Bestrijding stankoverlast ontbreekt bij integraal duurzame stallen

Bestrijding van stankoverlast ontbreekt bij de beoordeling of stallen van veehouderijen integraal duurzaam zijn of niet. Dit is in tegenspraak met toezeggingen die staatssecretaris Van Veldhoven (I&M) aan de Tweede Kamer heeft gedaan.

Op 14 december 2017 zei Van Veldhoven tijdens een overleg met de Tweede Kamer dat de aanpak van stankoverlast onderdeel zou worden van de integrale verduurzamingsaanpak veehouderij. In de recent gepubliceerde ”Monitoring integraal duurzame stallen” komt het woord stank of geur echter niet voor. Stallen krijgen het predikaat integraal duurzaam zonder dat de veehouder iets extra’s hoeft te doen aan stankbestrijding.

De monitoring is vandaag aangeboden aan de Tweede Kamer door de collega van Van Veldhoven, minister Carola Schouten van LNV. Noch in het rapport, noch in de definitie van integraal duurzame stallen staat geur of stank vermeld als duurzaamheidsthema. In de begeleidende kamerbrief verwijst Schouten naar gesprekken met dierlijke sectoren en maatschappelijke partijen. Waar Van Veldhoven in december 2017 nog burgers op het oog had als overlegpartner, worden die nu niet eens meer genoemd.

Definitie integraal duurzame stallen
Integraal duurzame stallen zijn gedefinieerd als stal- en houderijsystemen waarin verschillende duurzaamheidkenmerken in onderlinge samenhang zijn verbeterd ten opzichte van de regulier toegepaste stallen of systemen. Het gaat om stallen en houderijsystemen die het dierenwelzijn extra verbeteren door het toepassen van maatregelen die verder gaan dan de wettelijke welzijnsnormen en die daarnaast tenminste voldoen aan andere maatschappelijke randvoorwaarden en wettelijke eisen
voor milieu, diergezondheid en arbeidsomstandigheden én economisch haalbaar zijn.

Volgens deze definitie zijn inmiddels een derde van de varkensstallen en veertig procent van de pluimveestallen integraal duurzaam, aldus het monitoringsrapport.

Blijf bellen, blijf klagen bij stankoverlast

Blijf bellen, blijf klagen en hou een dagboek bij. Dat adviseert Hugo van Belois, expert op het gebied van lucht- en leefkwaliteit, op de website van De Monitor van KRO-NCRV.

Het is volgens Van Belois van groot belang dat de overheid meer inzicht krijgt in de mate van stankoverlast in Nederland. ”Het ontbreekt aan een actueel beeld, aan een monitor waarmee duidelijk in kaart kan worden gebracht hoe vaak geuroverlast voorkomt, hoeveel mensen overlast ervaren en waar de geur dan vandaan komt. Daarom is er eigenlijk geen duidelijk beeld van de omvang van de geurproblematiek op dit moment”, zegt hij.

Hij adviseert stankoverlast altijd te melden bij het bevoegd gezag, dus bij de gemeente of provincie. Blijf bellen en klagen als de overlast aanhoudt, aldus Van Belois.’‘Daarbij is het cruciaal dat je als burger goed kunt uitleggen wat er aan de hand is en waar de schoen precies wringt voor jou.’

Van Belois adviseert burgers om altijd een dagboek bij te houden. ”Als burger is het verstandig de overlast systematisch bij te houden. Schrijf op wanneer je thuis bent en waar en wanneer je precies overlast ervaart. Hou bij hoe lang de overlast al duurt, hoe erg het voor jou is, waar je denkt dat het vandaan komt en waar het naar ruikt. En bovenal: blijf bellen, blijf klagen. Gemeenten en provincies hebben die informatie nodig’’. Burgers kunnen ook aandringen op een geuronderzoek. Dan worden er luchtmonsters genomen bij een bedrijf en deze worden in een lab door een geurpanel beoordeeld. Stankoverlast moet niet worden onderschat,aldus Van Belois. Het kan leiden tot gezondheidsproblemen.

RIVM rapporteert toename geurhinder veehouderij

Het RIVM rapporteert over de afgelopen acht jaar een toename van geurhinder ten gevolge van agrarische bedrijven en het uitrijden van mest. Uit een representatieve steekproef blijkt dat in 2016 ruim twee keer zoveel Nederlanders ernstige geurhinder hebben ervaren ten opzichte van 2008. Het percentage is gestegen van 1% naar 2,5%. Het aantal Nederlanders dat in 2016 zei hinder te ondervinden, was gestegen van 4% in 2008 naar 6% in 2016.

Voor het eerst is ook gevraagd naar de gevolgen voor de nachtrust van geurhinder. Zes procent meldt enige tot ernstige slaapverstoring. Ook is gevraagd naar de mate van bezorgdheid over de eigen veiligheid. Het aantal ondervraagden dat zegt bezorgd over het wonen in de buurt van een intensieve veehouderij (4,3%) ligt dicht in de buurt van het aantal mensen dat aangeeft bezorgd te zijn over het wonen in de buurt van een risicovol bedrijf (4,6%).

