande overlast de geurbelasting zo veel als redelijkerwijze mogelijk te beperken. ”Hierbij past geen generieke 50% regeling zoals die nu op basis van de Wgv geldt. Gemeenten dienen over voldoende afwegingsruimte te beschikken bij de ontwikkeling van veehouderijen in overbelaste situaties. Op die manier kan rekening worden gehouden met de mogelijkheden om de overbelasting op te heffen dan wel zo veel mogelijk te beperken. Dat kan door aandacht te hebben voor de oorzaak van de overbelasting, de aard van de overbelaste locaties en de kosten van de te nemen maatregelen en de gezondheidslast. De gemeente kan daarbij maatregelen betrekken op het gebied van de bedrijfsvoering, het ontwerp van het bedrijf en andere activiteiten op het erf, zoals het opslaan en omgaan met mest en voer.”

Schakel jurist in
Max5odeur adviseert omwonenden van stallen met een gecombineerde luchtwasser om een jurist in te schakelen. Er is een civielrechtelijke procedure mogelijk tegen de gemeente, omdat deze vergunningen heeft afgegeven op basis van onjuiste inzichten. Ook is het mogelijk om een verzoek om handhaving in te dienen bij de gemeente, indien na herberekening blijkt dat de geurnormen worden overschreden.

Tot dusver erkent alleen Brabant het probleem
Max5odeur vindt het geen goede zaak als de aanpak van het luchtwasserschandaal wordt overgelaten aan overheid en veehouders. Omwonenden moeten daar als gedupeerden actief bij worden betrokken.
De provincie Brabant is tot dusver de enige die erkent dat er een groot probleem is. In Brabant staan 6 miljoen varkens in stallen met een gecombineerde luchtwasser. Het gaat om 732 bedrijven met 2.000 combi-luchtwassers, zo heeft de provincie bekend gemaakt.
”Om te voorkomen dat de geurproblematiek in de tussentijd nog erger wordt, werken de provincie Noord-Brabant, de Brabantse gemeenten en de omgevingsdiensten op korte termijn een gezamenlijke aanpak uit. De hoofdlijn van deze aanpak is dat zij al het mogelijke zullen doen om geen vergunningen meer te verlenen, waarbij de slechter presterende combi-luchtwassers tot overlast leiden. In sommige gevallen zullen gemeentebesturen hiervoor het gesprek met de betreffende ondernemers aangaan om tot maatwerk-oplossingen te komen”, zo heeft de provincie bekend gemaakt.

*) De 50%-regeling houdt in dat een bedrijf, dat bij uitbreiding door toepassing van technieken de geuremissie terugdringt, de helft van deze ”emissiewinst” mag gebruiken voor het houden van meer dieren.

Brief aan staatssecretaris Van Veldhoven over onderzoek luchtwassers 10042018

Varkenshouderij heeft nu ook een luchtwasserschandaal

De varkenshouderij in Nederland heeft na de mestfraude nu ook een luchtwasserschandaal. Uit onderzoek is gebleken dat varkenshouderijen met een gecombineerde luchtwasser drie keer zoveel stank veroorzaken als vergund. Reductiepercentages zijn jarenlang veel te hoog ingeschat. Gevolg: het aantal plaatsen waar de geurnormen worden overschreden is veel groter dan tot dusver aangenomen.

Gecombineerde luchtwassers reduceren stank niet met 80% maar slechts met 40% , zo is na onderzoek door Wageningen Universiteit komen vast te staan. Ook de reductie van ammoniak valt zwaar tegen: geen 85% maar 59%.
Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat geeft in een brief aan de Tweede Kamer aan dat het in totaal om ruim duizend luchtwassers gaat die niet doen wat ze zouden moeten doen. Verwezen wordt naar Duitse testen waarop de veel te optimistische reductiepercentages zijn gebaseerd. Een vergelijking met ”dieselgate” dringt zich op.
”Luchtwassergate” is misschien nog wel een graadje erger.

De burger is belazerd
De burger is belazerd met mooie praatjes van boeren en vergunningverleners die beloven dat het woon- en leefklimaat na plaatsing van een luchtwasser stukken beter wordt. In plaats van een verbetering leidde een luchtwasser vaak tot een verslechtering, omdat plaatsing van zo’n installatie gepaard ging met een uitbreiding van het aantal dieren. Daar komt nog eens bij dat stank uit veehouderij leidt tot gezondheidsklachten.

