Klimaatzaak Urgenda biedt perspectief voor proces stank veehouderij

De uitspraak van het gerechtshof in de klimaatzaak van Urgenda biedt perspectief voor het proces tegen de staat over de onrechtmatigheid van stankoverlast door veehouderijen. Twee artikelen uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) zijn daarbij relevant.

Volgens het gerechtshof rust op de Staat op grond van artikel 2 EVRM de positieve verplichting om het leven van burgers binnen zijn jurisdictie te beschermen. Artikel 8 EVRM schept de verplichting om het recht op woning en privéleven te beschermen.

Deze verplichting geldt voor alle activiteiten, publieke en niet-publieke, die de aldus beschermde rechten in gevaar kunnen brengen en geldt zeker als sprake is van industriële activiteiten die naar hun aard gevaarlijk zijn.
”Wanneer de overheid weet dat er sprake is van een reëel en onmiddellijk dreigend gevaar, moet de Staat preventieve maatregelen nemen om de aantasting zoveel mogelijk te voorkomen”, aldus het hof in de uitspraak over de klimaatzaak van Urgenda.

Het hof is het niet met de Staat eens dat de rechter hier niets over te zeggen heeft. ”De rechter moet  rechtstreeks werkende bepalingen van verdragen waarbij Nederland partij is toepassen. Deze bepalingen maken deel uit van de Nederlandse rechtssfeer en zij hebben zelfs voorrang boven Nederlandse wetten die daarvan afwijken.”

Het gaat dus om beschermde rechten die in gevaar worden gebracht. Tot die rechten behoren het recht op leven en op gezinsleven. In recent gevoerde gesprekken met de commissie Biesheuvel hebben omwonenden van veehouderijen aangegeven hoe ingrijpend de gevolgen zijn van stank voor hun privéleven en voor dorpsgemeenschappen. Stank uit veehouderijen veroorzaakt stress bij omwonenden, er ontstaan spanningen in het gezin, spanningen met de buren, het leidt ertoe dat mensen na een dag hard werken niet graag naar huis gaan.

Deze getuigenissen zijn opgetekend door de commissie Biesheuvel en zullen worden meegenomen in een advies aan staatssecretaris van het ministerie van I&W Stientje van Veldhoven. Het rapport wordt eind dit jaar, begin volgend jaar aan de staatssecretaris overhandigd. De commissie is ingesteld om te adviseren over de aanpak van falende luchtwassers en het geurbeleid op de langere termijn.

Volg hier het werk van de commissie Biesheuvel
Volg hier het nieuws over het proces tegen de staat 

Slachtoffers stankoverlast eisen lagere geurnormen en aanpassing van stallen

De twintig eisers in het proces tegen de staat over de stank uit de veehouderij zetten in op een verlaging van bestaande geurnormen. Ook eisen ze dat bestaande stallen en vergunningen worden aangepast.

Verleende vergunningen die stankoverlast faciliteren, moeten worden gewijzigd en in ernstige gevallen worden ingetrokken, zo heeft een delegatie van de eisers gisteren in een gesprek met het ministerie van I&W aangegeven. Het gesprek met het ministerie volgde op een brief die op 18 juni is verzonden.
In het gesprek is door een delegatie van de eisers kenbaar gemaakt dat de overheid dient in te grijpen: de huidige regelgeving ter voorkoming van geurhinder moet veranderen. De regels bieden immers onvoldoende bescherming tegen stankoverlast. De eisers willen met het proces tegen de staat bereiken dat de geurnormen worden aangepast:

  • 2 odeur (woonkern) tot 5 odeur (buitengebied) voorgrondbelasting en 5 tot 10 odeur achtergrondbelasting;
  • de gemeentelijke speelruimte tot 35 odeur moet verdwijnen en worden beperkt tot maximaal 10 odeur;
  • het onderscheid tussen concentratie- en niet concentratiegebieden moet worden afgeschaft.

Als uitgangspunt zou moeten gelden dat er geen sprake is of blijft van een
overbelaste situatie voor geur (voorgrond of achtergrond).
Verder dient per geval te worden onderzocht of het gerechtvaardigd is bestaande vergunning in stand te laten en hoe omwonenden in dat geval gecompenseerd worden voor bovenmatige overlast. Voor elke zogeheten odour unit die bijdraagt aan bovenmatige overlast, moet de staat of de gemeente in de buidel tasten.

