Aanhoudingsbesluit gewenst voor uitbreiding veehouderij met luchtwassers

De werkgroep max 5 odeur roept gemeenten op met behulp van een lokale geurverordening het verlenen van vergunningen aan veehouderijen met luchtwassers tijdelijk stil te leggen.

Het rendement van luchtwassers staat ter discussie. Er loopt op dit moment een onderzoek door Wageningen Universiteit in opdracht van het ministerie van I&M. De eerste resultaten van dit onderzoek worden in september/oktober verwacht.

Tijdens de evaluatie van de wet geurhinder veehouderij is gebleken dat het rendement van luchtwassers te hoog is ingeschat. Er zijn luchtwassers op de markt die de geuruitstoot van veehouderijen met 85% zouden doen afnemen. Deze luchtwassers zijn erkend en staan op de zogeheten RAV-lijst. Niet uitgesloten wordt dat er bij de technische beoordeling van de luchtwassers fouten zijn gemaakt.

Onderzocht wordt nu wat er precies aan de hand is. De afgelopen maanden (in het voorjaar en aan het begin van de zomer) zijn op vijftig locaties metingen gedaan, dwz luchtmonsters genomen in de stal voor de wasser en direct achter de wasser. Er is hoofdzakelijk gemeten op geur, met behulp van de olfactometrische methode. Daarbij waardeert een panel van mensen met een gemiddelde geurwaarneming de luchtmonsters, Ook maakt men gebruik van snuffelploegen. De metingen geven tevens een indicatie van de ammoniakreductie.

De werkgroep max 5 odeur wijst burgers op de mogelijkheid om hun gemeente te benaderen. Gemeenten moeten geïnformeerd worden over het onderzoek naar het rendement van luchtwassystemen, in het bijzonder van de gecombineerde luchtwassers, vindt de werkgroep max 5 odeur. ”Zolang het ministerie dat niet doet, moeten de burgers dat maar zelf doen.” Gemeenten zouden met een geurverordening de geurnormen tijdelijk zodanig kunnen verlagen, dat nieuwe aanvragen voorlopig geen kans maken. ”Het is een politieke noodgreep, maar een vergunde uitbreiding met luchtwassers draai je niet zomaar terug.”
In de berekende geurbelasting zitten doorgaans al de nodige afwijkingen t.o.v. de feitelijke belasting, maar die zouden nog wel eens veel sterker kunnen zijn door een te hoog ingeschat reductiepercentage van de luchtwasser, aldus max 5 odeur.
Klik hier voor eerder bericht over onderzoek luchtwassers

Participatiehandvest geeft burgers meer invloed

Burgers moeten meer te zeggen krijgen over plannen die van belang zijn voor hun woonomgeving. Een participatiehandvest is daarvoor een goed instrument.

Zo’n participatiehandvest moet worden vastgelegd in de Omgevingswet, vinden de initiatiefnemers Vereniging Eigen Huis en de Nederlandse Vereniging Omwonenden Windturbines (NLVOW). Nu wordt er nog veel gesproken over een dialoog. Een participatiehandvest gaat veel verder: daarmee worden de rechten van burgers vastgelegd bij de uitwerking van de Omgevingswet.

Bewoners Effect Rapportage
Naast een Milieu Effect Rapportage zou er een Bewoners Effect Rapportage moeten komen. Hierin wordt nauwkeurig beschreven wat plannen betekenen voor omwonenden.
Ook zou er een budget voor participatie moeten komen. Met dat geld kunnen burgers hun eigen adviseurs inhuren. Bovendien voorziet het handvest in erkenning voor burgers die ”onevenredig hoge schade” lijden. Burgers zouden in aanmerking moeten voor een schadevergoeding.

Voorkeursalternatief
Met een participatiehandvest willen de initiatiefnemers de positie van burgers in wet- en regelgeving versterken. Het leidt uiteindelijk tot een voorkeursalternatief. De verantwoordelijkheid voor vergunningverlening of vaststelling van bestemmingsplan blijft uiteraard bij het bevoegd gezag, maar dat moet wel een goede afweging maken.
Vereniging Eigen Huis en de NLVOW voorspellen minder frustratie, snellere besluitvorming en minder kosten. Tijdrovende en dure juridische procedures kunnen met een participatiehandvest worden voorkomen.

