GGD Brabant: 2 km afstand geitenhouderij en woningen

Gevallen van longontsteking kunnen worden voorkomen door een afstand van 2 kilometer aan te houden tussen een geitenbedrijf en omwonenden. Dit stelt de Brabantse GGD in een reactie op het onderzoek van Veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO).
De GGD noemt het verhoogde risico op longontsteking rondom geitenhouderijen zorgelijk, mede omdat niet duidelijk is waardoor dit wordt veroorzaakt. ”Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak, beschouwt de GGD vanuit gezondheid de afstand van 2 kilometer als kritisch omdat er binnen deze afstand sprake is van een grotere kans op longontsteking”, aldus de GGD.
Reactie GGD Brabant op VGO augustus 2017

Ruim 600 gevallen van longontsteking door geitenhouderij Gelderland

In Gelderland doen zich jaarlijks ruim 600 gevallen van longontsteking voor die samenhangen met de aanwezigheid van een geitenhouderij. Dit heeft de Gelderse GGD becijferd op grond van het onderzoek naar Veehouderij, gezondheid omwonenden (VGO). De Gelderse GGD komt uit op een verhoogd risico op longontsteking van 10%.

Dit percentage wijkt af van het risicopercentage dat wordt aangehouden in het VGO-onderzoek. De VGO-onderzoekers gaan uit van een extra risico op longontsteking in de buurt van geitenhouderijen van 5,4%.
De GGD heeft een herberekening gemaakt omdat er in Gelderland meer woningen in het 2 km gebied rond geitenhouderijen liggen dan in het onderzoeksgebied. In totaal wonen in Gelderland 225.000 inwoners binnen een straal van 2 km rond een geitenhouderij.
De GGD Gelderland heeft een notitie opgesteld in opdracht van de Provincie Gelderland. Die heeft in augustus, mede op basis van de risico-inschatting van de GGD, besloten tot een geitenstop. Volgens de GGD zijn de genoemde aantallen eerder een onderschatting dan een overschatting van de werkelijke aantallen.

Notitie_Geitenhouderij_en_gezondheid_–_duiding_van_het_extra_risico_op_longontsteking_bij_omwonenden_van_
geitenhouderijen_in_Gelderland

Duizend tot vijftienhonderd longontstekingen door pluimveehouderij

Landelijk gezien doen zich bij omwonenden van pluimveehouderijen zo’n duizend tot 1500 longontstekingen extra per jaar voor. Dat zei prof. Dick Heederik in een toelichting op het gezondheidsonderzoek onder omwonenden. Hij praatte op 13 september de Tweede Kamer bij over nieuwe bevindingen.

Heederik was eerder altijd terughoudend over het vertalen van de regionale onderzoekresultaten naar landelijk niveau, maar op grond van recente resultaten durft hij wel landelijke aantallen te noemen. Het risico is behoorlijk constant en ligt op ongeveer 7% van alle longontstekingen bij omwonenden van pluimveehouderijen.
De oorzaak moet worden gezocht in stof en endotoxinen, hoewel specifieke bacteriën niet kunnen worden uitgesloten.

Voor de geitenhouderij ligt het percentage op 5,4%. Over de exacte oorzaak van deze longontstekingen tast men nog in het duister. Toch heeft Heederik wel een idee: een plausibele verklaring kan worden gezocht in het mestmanagement. Sinds de Q-koortsepidemie moet de mest gedurende een maand afgedekt op het bedrijf blijven liggen. Als na die periode het afdekmateriaal wordt verwijderd, komen er bacteriën en schimmels vrij, afkomstig van het composteringsproces, aldus Heederik. ”Mensen die veel buiten zijn, lopen een veel hoger risico dan mensen die weinig buiten komen. Dat verhoogde risico zien we vooral bij de geiten.”