Bekeken over een langere periode (1993 tot 2016) komt het RIVM tot de conclusie dat geurhinder ten gevolgen van agrarische bedrijven en het uitrijden van mest is afgenomen. Deze conclusie is door veel media overgenomen. De tabellen laten echter een meer gedetailleerd beeld zien en daaruit blijkt dat de geurhinder door agrarische bedrijven en mest uitrijden lager is dan in 1993, maar sinds 2008 aanzienlijk is toegenomen. Bekeken over een periode van 23 jaar is de geurhinder ongeveer gehalveerd.
Beleving Woonomgeving in Nederland. Inventarisatie Verstoringen 2016

GGD: intensieve veehouderij op 250 meter afstand van burger

Veehouderijen moeten op 250 meter afstand blijven van burgerwoningen. Dat stelt GGDGHOR in een brief aan de Tweede Kamer.
Het is niet voor het eerst dat er door de gezamenlijke GGD’en voor een dergelijke afstandsnorm wordt gepleit. De bewijzen stapelen zich op dat deze norm vanuit het oogpunt van volksgezondheid echt noodzakelijk is.
GGD GHOR Nederland vindt dat intensieve veehouderij beschouwd moet worden als een industriële activiteit.
”Vanuit die gedachte kunnen eisen gesteld worden aan de dichtheid van bedrijven en de afstand tussen stallen en bewoning. Concreet betekent dit dat stallen en bewoning uit voorzorg op minstens 250 meter afstand van elkaar moeten komen te staan. De concentraties fijnstof, endotoxinen en markers voor vee-specifieke MRSA-bacterie dalen bij een afstand van 250 meter tot bijna op het achtergrondniveau,” aldus GGDGHOR, de landelijke koepel van alle GGD’en in Nederland.

Luchtwasserdebacle: al in 2011 rinkelden de alarmbellen

Het luchtwasserdebacle komt niet als verrassing. De rijksoverheid heeft ruim tien jaar geleden een groot risico genomen door de gecombineerde luchtwassers toe te staan en ook nog eens zwaar te subsidiëren. Er waren twijfels, maar er waren ook positieve, Duitse meetrapporten. In 2011 rinkelden de eerste alarmbellen. De varkenssector had de combi-wassers echter nodig voor een onstuitbare schaalvergroting. De falende luchtwassers bleven nog jaren op de lijst van goedgekeurde technieken.

Lees meer

Metingen in de praktijk kunnen een hoop dubieus rekenwerk vervangen

Het berekenen van geur en andere emissies uit veehouderijen kent een grote onzekerheidsmarge. De SGP-fractie in de Tweede Kamer vraagt daarom of het mogelijk is om meer te gaan meten. In zo’n meting kunnen ook de emissies van activiteiten die nu nog niet worden berekend, worden meegenomen.

In het antwoord van staatssecretaris Van Veldhoven (I&W) op vragen van de SGP duiken de e-noses weer op. De werkgroep max5odeur heeft daar al eerder voor gepleit. Bij een nulmeting kan de geurbelasting worden vastgesteld voordat er een nieuwe vergunning wordt verleend. Wanneer in een voorschrift bijvoorbeeld wordt opgenomen dat bij uitbreiding de geuremissie hooguit met 10% mag toenemen, kan met behulp van metingen indien nodig handhavend worden opgetreden.

Volgens Van Veldhoven is het zeker een optie. Maar de huidige meettechnieken zijn nog te complex en te duur om op praktijkstallen toe te passen. Er zijn echter diverse ontwikkelingen gaande op het gebied van sensoren voor ammoniak, geur en fijnstof. ”De uitkomsten van lopend onderzoek naar toepassing van sensoren worden gevolgd en bij positieve uitkomsten zal een vervolgonderzoek worden gestart naar de beleidsperspectieven ervan. De Omgevingswet geeft de ruimte om in de toekomst in te kunnen spelen op veranderingen in de stand der techniek”, aldus Van Veldhoven.

Ministeries negeren noodkreet 56 burgergroepen

De ministeries van Infrastuctuur en Waterstaat (I&W) en Landbouw (LNV) negeren een noodkreet van 56 burgergroepen om het leefklimaat in de buurt van veehouderijen snel te verbeteren. Het zal het nog enige tijd duren voordat de rijksoverheid in actie komt.

Strengere regels voor de uitstoot van stank, zijn op korte termijn niet te verwachten. ”De problematiek van de geurhinder is onderdeel van de integrale aanpak van de verduurzaming van de veehouderij”, schrijven de ministeries in een brief aan de burgerwerkgroep max5odeur.
De ministeries reageren hiermee op een noodkreet die de burgerwerkgroep in november vorig jaar had verzonden mede namens 56 burgergroepen uit Brabant, Limburg, Gelderland, Overijssel en Friesland. Die noodkreet bevatte twintig concrete actiepunten die volgens de groepen nodig zijn om het leefklimaat in de buurt van veehouderijen op korte termijn aanzienlijk te verbeteren.

