Gezondheidsraad: duidelijke aanwijzingen voor gezondheidseffecten, geen hard bewijs

De aanwijzingen dat er een verband is tussen gezondheidseffecten en veehouderij worden steeds sterker, maar hard bewijs voor een oorzakelijk verband ontbreekt nog. Niettemin is een reductie van de uitstoot van fijnstof en van ammoniak van belang. Welke reductieniveaus hierbij moeten worden nagestreefd is een politieke afweging.

Dat is de kern van het advies van de Gezondheidsraad over de gezondheidsrisico’s van wonen in de buurt van veehouderijen. De Gezondheidsraad heeft al het beschikbare landelijke en internationale wetenschappelijk onderzoek erop nageslagen, inclusief het in 2016 en 2017 gepubliceerde onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO).

Gegevensbasis nog te smal
Het VGO legde op basis van grootschalig onderzoek in Brabant en Limburg het verband bloot tussen veehouderijen en gezondheidseffecten bij omwonenden: in de omgeving van pluimveehouderijen en geitenhouderijen komt meer longontsteking voor; in veedichte gebieden is eveneens sprake van meer luchtwegklachten.
De Gezondheidsraad stelt dat de aanwijzingen voor het gevonden verband wel duidelijker zijn geworden, maar over het geheel genomen is de gegevensbasis nog te smal om te spreken van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten.

Fijnstof
Dat alle fijnstof schadelijk is, ook de grovere fractie (PM2,5-10) in de omgeving van veehouderijen, wordt volgens de Gezondheidsraad steeds duidelijker. Wel kan het spectrum van de gezondheidseffecten anders zijn dan in een stedelijke omgeving, vanwege de hogere concentraties endotoxinen en micro-organismen (bacteriën, parasieten, schimmels en virussen) in de deeltjescocktail rond veehouderijbedrijven, aldus de Gezondheidsraad. Preciezere uitspraken hierover zijn bij de huidige stand van kennis echter nog niet mogelijk.

Geurhinder
De Gezondheidsraad kijkt, mede op aanraden van geraadpleegde deskundigen, verder dan fijnstof. Welbevinden en leefbaarheid hangen ook samen met gezondheidsrisico’s. ”In verband hiermee dient het beleid zich bijvoorbeeld ook te richten op het terugdringen van geurhinder en op een betere naleving van de bestaande voorschriften op dit gebied. Ook is er blijvende aandacht nodig voor nieuwe vormen van bedrijfsvoering en bedrijfshygiëne. Daarvan zullen niet alleen omwonenden kunnen profiteren, maar ook werknemers in de veehouderijsector. Bovendien zal het dierenwelzijn ermee gediend kunnen worden.”

Hart- en vaatziekten en longkanker
Verder doet de Gezondheidsraad nog een opmerkelijke uitspraak over hart- en vaatziekten en longkanker. Onderzoek naar de relatie tussen deze ziekten en veehouderijen ontbreekt. In stedelijke omgevingen is dat risico wel uitvoerig onderzocht. ”Deze gezondheidseffecten zijn met zekerheid of grote waarschijnlijkheid het gevolg van blootstelling aan fijnstof.”
De Gezondheidsraad neemt het advies van de Commissie Luchtkwaliteit over om emissies uit bronnen aan te pakken die de ‘deken’ van fijnstof boven Nederland veroorzaken. De landbouwsector is een van die bronnen. Vervolgonderzoek is voor de onderbouwing van dit beleid niet nodig, aldus de Gezondheidsraad. Met andere woorden: er is genoeg bekend, doe er wat aan.

Mest ”risicofactor” voor volksgezondheid

Een gram mest bevat gemiddeld miljoenen tot honderden miljoenen bacteriën, waarvan een gedeelte ziekteverwekkend kan zijn. Dit stelt het RIVM in een rapport over de vraag of mest een risicofactor is voor de volksgezondheid.

Het rapport is niet gebaseerd op eigen onderzoek maar op wetenschappelijke studies van anderen. Deze studies wijzen op de aanwezigheid van ziekmakende E. coli-bacteriën in 17% van de onderzochte monsters rundveemest. Gemiddeld was 43% van de varkensmestmonsters positief voor ziekmakende E. coli. MRSA-bacteriën werden slechts in twee publicaties onderzocht en alleen aangetoond in varkensmest.