Ook al heeft de techniek gefaald, het ministerie houdt geloof in technische oplossingen.  Er komt een commissie die op korte termijn gaat onderzoeken welke maatregelen mogelijk zijn in gebieden waar de normen worden overschreden. Bekend is echter dat
er bijna geen bewezen en redelijk betaalbare technieken zijn die stank drastisch reduceren.
Het ministerie kondigt verder aan dat het onderzoek gevolgen heeft voor de vergunningverlening. Bij een aanvraag voor een nieuwe vergunning moet rekening worden gehouden met aangepaste reductiepercentages. Bedrijven die willen uitbreiden komen niet geheel op slot te zitten, aldus staatssecretaris Van Veldhoven. Ze kunnen gebruik maken van de zogeheten 50%-regeling. Wanneer in één of meerdere stallen binnen het bedrijf een techniek wordt toegepast die de geuremissie reduceert, kan de helft van deze geurwinst worden gebruikt voor uitbreiding.
Van Veldhoven stelt vast dat er voor bestaande bedrijven met gecombineerde luchtwassers niets verandert. ”De ondernemer heeft de investering immers gedaan op basis van een vergunning die door het bevoegd gezag is afgegeven en mag dus handelen in overeenstemming met die vergunning. Dit geldt ook voor een melding in het kader van het Activiteitenbesluit.”
Verzuimd wordt te vermelden dat het bevoegd gezag verplicht is vergunningen geregeld te actualiseren. Lees meer over de actualiseringsplicht

Brief aan Tweede Kamer onderzoek-naar-het-rendement-van-luchtwassers-voor-de-veehouderij

Falen luchtwassers al bijna drie jaar bekend

Het falen van gecombineerde luchtwassers is al bijna drie jaar bekend bij het ministerie van I&W. Desondanks zijn deze installaties tot op heden vergund, vooral in de varkenshouderij en kalverhouderij.

Aan de gecombineerde luchtwassers is al die tijd een overdreven hoog reductiepercentage voor geur toegekend: 75% tot 80%. Recent onderzoek van Wageningen Universiteit bevestigt nu dat deze hoge percentages niet haalbaar zijn. Daardoor is de stankoverlast in de omgeving groter dan in de vergunningen is opgenomen. Het onderzoek wordt binnenkort openbaar gemaakt, zo bericht nu ook het Eindhovens Dagblad.

De werkgroep max5odeur berichtte al in 2015 over de overschatting van het rendement van luchtwassers. In overleg met het ministerie is gevraagd de gecombineerde luchtwassers voorlopig van de RAV-lijst te halen, zodat ze niet langer vergund zouden kunnen worden. Medio 2017 heeft de werkgroep gepleit voor een aanhoudingsbesluit.
In een brief aan het ministerie werd door de werkgroep max5odeur in november 2017 opnieuw gewezen op de noodzaak om aan de gecombineerde luchtwassers een veel lager reductiepercentage toe te kennen.

Al in 2011 bleek uit onderzoek van Wageningen Universiteit dat de gecombineerde luchtwassers niet voldeden aan de verwachtingen. Desondanks is met behulp van veel overheidsgeld de vergunningverlening van deze installaties gestimuleerd.
Bij de toelating van de gecombineerde luchtwassers op de zogeheten RAV-lijst, heeft de Technische Advies Commissie RAV zich gebaseerd op Duits onderzoek, zo blijkt uit de leaflets waaraan de installaties moeten voldoen.
Volgens de Provincie Brabant zou een derde van alle varkens in deze provincie gehuisvest zijn in stallen met een gecombineerde luchtwasser.

Ministeries negeren noodkreet 56 burgergroepen

De ministeries van Infrastuctuur en Waterstaat (I&W) en Landbouw (LNV) negeren een noodkreet van 56 burgergroepen om het leefklimaat in de buurt van veehouderijen snel te verbeteren. Het zal het nog enige tijd duren voordat de rijksoverheid in actie komt.