De oplossing van het gezondheidsprobleem moet worden gezocht in een lokale aanpak, op bedrijfsniveau. Daar moeten de emissies naar beneden, aldus Heederik. De risico’s kunnen worden beperkt door de mest direct af te voeren.

https://debatgemist.tweedekamer.nl/debatten/rapport-veehouderij-en-gezondheid-omwonenden-aanvullende-studies

Meer dieren dan vergund in zeker zes Brabantse gemeenten

In zeker zes Brabantse gemeenten worden meer dieren gehouden dan vergund. Het gaat om veertig procent van vijftien onderzochte gemeenten. Tot deze conclusie komt de provincie Brabant na een onderzoek naar overtredingen binnen de veehouderij.

Het onderzoek heeft een hele reeks aan overtredingen aan het licht gebracht. Daardoor liggen de emissies van fijnstof, geur en ammoniak hoger dan op grond van vergunningen wordt aangenomen. In totaal zijn dertig veehouderijen onder de loep genomen.

Het blijkt dat gemeenten veel te weinig handhaven. Dit terwijl duidelijk is dat er teveel dieren worden gehouden, luchtwassers niet aan staan, en de bedrijfsvoering niet in overeenstemming is met het vergunde stalsysteem. Allemaal overtredingen die een grote impact hebben op de leefomgeving.

Vooral bij pluimveebedrijven was sprake van andere systemen dan vergund.
Verder laat de opslag van mest – volgens voorschrift in een afgesloten container of afgesloten compartiment – bij enkele bedrijven veel te wensen over, waardoor sprake is van verhoogde ammoniakemissies.

Emissiebeperkende maatregelen
De veehouderijen krijgen subsidie voor emissiebeperkende maatregelen en mogen dankzij deze maatregelen vaak meer dieren houden. Maar dan moet er wel een registratie worden bijgehouden van de toepassing van deze maatregelen. Luchtwassers moeten elektronisch worden gemonitord. Bij een derde van de bedrijven was er óf in het geheel geen sprake van elektronische monitoring of de registratieapparatuur was nog niet op orde.

Aan het onderzoek is deelgenomen door veehouderijen in Bernheze, Mill en Sint Hubert, Sint Anthonis, Sint-Michielsgestel, Bergeijk, Deurne, Gemert-Bakel, Laarbeek, Heeze-Leende, Oirschot, Reusel-de Mierden, Hilvarenbeek, Oisterwijk, Roosendaal en Werkendam.

Inspectierapport IBT_veehouderij Brabant

Lees ook het commentaar op het rapport van Mens, Dier en Peel

Onderzoekers meten verdubbeling ammoniakuitstoot bij leghennen

Er zijn sterke aanwijzingen dat leghennen in zogeheten volièresystemen veel meer ammoniak produceren dan in vergunningen is aangegeven. Metingen hebben aangetoond dat er twee keer zoveel ammoniak vrijkomt.

Omdat deze volièresystemen op grote schaal worden toegepast, gaat het om grote hoeveelheden dieren. Naar schatting 30 miljoen leghennen worden in Nederland in een dergelijk systeem gehouden, inclusief de vrije-uitloophennen en de biologisch gehouden leghennen.

De zogeheten emissiefactoren die worden gebruikt bij de vergunningverlening om vast te stellen hoeveel leghennen er gehouden kunnen worden, zijn verouderd. Uit onderzoek is gebleken dat ze niet meer representatief zijn voor de huidige praktijk. Recent uitgevoerde metingen vallen hoger uit, doordat er gebruik is gemaakt van nieuwe, verbeterde meetmethoden, maar ook doordat de wijze van afdraaien en beluchten van de mest niet (meer) overeenkomt met bijbehorende stalbeschrijvingen.

Nieuwe metingen geven aan dat er twee keer zoveel ammoniak wordt uitgestoten. De verschillen zijn zo groot dat er meer meetgegevens nodig zijn om op verantwoorde wijze nieuwe emissiefactoren te kunnen vaststellen, concluderen de onderzoekers van Wageningen Livestock Research H. Ellen, C.M. Groenestein en N.W M. Ogink in hun rapport. Ook de emissie uit vaak toegepaste droogtunnels is veel hoger dan de bestaande emissiefactoren aangeven.