Op dit moment is onbekend of en in hoeverre verspreiding van micro-organismen uit mest via het milieu bijdraagt aan het optreden van ziekte bij mensen, aldus het RIVM. Verschillende epidemiologische studies wijzen mest aan als risicofactor voor het optreden van infecties. In Nederland is de dichtheid van veehouderijen echter zeer groot. Er wonen relatief veel mensen dichtbij veehouderijen. De verwachting is dat daarmee de druk van ziektekiemen uit mest op het milieu dan ook groter is, wat de risico’s voor de gezondheid mogelijk vergroot.

Mestverwerking
Het RIVM heeft ook bekeken wat er bekend is over de risico’s van mestverwerking voor de volksgezondheid. Emissie vanuit mestverwerkers naar het oppervlaktewater lijkt onwaarschijnlijk, gegeven de grote mate van verwijdering door omgekeerde osmose. Wel is nog onduidelijk in hoeverre emissie kan optreden vanuit luchtwassers van mestverwerkers en of dit gevolgen heeft voor de gezondheid. Ook is onduidelijk in hoeverre dit zich verhoudt tot emissies van pathogenen vanaf bemeste akkers.

Klik hier voor het rapport Verkenning van de microbiologische risico’s van mest voor de gezondheid

GGD Brabant: 2 km afstand geitenhouderij en woningen

Gevallen van longontsteking kunnen worden voorkomen door een afstand van 2 kilometer aan te houden tussen een geitenbedrijf en omwonenden. Dit stelt de Brabantse GGD in een reactie op het onderzoek van Veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO).
De GGD noemt het verhoogde risico op longontsteking rondom geitenhouderijen zorgelijk, mede omdat niet duidelijk is waardoor dit wordt veroorzaakt. ”Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak, beschouwt de GGD vanuit gezondheid de afstand van 2 kilometer als kritisch omdat er binnen deze afstand sprake is van een grotere kans op longontsteking”, aldus de GGD.
Reactie GGD Brabant op VGO augustus 2017

Ruim 600 gevallen van longontsteking door geitenhouderij Gelderland

In Gelderland doen zich jaarlijks ruim 600 gevallen van longontsteking voor die samenhangen met de aanwezigheid van een geitenhouderij. Dit heeft de Gelderse GGD becijferd op grond van het onderzoek naar Veehouderij, gezondheid omwonenden (VGO). De Gelderse GGD komt uit op een verhoogd risico op longontsteking van 10%.

Dit percentage wijkt af van het risicopercentage dat wordt aangehouden in het VGO-onderzoek. De VGO-onderzoekers gaan uit van een extra risico op longontsteking in de buurt van geitenhouderijen van 5,4%.
De GGD heeft een herberekening gemaakt omdat er in Gelderland meer woningen in het 2 km gebied rond geitenhouderijen liggen dan in het onderzoeksgebied. In totaal wonen in Gelderland 225.000 inwoners binnen een straal van 2 km rond een geitenhouderij.
De GGD Gelderland heeft een notitie opgesteld in opdracht van de Provincie Gelderland. Die heeft in augustus, mede op basis van de risico-inschatting van de GGD, besloten tot een geitenstop. Volgens de GGD zijn de genoemde aantallen eerder een onderschatting dan een overschatting van de werkelijke aantallen.

Notitie_Geitenhouderij_en_gezondheid_–_duiding_van_het_extra_risico_op_longontsteking_bij_omwonenden_van_
geitenhouderijen_in_Gelderland

Duizend tot vijftienhonderd extra longontstekingen door pluimveehouderij

Landelijk gezien doen zich bij omwonenden van pluimveehouderijen zo’n duizend tot 1500 longontstekingen extra per jaar voor. Dat zei prof. Dick Heederik in een toelichting op het gezondheidsonderzoek onder omwonenden. Hij praatte op 13 september de Tweede Kamer bij over nieuwe bevindingen.