Strengere regels voor de uitstoot van stank, zijn op korte termijn niet te verwachten. ”De problematiek van de geurhinder is onderdeel van de integrale aanpak van de verduurzaming van de veehouderij”, schrijven de ministeries in een brief aan de burgerwerkgroep max5odeur.
De ministeries reageren hiermee op een noodkreet die de burgerwerkgroep in november vorig jaar had verzonden mede namens 56 burgergroepen uit Brabant, Limburg, Gelderland, Overijssel en Friesland. Die noodkreet bevatte twintig concrete actiepunten die volgens de groepen nodig zijn om het leefklimaat in de buurt van veehouderijen op korte termijn aanzienlijk te verbeteren.

De verwijzing naar de ”integrale aanpak” is niet nieuw. Staatssecretaris Van Veldhoven had het daar al eerder over in een overleg met de Tweede Kamer. Hoe het er met die integrale aanpak van de verduurzaming van de veehouderij voorstaat, melden de ministeries niet. Wanneer omwonenden nieuwe regels voor geurhinder tegemoet kunnen zien, evenmin. Op het gebied van stof is de brief wat concreter: ”Op dit moment wordt gewerkt aan het Nationaal Actieprogramma Luchtkwaliteit, waarbij gezondheid centraal staat. Dit nationaal actieprogramma zal eind 2018 aan de Tweede Kamer worden gezonden.”

Mestverwerking
Tegenover dit lichtpuntje staat dan weer dat de ministeries de mestverwerkingsinstallaties – bronnen van stank en ander ongemak – ongemoeid laten. De burgergroepen vinden dat deze installaties op minstens 2 km van hun woningen moeten worden geplaatst. Het ministerie van I&W stelt dat onderzoeken naar mogelijke risico’s van mestverwerking geen aanleiding geven de afstanden (voor mestvergisters geldt een advies van 100 meter) te herzien. Het ministerie gaat hiermee voorbij aan de conclusie van een onderzoek van het RIVM  dat de gevolgen van mestverwerking voor de volksgezondheid nog onbekend zijn.
Waarom het ministerie van I&W het voorzorgprincipe niet wil toepassen, wordt duidelijk uit de antwoorden van het ministerie van LNV op het voorstel van burgers om een stop af te kondigen op mestverwerkers. Deze installaties zijn nodig om milieu- en klimaatdoelstellingen te halen, aldus het ministerie. Het ministerie zegt het niet met zoveel woorden, maar in feite is dat wel het standpunt: mestverwerkers moeten, desnoods over de rug van omwonenden.

Controle
Op de roep van burgers om meer en betere controle, voert het ministerie aan dat er een Nederlands Centrum voor Mestverwerking komt. Dat centrum verzamelt kennis over mestverwerking en de effecten daarvan op de leefomgeving. Deze kennis zal beschikbaar worden gesteld aan sector en overheidspartijen, aldus het ministerie. Dat dit centrum een ”dingetje” is van commerciële partijen, gesteund door LNV, wordt niet vermeld. Laat staan dat het ministerie ingaat op de grootschalige mestfraude, waarvan nog onduidelijk is in hoeverre de participanten van het centrum daarbij betrokken zijn geweest.

Hoog ”zo-is-het-nu-eenmaal”-gehalte
De brief van beide ministeries heeft een hoog ”zo-is-het-nu-eenmaal”-gehalte. Op veel voorstellen van burgers voor verbetering van de leefomgeving, komt als antwoord dat de wet- en regelgeving is zoals die is. Op de suggestie om veel stof en stank producerende huisvestingssystemen, zoals volièrestallen, van de lijst met goedgekeurde systemen (de zogeheten RAV-lijst) te halen, reageert het ministerie van I&W met: ”deze systemen hebben een lagere emissie van ammoniak en fijnstof dan grondhuisvesting en zijn daarom in de RAV-lijst opgenomen”. Het ministerie sluit de ogen voor een onderzoek naar feitelijke emissies. Daaruit blijkt dat de ammoniakemissie twee keer zo hoog is, als in de RAV-lijst staat aangegeven.

Oogkleppen
Dezelfde oogkleppen zet het ministerie van I&W op als het gaat om onderzoek naar het effect van emissiereducerende technieken in open pluimveestallen. Het voorstel om deze technieken tijdelijk van de RAV-lijst te halen in afwachting van de resultaten van het onderzoek, vindt geen gehoor. ”De technieken staan op de RAV-lijst om stallen met emissiereducerende technieken mogelijk te maken.” Dat daardoor op grote schaal op dit moment technieken worden vergund die – net als luchtwassers – niet doen wat ze beloven, dat is kennelijk van later zorg. Over de luchtwassers komt overigens binnenkort wel meer duidelijkheid. De brief kondigt een rapport aan met beleidsconclusies.