Waarom zitten we zo in de stank?

Er zijn nog altijd politici die het stankprobleem van de intensieve veehouderij afdoen met verhalen over vroeger. ”Toen stonk het ook”,  zeggen ze dan. Wat ze er niet bij vertellen is dat de stank van nu, die van de schaalvergroting en de intensivering, vele malen erger, heviger, intenser en omvangrijker is dan toen de boer nog normaal zijn mest uitreed.

Ja, die goeie ouwe tijd. De veehouderij in Nederland is de afgelopen decennia ingrijpend veranderd. Niemand zal dat ontkennen. Ook het inzicht dat het met de veehouderij volledig uit de hand is gelopen, is inmiddels wijd verspreid. Hoe kan het dan dat veranderingen zo moeizaam gaan? Zijn de stank-ontkenners toch nog steeds in de meerderheid?

Wie wil weten hoe het zover heeft kunnen komen en wat de kansen zijn op verandering, moet het boek ”Dit is uw land” van Hans van Grinsven en Kees Kooman maar eens lezen. Niet dat het veel over stank gaat, maar het verschaft wel een enorm inzicht in alles wat die stank veroorzaakt. De historische achtergronden, de feiten, de politieke discussies, de maatregelen die niet werkten, de verwevenheid van overheid en bedrijfsleven – het komt allemaal voorbij.

Het is geen vrolijk stemmend boekwerk dat de twee auteurs voorschotelen. Maar wel leerzaam en misschien ook wel enigszins hoopgevend. Burgers in het buitengebied volgen bevreesd de huidige kabinetsformatie. Toch hoeft het CDA-VVD-D66-CU-kabinet dat nu in de maak is, niet perse de intensieve veehouderij weer wind in de zeilen te geven. Waren het niet Gerrits Braks (CDA) en Pieter Winsemius (VVD) – bekend als de ministers van Grond&Stront en Frisse lucht – die in 1982 een wet doorvoerden om de groei van het aantal varkens en kippen per direct af te stoppen? Braks had schoon genoeg van alle stank. ”Tot de dood ons scheidt, schijten we ons dood”, hield hij iedereen voor die het maar horen wilde. Eenzelfde samenwerking hangt nu in de lucht en wie weet wordt het een coalitie die opnieuw fikse knopen zal doorhakken. Zo kan het huidige ”Brabantse model” wel eens een voorbode zijn van wat er in de rest van het land gaat gebeuren.
Dit is uw land, het einde van een boerenparadijs, 320 pagina’s, is uitgegeven door De Kring. Prijs: €21,50

Dialoog over veehouderij loopt vast op waardenconflict

Een dialoog tussen burgers, bestuurders en veehouders over de veehouderij is een brug te ver. De tegenstellingen zijn te groot, zo bleek in het debat tussen Cor de Nijs van de Kerngroep Limburg Gezonder en CDA-bestuurder Hubert Mackus. De Limburgse omroep L1 liet beiden aan het woord in De Stemming. De standpunten die werden ingenomen lagen mijlenver uit elkaar.
De Nijs gaf weer hoe burgers over de huidige veehouderij in Limburg denken en stelde de gezondheidseffecten centraal. Mackus bleef hameren op de economische betekenis van de sector en voorspelde een maatschappelijke crisis bij een drastische vermindering van het aantal dieren, vergelijkbaar met de sluiting van de mijnen. De CDA-bestuurder sprak over de noodzaak van transitie en technische maatregelen om de uitstoot van stank en fijnstof te verlagen. De Nijs liet blijken daar weinig waarde aan te hechten. (zie ook bericht: Luchtwassers doen niet wat ze beloven). De bulkproductie in Nederland is helemaal niet nodig om de technologie van de sector te kunnen exporteren, aldus De Nijs.
Het debat maakte duidelijk dat achter de meningsverschillen geen belangenconflict maar een waardenconflict schuil gaat. En dat de waarden volksgezondheid en economie (geld en werkgelegenheid) in het met dieren volgepakte Limburg (ruim 15 miljoen kippen en bijna 2 miljoen varkens) niet meer bij elkaar te brengen zijn. Het waardenconflict vraagt om een politieke keuze. Zolang de politiek onomwonden kiest voor de economie en de aanpak van gezondheidseffecten op de lange baan schuift, dan is een dialoog tussen burger, bestuurder en veehouder in feite zinloos.