Heederik was eerder altijd terughoudend over het vertalen van de regionale onderzoekresultaten naar landelijk niveau, maar op grond van recente resultaten durft hij wel landelijke aantallen te noemen. Het risico is behoorlijk constant en ligt op ongeveer 7% van alle longontstekingen bij omwonenden van pluimveehouderijen.
De oorzaak moet worden gezocht in stof en endotoxinen, hoewel specifieke bacteriën niet kunnen worden uitgesloten.

Voor de geitenhouderij ligt het percentage op 5,4%. Over de exacte oorzaak van deze longontstekingen tast men nog in het duister. Toch heeft Heederik wel een idee: een plausibele verklaring kan worden gezocht in het mestmanagement. Sinds de Q-koortsepidemie moet de mest gedurende een maand afgedekt op het bedrijf blijven liggen. Als na die periode het afdekmateriaal wordt verwijderd, komen er bacteriën en schimmels vrij, afkomstig van het composteringsproces, aldus Heederik. ”Mensen die veel buiten zijn, lopen een veel hoger risico dan mensen die weinig buiten komen. Dat verhoogde risico zien we vooral bij de geiten.”

De oplossing van het gezondheidsprobleem moet worden gezocht in een lokale aanpak, op bedrijfsniveau. Daar moeten de emissies naar beneden, aldus Heederik. De risico’s kunnen worden beperkt door de mest direct af te voeren.

https://debatgemist.tweedekamer.nl/debatten/rapport-veehouderij-en-gezondheid-omwonenden-aanvullende-studies

Meer dieren dan vergund in zeker zes Brabantse gemeenten

In zeker zes Brabantse gemeenten worden meer dieren gehouden dan vergund. Het gaat om veertig procent van vijftien onderzochte gemeenten. Tot deze conclusie komt de provincie Brabant na een onderzoek naar overtredingen binnen de veehouderij.

Het onderzoek heeft een hele reeks aan overtredingen aan het licht gebracht. Daardoor liggen de emissies van fijnstof, geur en ammoniak hoger dan op grond van vergunningen wordt aangenomen. In totaal zijn dertig veehouderijen onder de loep genomen.

Het blijkt dat gemeenten veel te weinig handhaven. Dit terwijl duidelijk is dat er teveel dieren worden gehouden, luchtwassers niet aan staan, en de bedrijfsvoering niet in overeenstemming is met het vergunde stalsysteem. Allemaal overtredingen die een grote impact hebben op de leefomgeving.

Vooral bij pluimveebedrijven was sprake van andere systemen dan vergund.
Verder laat de opslag van mest – volgens voorschrift in een afgesloten container of afgesloten compartiment – bij enkele bedrijven veel te wensen over, waardoor sprake is van verhoogde ammoniakemissies.

Emissiebeperkende maatregelen
De veehouderijen krijgen subsidie voor emissiebeperkende maatregelen en mogen dankzij deze maatregelen vaak meer dieren houden. Maar dan moet er wel een registratie worden bijgehouden van de toepassing van deze maatregelen. Luchtwassers moeten elektronisch worden gemonitord. Bij een derde van de bedrijven was er óf in het geheel geen sprake van elektronische monitoring of de registratieapparatuur was nog niet op orde.

Aan het onderzoek is deelgenomen door veehouderijen in Bernheze, Mill en Sint Hubert, Sint Anthonis, Sint-Michielsgestel, Bergeijk, Deurne, Gemert-Bakel, Laarbeek, Heeze-Leende, Oirschot, Reusel-de Mierden, Hilvarenbeek, Oisterwijk, Roosendaal en Werkendam.

Inspectierapport IBT_veehouderij Brabant

Lees ook het commentaar op het rapport van Mens, Dier en Peel

Onderzoekers meten verdubbeling ammoniakuitstoot bij leghennen

Er zijn sterke aanwijzingen dat leghennen in zogeheten volièresystemen veel meer ammoniak produceren dan in vergunningen is aangegeven. Metingen hebben aangetoond dat er twee keer zoveel ammoniak vrijkomt.

Omdat deze volièresystemen op grote schaal worden toegepast, gaat het om grote hoeveelheden dieren. Naar schatting 30 miljoen leghennen worden in Nederland in een dergelijk systeem gehouden, inclusief de vrije-uitloophennen en de biologisch gehouden leghennen.