Mestfraude
Dat de ministeries nauwelijks oog hebben voor de gevolgen van de uitwassen van de veehouderij voor de inwoners van het buitengebied, blijkt ook uit de reactie op het voorstel van burgers om de oorzaak van mestfraude aan te pakken. Geen woord over de gezondheidsschade van alle illegaal uitgereden mest. Er wordt slechts opgemerkt dat door frauduleus handelen de milieukwaliteit en de inning van drinkwater in gevaar is gebracht. Verder verwijst het ministerie naar een plan van aanpak dat door de sector is opgesteld.

Minder dieren
Het voorstel om de omvang van de veehouderij te beperken, wordt op vergelijkbare wijze afgedaan. Eerst een technisch verhaal over de meststoffenwet, dierrechten en concentratiegebieden, dan de opmerking dat het kabinet aandacht heeft voor de problematiek en vervolgens een verwijzing naar decentrale overheden en bedrijfsleven over een goede besteding van de €200 miljoen voor een warme sanering van de varkenshouderij. Geen woord over hoe de burger hierbij betrokken zou kunnen worden. Pas bij de reactie op het voorstel om de varkens- en pluimveerechten van stoppende ondernemers uit de markt te halen, valt iets van erkenning van gezondheids- en leefomgevingsrisico’s te bespeuren. In het regeerakkoord is aangegeven dat met de sector en de provincies wordt gekeken naar een aanpak van deze risico’s. Maar ook hier geen woord over hoe de burger hierbij betrokken zou kunnen worden. Wel de opmerking dat die aanpak zal worden beperkt tot gebieden met een zeer hoge veedichtheid, terwijl dezelfde risico’s zich ook in minder veedichte gebieden voordoen.

Gezondheidsraad: duidelijke aanwijzingen voor gezondheidseffecten, geen hard bewijs

De aanwijzingen dat er een verband is tussen gezondheidseffecten en veehouderij worden steeds sterker, maar hard bewijs voor een oorzakelijk verband ontbreekt nog. Niettemin is een reductie van de uitstoot van fijnstof en van ammoniak van belang. Welke reductieniveaus hierbij moeten worden nagestreefd is een politieke afweging.

Dat is de kern van het advies van de Gezondheidsraad over de gezondheidsrisico’s van wonen in de buurt van veehouderijen. De Gezondheidsraad heeft al het beschikbare landelijke en internationale wetenschappelijk onderzoek erop nageslagen, inclusief het in 2016 en 2017 gepubliceerde onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO).

Gegevensbasis nog te smal
Het VGO legde op basis van grootschalig onderzoek in Brabant en Limburg het verband bloot tussen veehouderijen en gezondheidseffecten bij omwonenden: in de omgeving van pluimveehouderijen en geitenhouderijen komt meer longontsteking voor; in veedichte gebieden is eveneens sprake van meer luchtwegklachten.
De Gezondheidsraad stelt dat de aanwijzingen voor het gevonden verband wel duidelijker zijn geworden, maar over het geheel genomen is de gegevensbasis nog te smal om te spreken van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten.

Fijnstof
Dat alle fijnstof schadelijk is, ook de grovere fractie (PM2,5-10) in de omgeving van veehouderijen, wordt volgens de Gezondheidsraad steeds duidelijker. Wel kan het spectrum van de gezondheidseffecten anders zijn dan in een stedelijke omgeving, vanwege de hogere concentraties endotoxinen en micro-organismen (bacteriën, parasieten, schimmels en virussen) in de deeltjescocktail rond veehouderijbedrijven, aldus de Gezondheidsraad. Preciezere uitspraken hierover zijn bij de huidige stand van kennis echter nog niet mogelijk.