Burgers in de steek gelaten door rijksoverheid

Burgers die in de stank zitten door veehouderijen, voelen zich in de steek gelaten door de rijksoverheid. Die zou met strengere geurnormen een belangrijke aanzet kunnen geven tot een verbetering van het leefklimaat op veel plaatsen in Nederland. Maar demissionair staatssecretaris Sharon Dijksma van Infrastructuur & Milieu weigert de regie te nemen, zo blijkt uit haar reactie op het advies van de bestuurlijke werkgroep die de geurregelgeving heeft geëvalueerd.

Via een juridische procedure die op dit moment in voorbereiding is, zullen burgers de staat aanklagen wegens nalatigheid als het gaat om het voorkomen van stankoverlast. De burgers worden terzijde gestaan door de jurist mr. Valentijn Wösten en advocaat mr. Nout Verbeek. Zij stellen dat de woonkwaliteit van omwonenden door de overheid onvoldoende is gewaarborgd. De wettelijke geurnormen bieden niet genoeg bescherming.

Dijksma is vooralsnog niet van plan van koers te veranderen. In plaats van te kiezen voor het aanscherpen van de normen, gooit de staatssecretaris het stankprobleem definitief over de schutting van gemeenten en provincies. In feite zegt ze: zoek het maar uit. Daarbij vergeet ze dat de rijksoverheid een grote verantwoordelijkheid draagt voor de stank waaraan omwonenden van veehouderijen dagelijks worden blootgesteld. Met de invoering van de Wet geurhinder veehouderij in 2007 zijn er zeer ruime geurnormen vastgesteld en hebben gemeenten ook nog eens de vrijheid gekregen die normen op te rekken. Dit heeft niet alleen geleid tot talrijke overbelaste situaties, maar ook tot conflicten tussen burgers en boeren en verstoorde verhoudingen in gemeenschappen.

Dijksma had een belangrijk signaal kunnen afgeven, door burgers in bescherming te nemen. Zij laat dat helaas na, stelt de burgerwerkgroep max5odeur, die heeft deelgenomen aan de evaluatie. Het advies van de bestuurlijke werkgroep, waarin duidelijk een tweespalt zichtbaar is tussen provincies, gemeenten en bedrijfsleven enerzijds, en burgergroeperingen, GGD’en en milieufederaties anderzijds, had voor Dijksma aanleiding kunnen zijn tot een keuze. In plaats van te kiezen, trekt ze haar handen ervan af. Gevolg zal zijn dat de strijd voor een beter leefklimaat zich gaat verharden. Burgers die in de stank zitten, zijn nu volledig op zichzelf en de lokale politiek aangewezen.

Enig lichtpuntje is de Omgevingswet die, zoals het zich nu laat aanzien, geen ruimte meer biedt voor zogeheten geurverordeningen. Gemeenten moeten in omgevingsplannen aangeven hoeveel het ergens mag stinken. Burgers kunnen dus langs de weg van inspraak, bezwaar en beroep de kwaliteit van de leefomgeving bewaken. Dan zal ook blijken of gemeentelijke geurnormen juridisch houdbaar zijn.

Pluimveehouderij wil emissies gaan meten

De regiegroep emissie-arme pluimveehouderij  gaat een onderzoeksproject in gang zetten naar effectieve en betaalbare meetsensoren om daarmee veel gerichter (op bedrijfs- en stalniveau) emissies en reductie van emissies te kunnen meten.