Het onderzoek verklaart waarom omwonenden van leghennenhouderijen veel meer stank ervaren dan op grond van de verleende vergunning is toegestaan. Ammoniak is een van de bestanddelen van de stank die leghennen produceren. De onderzoeksresultaten sluiten aan bij een advies van het RIVM uit 2015 over geur en veehouderij. Het RIVM constateerde dat de modellen waarmee geur wordt berekend, niet geschikt zijn voor de huidige stallen en ventilatiesystemen.

Ammoniak is ook schadelijk voor de volksgezondheid. Luchtwegaandoeningen ontstaan als gevolg van de vorming van fijnstof door het vrijkomen van ammoniak en stikstofdioxide.

Klik hier voor het rapport Actualisering ammoniak emissiefactoren pluimvee

Onderzoek feitelijk rendement luchtwassers van start

Omdat luchtwassers mogelijk in de praktijk minder geur reduceren dan op papier, loopt er nu een onderzoek naar deze installaties. Het onderzoek wordt uitgevoerd door Wageningen Livestock Research. Na de zomer worden de eerste resultaten van een steekproef bij vijftig luchtwassers verwacht.

Het onderzoek vloeit voort uit de evaluatie wet geurhinder en veehouderij, die vorig jaar tot een advies leidde aan staatssecretaris Dijksma van het ministerie van I&M. Tijdens de evaluatie was gebleken dat luchtwassers, die in vergunningen zijn ingeboekt met rendementen van 70 – 85%, waarschijnlijk niet doen wat ze beloven. Daardoor ervaren omwonenden meer stankoverlast dan op papier is aangegeven. Mogelijk is het feitelijke rendement lager dan het papieren rendement, doordat de installaties technisch niet goed functioneren. Hetzelfde zou kunnen gelden voor biofilters.

Wageningen Livestock Research is aan het werk gezet door het ministerie en gevraagd met betrouwbare gegevens te komen over de feitelijke rendementen van luchtwassers. Aan de gecombineerde luchtwassers, die de afgelopen jaren in menige varkenshouderij en kalverhouderij met overheidssubsidies zijn geplaatst, wordt het meest getwijfeld.  Dergelijke luchtwassers worden gecombineerde luchtwassers genoemd omdat zij een gecombineerd rendement nastreven van minimaal 70% voor zowel ammoniak, geur als fijnstof (PM10, PM2.5).

Het hoge rendement van gecombineerde luchtwassers was een belangrijke reden voor de overheid om in de periode 2007 tot 2010 de aanschaf ervan met subsidies te stimuleren. In 2020 zou iedere varkens- en pluimveestal moeten zijn voorzien van een gecombineerd luchtwassysteem. In 2013 schreef toenmalig staatssecretaris Mansveld aan de Tweede Kamer dat er inmiddels vierhonderd subsidies waren verstrekt voor gecombineerde luchtwassers.

Eerder onderzoek van Wageningen Livestock Research naar het rendement van de toen nog experimentele gecombineerde luchtwassers wees echter uit dat de installaties nog verre van volmaakt waren. Deze conclusie werd in 2011 getrokken.

”Uit de metingen bleek enerzijds dat er frequent sprake was van storingen en ongunstige procescondities. Anderzijds bleek dat, ook al was er sprake van ‘normale’ procescondities, het gewenste minimumrendement van 70% voor zowel
ammoniak, geur als fijnstof niet voor elke van deze componenten werd behaald”, aldus de onderzoekers. Volgens hen waren de metingen niet geschikt om te gebruiken voor plaatsing van deze luchtwassystemen op de lijst met emissiefactoren voor ammoniak, fijnstof en geur.

De onderzoekers kwamen tot de conclusie dat het ontwerp van de gecombineerde luchtwassers die waren onderzocht, niet voldeed en verbeterd diende te worden. ”Daarnaast is weinig bekend over de manier waarop de verwijdering van in het bijzonder geur en fijnstof plaatsvindt en kan worden verbeterd. Nader onderzoek naar de principes voor de verwijdering van geur en fijnstof in relatie tot het luchtwasserontwerp wordt daarom zinvol geacht”, aldus de Wageningse onderzoekers in 2011.