Naarmate de overbelasting langer duurt wordt het bedrag per odour unit hoger, aldus de eisers, die worden bijgestaan door advocaat Nout Verbeek en jurist Valentijn Wösten.

”De veehouders veroorzaken de overlast. De overheid probeert de veehouders zo veel mogelijk te faciliteren. De omwonenden betalen de rekening in stank. Deze vicieuze cirkel moet doorbroken worden. Alleen de overheid kan die doorbreken. Naar de mate waarin dit tijd kost moeten de omwonenden gecompenseerd worden, bijvoorbeeld door middel van een schadevergoeding per odour unit overbelasting.Als de overheid niet bereid is de regels voor vergunningverlening aan te passen, zijn de omwonenden genoodzaakt hun belangen civielrechtelijk te verdedigen. Dat zal uiteindelijk leiden tot grote financiële problemen voor de veehouders. De veehouders zullen het op den duur afleggen”, zo wordt gesteld door de eisers.

Gedupeerden stankoverlast stellen staat aansprakelijk

Achttien Nederlandse burgers uit Brabant, Limburg, Gelderland en Overijssel gaan de staat aansprakelijk stellen voor de geleden schade door stankoverlast. Vandaag is er een brief uitgegaan naar de minister van landbouw, waarin deze wordt uitgenodigd voor overleg over de ontstane situatie. Het is een laatste poging van de gedupeerden om een rechtsgang te voorkomen.

Burgers worden onvoldoende beschermd door de bestaande regelgeving, aldus advocaat Nout Verbeek, die samen met de milieujurist Valentijn Wösten de procedure zal aanspannen. Woongenot is een grondrecht. De staat handelt onrechtmatig door dit grondrecht onvoldoende te verzekeren, aldus Verbeek. De geurnormen moeten worden aangepast en de gedupeerde burgers die jarenlang in de stank hebben gezeten, moeten worden gecompenseerd.

Een van de gedupeerden, Piet Catsburg uit het Brabantse dorp Zeeland, heeft een verslaggever van de NRC uitgenodigd om eens te komen ruiken. Catsburg: ”Het is een geurdeken, die met de wind mee naar onze huizen komt zeilen. Dag in dag uit, elke dag van het jaar. Soms moet ik er bijna van overgeven. Mijn huis is onverkoopbaar geworden. Ruik eens: wie wil hier nog wonen?” Ook Valentijn Wösten komt in de NRC aan het woord: ”Wij strijden tegen de leugens van milieuwetgeving. Want met de huidige regelgeving worden niet de burgers beschermd tegen geurhinder, maar zijn de normen versoepeld. Daardoor kan de overheid mooi weer spelen.”

Lees ook Toelichting Wosten Wgv Staat Gedaagd 13 juni 2018
Lees ook het artikel in het Brabants Dagblad: Brabantse plattelandsbewoners klagen staat aan voor de stank

Proces tegen de staat vanwege stank veehouderij

De stankoverlast die omwonenden ondervinden van veehouderijen wordt de inzet van een proces tegen de staat. De jurist mr. Valentijn Wösten spant de zaak aan namens burgers uit Brabant, Limburg en Gelderland. Hij werkt daarbij samen met de advocaat Nout Verbeek.

Wösten en Verbeek stellen dat de woonkwaliteit van omwonenden onvoldoende is gewaarborgd. De wettelijke geurnormen bieden niet genoeg bescherming. Ze verwijten de overheid nalatigheid als het gaat om het voorkomen van stankoverlast. De huidige geurnormen zijn veel te hoog, die zullen naar beneden moeten. Ook zal er rekening moeten worden gehouden met cumulatie: de uitstoot van meerdere veehouderijen in een bepaald gebied dient bij elkaar te worden opgeteld.

Het is nog niet bekend wanneer de zaak voor de rechter komt.
In het audiofragment van Radio 1 (7 maart 2017) licht Geert Verstegen van het Burgerplatform Minder Beesten het proces tegen de staat toe.

De werkgroep max5odeur steunt het proces tegen de staat.