Door beter inzicht te hebben in factoren die emissies helpen ontstaan, beperken en voorkomen, kan een pluimveehouder afgewogen keuzes maken in zijn bedrijfsvoering voor een betere leefomgeving en stalklimaat. De regiegroep – een initiatief van de sector zelf – wil een integrale verduurzaming van de pluimveehouderij. Daarbij worden bij voorkeur meerdere problemen met één maatregel aangepakt: fijnstof, geur, ammoniak en endotoxinen.

Middels onderzoek en innovatie wordt gezocht naar effectieve en efficiënte oplossingen voor zowel nieuwbouw als bestaande stallen, waarbij het uitgangspunt is het stalklimaat te optimaliseren en emissies te minimaliseren. Een gezond stalklimaat is immers zowel goed voor de kippen, pluimveehouders en hun medewerkers, als omwonenden; een win/win/win-situatie, aldus de regiegroep op pluimveeweb.nl

De staatssecretarissen Dijksma en Van Dam hebben op 1 juni bekend gemaakt dat bestaande pluimveestallen binnen tien jaar vijftig procent minder fijnstof moeten uitstoten. Nieuwe stallen moeten naar een reductie van zeventig procent. Het volgende kabinet moet dit in een wet vastleggen, aldus Van Dam en Dijksma in een brief aan de Tweede Kamer. Wat de referentiedatum wordt, is op dit moment nog niet te zeggen.

Dijksma schuift stankprobleem veehouderij definitief door naar gemeenten

Staatssecretaris Dijksma is niet van plan nieuwe landelijke geurnormen voor de veehouderij op te stellen. De Omgevingswet geeft gemeenten de ruimte om eigen normen vast te stelen. Gemeenten kunnen zelf onderzoek doen om lokale normen wetenschappelijk te onderbouwen.

Dit schrijft de staatssecretaris naar aanleiding van het advies van de bestuurlijke werkgroep die de regelgeving op het gebied van geur en veehouderij heeft geëvalueerd.
Ook de werkgroep max5odeur was daarbij betrokken.

In het advies was al duidelijk een scheiding der geesten waarneembaar, met aan de ene kant de provincies, gemeenten en het bedrijfsleven en aan de andere kant de GGD’en, milieufederaties en burgergroeperingen. De laatsten pleitten – op basis van onderzoek van Bureau Gezondheid, Milieu en Veiligheid van de GGD’en Brabant/ Zeeland en het Institute for Risk Assessment Sciences van de Universiteit Utrecht – voor een landelijke aanscherping van de normen. Dit zou de aanpak van stankproblemen kunnen bevorderen en het ontstaan van nieuwe stankproblemen kunnen voorkomen.

De staatssecretaris schaart zich nu achter de provincies, gemeenten en het bedrijfsleven, die stelden dat reeds uitgevoerd onderzoek naar geurbelasting en hinderbeleving een algehele, landelijke verlaging van de geurnormen onvoldoende onderbouwt.

Het heeft volgens Dijksma geen zin nog meer onderzoek te doen: ”Er zijn verschillende hinderbelevingsonderzoeken uitgevoerd over de jaren heen. Ik maak hieruit op dat de onderzoeken geen eenduidig landelijk verband opleveren tussen geurbelasting en hinderervaring (ten opzichte van de landelijke norm). Mede ook gelet op de ruimte die de Omgevingswet aan gemeenten biedt, geven de hinderbelevingsonderzoeken mij vooralsnog geen aanleiding om nieuw onderzoek uit te voeren en op basis daarvan de geurnormen aan te passen. Wel is het mogelijk dat lokale overheden bij de vormgeving van hun geurbeleid onderzoek doen naar de daadwerkelijk optredende geurhinder en op basis daarvan een keuze maken voor de te kiezen normhoogte.”

Hiermee erkent Dijksma in feite dat de bestaande landelijke geurnormen, die zijn gebaseerd op onderzoek van PRA Odeurnet uit 2001, eveneens een gedegen onderbouwing missen. Op basis van deze normen, gecombineerd met de reeds bestaande gemeentelijke beleidsvrijheid, zijn er wel op zeer grote schaal vergunningen verleend die op zeer veel plaatsen in Nederland tot grote overlast hebben geleid.