Door mestdroogtunnels meer ammoniak en stank

Mestdroogtunnels – favoriet bij pluimveehouders vanwege een verlaging van de afvoerkosten van mest – zijn slecht voor het milieu en omwonenden. Ze leiden tot een verhoging van de ammoniakuitstoot en een toename van de stank.

Volgens Hilko Ellen van Wageningen Universiteit kan de ammoniakuitstoot soms wel 100 keer hoger zijn dan vergund. Dat komt onder meer doordat pluimveehouders de mest door middel van mestbandbeluchting eerst in de stal voordrogen. ”Wanneer leghennenhouders de mest in de stal voordrogen, vindt er in de stal ammoniakvorming plaats en stijgt de ammoniakuitstoot”, aldus Ellen op pluimveeweb.nl. Vast is komen te staan dat wanneer de mest een drogestofgehalte van 45% bereikt, er een explosie van ammoniak plaatsvindt. Hij adviseert de mest dagelijks uit de stal te verwijderen en naar de droogtunnel af te voeren. Hij zei dat op een beurs voor intensieve veehouderij in Venray.

Dat mestdroogtunnels leiden tot meer ammoniak en stank staat ook al beschreven in het rapport ”Additionele maatregelen ter vermindering van emissies van bioaerosolen uit stallen: verkenning van opties, kosten en effecten op de gezondheidslast van omwonenden”. In het rapport wordt gesproken over een probleemverschuiving: minder fijnstof, maar meer ammoniak en stank.
Uit metingen blijkt dat de toename van ammoniak circa 200 gram per dierplaats per jaar bedraagt. Uitgaande van tien miljoen leghennen in Nederland die in een stal zitten met een mestdroogtunnel, zou het gaan om een niet berekende uitstoot van in totaal 2 miljoen kilo NH3. Het Nederlandse ammoniakplafond voor de gehele veehouderij is vastgesteld op in totaal 128 miljoen kilo.

Minder stank en stof bij ander concept pluimveestallen

Door mest zo snel mogelijk uit pluimveestallen te verwijderen kan de uitstoot van ammoniak, geur, fijnstof en endotoxines sterk worden verlaagd. Dat zei ir. Albert Winkel van Wageningen Universiteit tijdens de beurs voor intensieve veehouderij in Venray.

Winkel, die is gepromoveerd op een studie naar het stof dat pluimveestallen produceren, was uitgenodigd als gastspreker. Hij pleit voor de ontwikkeling van nieuwe stalsystemen, waarin het nemen van een stofbad en het scharrelen in strooisel wordt gescheiden van de plekken waar de kippen rusten, eten en eieren leggen. Stofbaden en scharrelen zijn activiteiten waarbij het meeste stof vrij komt. Dat kan het beste in een ruimte, waar het strooisel zo min mogelijk mestresten bevat en waar beperkt wordt geventileerd.
De mest die onder de roosters van de volières terecht komt, kan het beste dagelijks via mestbanden uit de stal worden afgevoerd, aldus Winkel.

Zo dicht zitten mens en dier in Nederland op elkaar

Dat burgers in het buitengebied op grote schaal de dupe zijn van een volledig uit de hand gelopen veehouderij in Nederland, mag onderhand wel als bekend worden verondersteld. Onderzoek heeft nu aangetoond hoe omvangrijk dit probleem eigenlijk is: maar liefst 355.000 woningen bevinden zich op een afstand van nog geen 250 m van in totaal 27.000 veehouderijen.

Zo’n afstand leidt in veel gevallen tot overlast en mogelijk ook gezondheidsschade. Nu is de ene veehouderij de andere niet. Melkveehouderijen zijn beter te verdragen dan geitenhouderijen, varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Maar ook al zouden we de 19.000 melkveehouderijen die op minder dan 250 meter van burgerwoningen staan, buiten beschouwing laten, dan houden we nog zo’n 8.000 intensieve veehouderijen over die zich dicht in de buurt van burgerwoningen bevinden.
Van de legkippen bevindt zich 85% van de dieren op locaties met woningen op een afstand van minder dan 250 m; 86% van de vleeskuikens wordt op locaties gehouden met woningen binnen de 250 m; het merendeel van de vleesvarkens zit op minder dan 250 m van woningen: 87%. Bij de fokzeugen zit 91% van de dieren op locaties met een woning op minder dan 250 m. 84% van de geiten wordt gehouden op locaties met woningen binnen de 250 m. En van de 606 megastallen hebben er 480 te maken met woningen op minder dan 250 m. Het gaat daarbij om gemiddeld 5,8 woningen.