Geurhinder
De Gezondheidsraad kijkt, mede op aanraden van geraadpleegde deskundigen, verder dan fijnstof. Welbevinden en leefbaarheid hangen ook samen met gezondheidsrisico’s. ”In verband hiermee dient het beleid zich bijvoorbeeld ook te richten op het terugdringen van geurhinder en op een betere naleving van de bestaande voorschriften op dit gebied. Ook is er blijvende aandacht nodig voor nieuwe vormen van bedrijfsvoering en bedrijfshygiëne. Daarvan zullen niet alleen omwonenden kunnen profiteren, maar ook werknemers in de veehouderijsector. Bovendien zal het dierenwelzijn ermee gediend kunnen worden.”

Hart- en vaatziekten en longkanker
Verder doet de Gezondheidsraad nog een opmerkelijke uitspraak over hart- en vaatziekten en longkanker. Onderzoek naar de relatie tussen deze ziekten en veehouderijen ontbreekt. In stedelijke omgevingen is dat risico wel uitvoerig onderzocht. ”Deze gezondheidseffecten zijn met zekerheid of grote waarschijnlijkheid het gevolg van blootstelling aan fijnstof.”
De Gezondheidsraad neemt het advies van de Commissie Luchtkwaliteit over om emissies uit bronnen aan te pakken die de ‘deken’ van fijnstof boven Nederland veroorzaken. De landbouwsector is een van die bronnen. Vervolgonderzoek is voor de onderbouwing van dit beleid niet nodig, aldus de Gezondheidsraad. Met andere woorden: er is genoeg bekend, doe er wat aan.

Gemeenten kunnen zelf geitenhouderij aan banden leggen

Gemeenten zijn helemaal niet afhankelijk van provincies om uitbreiding van geitenhouderijen en pluimveehouderijen tegen te gaan. Ze kunnen zelf een beroep doen op het voorzorgbeginsel.

Dat blijkt uit een advies dat GGD IJsselland heeft opgesteld voor het college van B&W van de gemeente Olst Wijhe. Aanleiding voor het advies is een aanvraag van een pluimveehouderij voor uitbreiding met 20.000 leghennen. De emissies (ammoniak, geur en fijnstof) van het bedrijf zouden met ongeveer 50% toenemen. Volgens de GGD kan de gemeente op basis van het voorzorgbeginsel de vergunning weigeren of aanvullende eisen stellen.

”Met name de bevinding van een verhoogd risico op longontsteking van 11% door een individueel bedrijf bij omwonenden van pluimveebedrijven is in wetenschappelijke zin relevant en evident, hoewel het oorzakelijk verband niet volledig vaststaat. Wel laten meerdere onderzoeken dezelfde verbanden zien”, aldus de GGD. De GGD stelt dat dit statistisch verband geldt voor alle pluimveebedrijven in Nederland.

Wat voor de pluimveehouderij geldt, is ook van toepassing op de geitenhouderij. Zoals bekend hebben de provincies Brabant en Gelderland een stop afgekondigd op de geitenhouderij, totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaken van het verhoogde risico op longontsteking bij omwonenden. De provincie Overijssel ziet vooralsnog af van een dergelijk besluit.

Hoogspanningsleidingen
Uit het advies van de GGD valt af te leiden dat gemeenten een dergelijke provinciale stop helemaal niet nodig hebben. De GGD trekt een parallel met hoogspanningsleidingen. Er is een statistisch verband tussen wonen in de buurt van hoogspanningslijnen en het risico op leukemie bij kinderen. ”Ondanks de onzekerheden over de gevonden relatie worden er uit voorzorg tientallen miljoenen euro’s uitgegeven aan het uitkopen van huiseigenaren, zoneren, verkabelen en ondergronds brengen van hoogspanningslijnen”, aldus GGD IJsselland. ”Op basis van het voorzorgsbeginsel lijkt het daarom mogelijk om maatregelen te nemen of te eisen die verder gaan dan de wettelijke verplichtingen.”

De werkgroep max5odeur adviseert omwonenden die te maken krijgen met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen en pluimveehouderijen via een zienswijze gemeenten te wijzen op toepassing van het voorzorgbeginsel. Raadpleeg daarbij ook Infomil. Deze website van de overheid met uitleg van de wet- en regelgeving heeft sinds kort een pagina over veehouderij en gezondheid. Op het gebied van fijnstof en ammoniak kunnen gemeenten en provincies voor grote bedrijven eisen stellen die verder gaan dan de zogeheten Best Beschikbare Technieken (BBT).