Verwacht mag worden dat deze oude geurnormen als bandbreedte in het besluit kwaliteit leefomgeving behorende bij de Omgevingswet terecht komen. Belangrijke wijziging ten opzichte van de huidige situatie is wel dat besluitvorming van gemeenten over lokale geurnormen juridisch kan worden aangevochten. Omwonenden van veehouderijen die hun leefklimaat willen verbeteren, zullen vanaf het moment dat de Omgevingswet van kracht wordt, in elk geval een lokale lobby in gang moeten zetten.

In haar beleidsreactie op het evaluatie-advies gaat Dijksma niet in op andere onderwerpen die tijdens de evaluatie aan bod zijn gekomen, zoals cumulatie, de 50%-regeling en best beschikbare technieken. Ook rept ze met geen woord over het lopende onderzoek naar het rendement van luchtwassers en de handreiking geur en veehouderij die voor gemeenten in de maak is.

Annemarie Spierings, gedeputeerde van de Provincie Brabant en deelnemer aan de evaluatie, laat via de NOS weten niet gelukkig te zijn met de reactie van Dijksma. ”De gezondheid van mensen in de buurt van veebedrijven moet beter worden beschermd. Op dit moment zijn de landelijke regels voor deze bedrijven niet streng en niet duidelijk genoeg,” aldus Spierings op nos.nl. De D66-bestuurder wil dit ook een onderwerp wordt in de huidige kabinetsformatie.
“De regelgeving helpt nu bepaald niet mee”, zegt Spierings. “Als je als veehouder nu je stallen schoner maakt en je gaat daardoor 10 ‘geureenheden’ minder uitstoten, dan mag je op dit moment weer meer vee gaan houden en er gewoon weer 5 bij doen. Zo kom je dus nooit aan de gewenste kwaliteit voor de omgeving.”

Gemeente Lingewaal verhoogt geurnorm

De gemeente Lingewaal wil uitbreiding van een geitenbedrijf in Herwijnen mogelijk maken. In de nieuwe geurverordening verhoogt de gemeente de geurnorm voor het plangebied Herwijnen-Oost van 3 naar 4 odeur. Door deze verhoging kan het bedrijf uitbreiden en is er ook nieuwbouw mogelijk. Bewoners van deze nieuwbouw moeten er rekening mee houden dat ze meer stank over zich heen krijgen. De gemeenteraad is akkoord gegaan met de nieuwe geurverordening.

Geuradvies ligt nog altijd op bureau Dijksma

Het geuradvies dat is opgesteld na de evaluatie van de wet geurhinder veehouderij, ligt al maanden op het bureau van staatssecretaris Dijksma (infrastructuur en milieu). Ze heeft het nog altijd niet naar de Tweede Kamer gestuurd. Daardoor treedt er een vertraging op in de aanpak van stankoverlast op zeer veel plaatsen in Nederland.

Het advies van de deelnemers aan de evaluatie, onder wie ook leden van de burgerwerkgroep max5odeur, is al in oktober 2016 aan de staatssecretaris uitgebracht. Het bevat een aantal voorstellen voor beleidswijzigingen, die tot een verbetering moeten leiden van het woon- en leefklimaat van omwonenden van veehouderijen. Het advies doet geen voorstellen voor een verlaging van de normen. Daarover konden de deelnemers aan de evaluatie het niet eens worden. De Tweede Kamer zal zich daar nu over moeten uitspreken.

GGD, milieufederaties en burgergroeperingen pleitten tijdens de evaluatie voor een drastische verlaging van de geurnormen. Zij weten zich daarbij gesteund door het wetenschappelijke onderzoek ”Geurhinder van veehouderij nader onderzocht: meer hinder dan Handreiking Wgv doet vermoeden?” van de GGD’en Brabant/Zeeland en het Institute for Risk Assesesment Sciences van Universiteit Utrecht.