De zogeheten emissiefactoren die worden gebruikt bij de vergunningverlening om vast te stellen hoeveel leghennen er gehouden kunnen worden, zijn verouderd. Uit onderzoek is gebleken dat ze niet meer representatief zijn voor de huidige praktijk. Recent uitgevoerde metingen vallen hoger uit, doordat er gebruik is gemaakt van nieuwe, verbeterde meetmethoden, maar ook doordat de wijze van afdraaien en beluchten van de mest niet (meer) overeenkomt met bijbehorende stalbeschrijvingen.

Nieuwe metingen geven aan dat er twee keer zoveel ammoniak wordt uitgestoten. De verschillen zijn zo groot dat er meer meetgegevens nodig zijn om op verantwoorde wijze nieuwe emissiefactoren te kunnen vaststellen, concluderen de onderzoekers van Wageningen Livestock Research H. Ellen, C.M. Groenestein en N.W M. Ogink in hun rapport. Ook de emissie uit vaak toegepaste droogtunnels is veel hoger dan de bestaande emissiefactoren aangeven.

Het onderzoek verklaart waarom omwonenden van leghennenhouderijen veel meer stank ervaren dan op grond van de verleende vergunning is toegestaan. Ammoniak is een van de bestanddelen van de stank die leghennen produceren. De onderzoeksresultaten sluiten aan bij een advies van het RIVM uit 2015 over geur en veehouderij. Het RIVM constateerde dat de modellen waarmee geur wordt berekend, niet geschikt zijn voor de huidige stallen en ventilatiesystemen.

Ammoniak is ook schadelijk voor de volksgezondheid. Luchtwegaandoeningen ontstaan als gevolg van de vorming van fijnstof door het vrijkomen van ammoniak en stikstofdioxide.

Klik hier voor het rapport Actualisering ammoniak emissiefactoren pluimvee

Onderzoek feitelijk rendement luchtwassers van start

Omdat luchtwassers mogelijk in de praktijk minder geur reduceren dan op papier, loopt er nu een onderzoek naar deze installaties. Het onderzoek wordt uitgevoerd door Wageningen Livestock Research. Na de zomer worden de eerste resultaten van een steekproef bij vijftig luchtwassers verwacht.

Het onderzoek vloeit voort uit de evaluatie wet geurhinder en veehouderij, die vorig jaar tot een advies leidde aan staatssecretaris Dijksma van het ministerie van I&M. Tijdens de evaluatie was gebleken dat luchtwassers, die in vergunningen zijn ingeboekt met rendementen van 70 – 85%, waarschijnlijk niet doen wat ze beloven. Daardoor ervaren omwonenden meer stankoverlast dan op papier is aangegeven. Mogelijk is het feitelijke rendement lager dan het papieren rendement, doordat de installaties technisch niet goed functioneren. Hetzelfde zou kunnen gelden voor biofilters.

Wageningen Livestock Research is aan het werk gezet door het ministerie en gevraagd met betrouwbare gegevens te komen over de feitelijke rendementen van luchtwassers. Aan de gecombineerde luchtwassers, die de afgelopen jaren in menige varkenshouderij en kalverhouderij met overheidssubsidies zijn geplaatst, wordt het meest getwijfeld.  Dergelijke luchtwassers worden gecombineerde luchtwassers genoemd omdat zij een gecombineerd rendement nastreven van minimaal 70% voor zowel ammoniak, geur als fijnstof (PM10, PM2.5).

Het hoge rendement van gecombineerde luchtwassers was een belangrijke reden voor de overheid om in de periode 2007 tot 2010 de aanschaf ervan met subsidies te stimuleren. In 2020 zou iedere varkens- en pluimveestal moeten zijn voorzien van een gecombineerd luchtwassysteem. In 2013 schreef toenmalig staatssecretaris Mansveld aan de Tweede Kamer dat er inmiddels vierhonderd subsidies waren verstrekt voor gecombineerde luchtwassers.

Eerder onderzoek van Wageningen Livestock Research naar het rendement van de toen nog experimentele gecombineerde luchtwassers wees echter uit dat de installaties nog verre van volmaakt waren. Deze conclusie werd in 2011 getrokken.