GGD-advies
Al geruime tijd adviseert de GGD om voor intensieve veehouderijbedrijven op een afstand van minder dan 250 m van woningen geen uitbreiding of nieuwvestiging meer toe te staan. Dit om gezondheidsrisico’s van veehouderijbedrijven voor de omwonenden in te perken. Uit de cijfers, verzameld door Alterra in opdracht van het ministerie van Economische Zaken, wordt duidelijk dat dit advies – als het zou worden opgevolgd – grote consequenties heeft voor talrijke veehouderijen.
In eerste instantie lijkt het verplaatsen van veehouderijen of woningen de meest voor de hand liggende optie, aldus de Alterra-onderzoekers. Maar: ‘’Zowel in de bedrijven als in de woningen is zoveel kapitaal geïnvesteerd, dat uit elkaar plaatsen van veel woningen en bedrijven op korte termijn erg kostbaar lijkt. Op de langere termijn kan de kwaliteit van het buitengebied wellicht wel verbeterd worden door verdergaande ontwikkeling van veehouderij te sturen naar locaties met minder woningen in de nabijheid.’’

Ze bevelen aan verder onderzoek te doen naar het minimaliseren van risico’s en het verminderen van overlast, zoals:

  • onderzoek naar aanpassingen in de bedrijfsvoering, die minder emissies en mogelijke risico’s veroorzaken (fijnstof, ammoniak, geur, geluid)
  • onderzoek naar aanpassingen in de huisvesting van vee, die minder emissies en mogelijke risico’s veroorzaken (fijnstof, ammoniak, geur, geluid, zoönosen).

De veehouderijen doen al veel aan het terugdringen van emissies, maar maatregelen zijn vooral bedoeld om op een bepaalde locatie meer dieren te kunnen houden. Bovendien bieden de normen voor fijnstof en geur nog altijd veel ruimte voor uitbreiding. Het daadwerkelijk verminderen van de uitstoot ten behoeve van de leefbaarheid, is nog geen beleid.

Belevingsapp

De Alterra-onderzoekers bevelen aan om onderzoek te doen naar beleving van overlast bij omwonenden: waar en wanneer vindt welke hinder plaats? Dat zou bijvoorbeeld kunnen via het ontwikkelen van een zogenaamde BelevingsApp, waarmee omwonenden op eenvoudige wijze actuele en nauwkeurige meldingen kunnen doen. Zo krijgen omwonenden en bedrijven betrouwbare informatie, waarmee ze kunnen zoeken naar oplossingen.
Tenslotte kan er wel wat verbeterd worden aan de communicatie tussen veehouderijbedrijven en omwonenden, vinden de Alterra-onderzoekers. ‘’Dat kan een eerste stap zijn om hinder in beeld te krijgen en te zoeken naar oplossingen. Ook daarbij zou een Belevingsapp een rol kunnen spelen.’’
Afstand tussen veehouderij en woningen 2016 Alterra

Iets meer dan helft varkenshouderijen heeft luchtwasser

Iets meer dan de helft van de varkenshouderijen in Nederland heeft een luchtwasser. Tien procent wil wel investeren in een (extra) luchtwasser, de rest is dat niet van plan. Dat blijkt uit een onderzoek van AgriDirect, een marketingbureau voor de agrarische sector. Ze hebben 4200 varkens- en pluimveehouders voor dit onderzoek benaderd.
ZLTO-man Hans Huijbers heeft laten weten dat meer dan de helft van de varkensstallen niet geschikt is voor een luchtwasser. Hij zei dat in een reactie op het voornemen van de provincie Brabant om eigenaren van verouderde stallen te verplichten in al 2020 minder stikstof uit te stoten.
Bron: www.agridirect.nl