LTO, gemeenten en provincies vinden dat dit onderzoek onvoldoende basis biedt voor een ingrijpende beleidswijziging. In Milieumagazine van maart 2017 (zie bijlage) laat wethouder Aart de Krijff zich hierover uit. Strenge normen zullen diep ingrijpen in het landelijke gebied, waarschuwt hij. “Dat is niet alleen rigoureus voor de agrarische sector. Het heeft ook behoorlijke consequenties voor de gemeenten.”

Door normen voor het buitengebied van 14 naar 5 Ou te verlagen, schuiven geurcontouren van veehouderijen over gebieden waar gemeenten willen bouwen,
aldus De Kruijff. “Ik vind het helemaal niet vervelend om een bedrijf weg te kopen vanwege woningbouwaspiraties. Maar dat moet dan wel op basis van een objectief vastgestelde norm.”

Er staat kortom veel op het spel. Reden te meer voor de staatssecretaris om het advies snel naar de Tweede Kamer te sturen. Die mag beoordelen of genoemd onderzoek voldoende is om einde te maken aan bestaande stankoverlast en om nieuwe overlast te voorkomen.
Zie ook Milieumagazine Gordiaanse geurknoop waarin Gert van Dooren, lid van de werkgroep max5odeur, aan het woord komt.

Nationaal burgernetwerk zet zichzelf op de kaart

Het Nationaal Burgernetwerk ”Een betere gezondheid door minder vee” heeft zichzelf met een drukbezocht verkiezingsdebat in Deurne goed op de kaart gezet. Omwonenden van veehouderijen kregen volop de kans hun zorgen te uiten en aan te dringen op een drastische afname van de hoeveelheid dieren in Nederland. Staatssecretaris Van Dam presenteerde zijn plan voor een nieuwe wet die provincies mogelijkheden biedt de enorme concentraties van vee aan te pakken. (Kandidaat) kamerleden deden uit de doeken hoe hun partijen hierover denken, waarbij Henk van Gerven (SP) het moment aangreep om de slachtoffers van de Q-koorts epidemie een hart onder de riem te steken.

Het gezondheidsprobleem dat door de veehouderij wordt veroorzaakt is omvangrijk, zo bleek uit de presentaties van wetenschappelijk onderzoek door de artsen Mariken Ruiter, Ignas van Bebber en hoogleraar Hans Zaaijer. De politiek heeft daar tot dusver maar zeer beperkt een antwoord op. Gepleit werd voor meer regie vanuit Den Haag in de vorm van lagere normen, het intrekken van dierrechten en andere maatregelen om stank en gezondheidseffecten te beteugelen.
Het was voor het eerst dat er zoveel burgers uit Brabant, Limburg, Gelderland en Overijssel bijeen waren. Allemaal mensen die overlast ervaren van de veehouderij en zich zorgen maken over hun gezondheid. De parallel met ”Groningen” drong zich op: veel burgers ervaren eenzelfde machteloosheid als de inwoners van het aardbevingsgebied. Volksgezondheid wordt door de overheid al te lang als ondergeschikt beschouwd aan het economisch belang.
Het debat werd ook bijgewoond door veehouders, die overigens geen uitnodiging hadden gekregen. Net zo min als de burgers. De bijeenkomst was voor iedereen toegankelijk. De bonden van veehouders (varkens, pluimvee en melkvee) hadden afgevaardigden gestuurd. Verder zaten er enkele luidruchtige boeren uit de streek in de zaal. De agrarische sector is duidelijk niet blij met alle aandacht voor de gezondheidsrisico’s die veehouderijen veroorzaken. Pluimveevoorman Hugo Bens probeerde nog te wijzen op de positieve effecten van het houden van vee (minder allergieën, minder astma), maar hij kreeg weinig kans zijn punt te maken. De vakbond van pluimveehouders is weggelopen uit het overleg met Van Dam over maatregelen om fijnstofemissies tegen te gaan en doet daardoor voorlopig niet mee als partij die serieus werk wil maken van het bestrijden van gezondheidsrisico’s. Met het maken van een wegwerpgebaar naar de staatssecretaris verliet Bens de bomvolle zaal.