”Uit de metingen bleek enerzijds dat er frequent sprake was van storingen en ongunstige procescondities. Anderzijds bleek dat, ook al was er sprake van ‘normale’ procescondities, het gewenste minimumrendement van 70% voor zowel
ammoniak, geur als fijnstof niet voor elke van deze componenten werd behaald”, aldus de onderzoekers. Volgens hen waren de metingen niet geschikt om te gebruiken voor plaatsing van deze luchtwassystemen op de lijst met emissiefactoren voor ammoniak, fijnstof en geur.

De onderzoekers kwamen tot de conclusie dat het ontwerp van de gecombineerde luchtwassers die waren onderzocht, niet voldeed en verbeterd diende te worden. ”Daarnaast is weinig bekend over de manier waarop de verwijdering van in het bijzonder geur en fijnstof plaatsvindt en kan worden verbeterd. Nader onderzoek naar de principes voor de verwijdering van geur en fijnstof in relatie tot het luchtwasserontwerp wordt daarom zinvol geacht”, aldus de Wageningse onderzoekers in 2011.

Door mestdroogtunnels meer ammoniak en stank

Mestdroogtunnels – favoriet bij pluimveehouders vanwege een verlaging van de afvoerkosten van mest – zijn slecht voor het milieu en omwonenden. Ze leiden tot een verhoging van de ammoniakuitstoot en een toename van de stank.

Volgens Hilko Ellen van Wageningen Universiteit kan de ammoniakuitstoot soms wel 100 keer hoger zijn dan vergund. Dat komt onder meer doordat pluimveehouders de mest door middel van mestbandbeluchting eerst in de stal voordrogen. ”Wanneer leghennenhouders de mest in de stal voordrogen, vindt er in de stal ammoniakvorming plaats en stijgt de ammoniakuitstoot”, aldus Ellen op pluimveeweb.nl. Vast is komen te staan dat wanneer de mest een drogestofgehalte van 45% bereikt, er een explosie van ammoniak plaatsvindt. Hij adviseert de mest dagelijks uit de stal te verwijderen en naar de droogtunnel af te voeren. Hij zei dat op een beurs voor intensieve veehouderij in Venray.

Dat mestdroogtunnels leiden tot meer ammoniak en stank staat ook al beschreven in het rapport ”Additionele maatregelen ter vermindering van emissies van bioaerosolen uit stallen: verkenning van opties, kosten en effecten op de gezondheidslast van omwonenden”. In het rapport wordt gesproken over een probleemverschuiving: minder fijnstof, maar meer ammoniak en stank.
Uit metingen blijkt dat de toename van ammoniak circa 200 gram per dierplaats per jaar bedraagt. Uitgaande van tien miljoen leghennen in Nederland die in een stal zitten met een mestdroogtunnel, zou het gaan om een niet berekende uitstoot van in totaal 2 miljoen kilo NH3. Het Nederlandse ammoniakplafond voor de gehele veehouderij is vastgesteld op in totaal 128 miljoen kilo.

Minder stank en stof bij ander concept pluimveestallen

Door mest zo snel mogelijk uit pluimveestallen te verwijderen kan de uitstoot van ammoniak, geur, fijnstof en endotoxines sterk worden verlaagd. Dat zei ir. Albert Winkel van Wageningen Universiteit tijdens de beurs voor intensieve veehouderij in Venray.

Winkel, die is gepromoveerd op een studie naar het stof dat pluimveestallen produceren, was uitgenodigd als gastspreker. Hij pleit voor de ontwikkeling van nieuwe stalsystemen, waarin het nemen van een stofbad en het scharrelen in strooisel wordt gescheiden van de plekken waar de kippen rusten, eten en eieren leggen. Stofbaden en scharrelen zijn activiteiten waarbij het meeste stof vrij komt. Dat kan het beste in een ruimte, waar het strooisel zo min mogelijk mestresten bevat en waar beperkt wordt geventileerd.
De mest die onder de roosters van de volières terecht komt, kan het beste dagelijks via mestbanden uit de stal worden afgevoerd, aldus Winkel.