De verwijzing naar de ”integrale aanpak” is niet nieuw. Staatssecretaris Van Veldhoven had het daar al eerder over in een overleg met de Tweede Kamer. Hoe het er met die integrale aanpak van de verduurzaming van de veehouderij voorstaat, melden de ministeries niet. Wanneer omwonenden nieuwe regels voor geurhinder tegemoet kunnen zien, evenmin. Op het gebied van stof is de brief wat concreter: ”Op dit moment wordt gewerkt aan het Nationaal Actieprogramma Luchtkwaliteit, waarbij gezondheid centraal staat. Dit nationaal actieprogramma zal eind 2018 aan de Tweede Kamer worden gezonden.”

Mestverwerking
Tegenover dit lichtpuntje staat dan weer dat de ministeries de mestverwerkingsinstallaties – bronnen van stank en ander ongemak – ongemoeid laten. De burgergroepen vinden dat deze installaties op minstens 2 km van hun woningen moeten worden geplaatst. Het ministerie van I&W stelt dat onderzoeken naar mogelijke risico’s van mestverwerking geen aanleiding geven de afstanden (voor mestvergisters geldt een advies van 100 meter) te herzien. Het ministerie gaat hiermee voorbij aan de conclusie van een onderzoek van het RIVM  dat de gevolgen van mestverwerking voor de volksgezondheid nog onbekend zijn.
Waarom het ministerie van I&W het voorzorgprincipe niet wil toepassen, wordt duidelijk uit de antwoorden van het ministerie van LNV op het voorstel van burgers om een stop af te kondigen op mestverwerkers. Deze installaties zijn nodig om milieu- en klimaatdoelstellingen te halen, aldus het ministerie. Het ministerie zegt het niet met zoveel woorden, maar in feite is dat wel het standpunt: mestverwerkers moeten, desnoods over de rug van omwonenden.

Controle
Op de roep van burgers om meer en betere controle, voert het ministerie aan dat er een Nederlands Centrum voor Mestverwerking komt. Dat centrum verzamelt kennis over mestverwerking en de effecten daarvan op de leefomgeving. Deze kennis zal beschikbaar worden gesteld aan sector en overheidspartijen, aldus het ministerie. Dat dit centrum een ”dingetje” is van commerciële partijen, gesteund door LNV, wordt niet vermeld. Laat staan dat het ministerie ingaat op de grootschalige mestfraude, waarvan nog onduidelijk is in hoeverre de participanten van het centrum daarbij betrokken zijn geweest.

Hoog ”zo-is-het-nu-eenmaal”-gehalte
De brief van beide ministeries heeft een hoog ”zo-is-het-nu-eenmaal”-gehalte. Op veel voorstellen van burgers voor verbetering van de leefomgeving, komt als antwoord dat de wet- en regelgeving is zoals die is. Op de suggestie om veel stof en stank producerende huisvestingssystemen, zoals volièrestallen, van de lijst met goedgekeurde systemen (de zogeheten RAV-lijst) te halen, reageert het ministerie van I&W met: ”deze systemen hebben een lagere emissie van ammoniak en fijnstof dan grondhuisvesting en zijn daarom in de RAV-lijst opgenomen”. Het ministerie sluit de ogen voor een onderzoek naar feitelijke emissies. Daaruit blijkt dat de ammoniakemissie twee keer zo hoog is, als in de RAV-lijst staat aangegeven.

Oogkleppen
Dezelfde oogkleppen zet het ministerie van I&W op als het gaat om onderzoek naar het effect van emissiereducerende technieken in open pluimveestallen. Het voorstel om deze technieken tijdelijk van de RAV-lijst te halen in afwachting van de resultaten van het onderzoek, vindt geen gehoor. ”De technieken staan op de RAV-lijst om stallen met emissiereducerende technieken mogelijk te maken.” Dat daardoor op grote schaal op dit moment technieken worden vergund die – net als luchtwassers – niet doen wat ze beloven, dat is kennelijk van later zorg. Over de luchtwassers komt overigens binnenkort wel meer duidelijkheid. De brief kondigt een rapport aan met beleidsconclusies.

Mestfraude
Dat de ministeries nauwelijks oog hebben voor de gevolgen van de uitwassen van de veehouderij voor de inwoners van het buitengebied, blijkt ook uit de reactie op het voorstel van burgers om de oorzaak van mestfraude aan te pakken. Geen woord over de gezondheidsschade van alle illegaal uitgereden mest. Er wordt slechts opgemerkt dat door frauduleus handelen de milieukwaliteit en de inning van drinkwater in gevaar is gebracht. Verder verwijst het ministerie naar een plan van aanpak dat door de sector is opgesteld.

Minder dieren
Het voorstel om de omvang van de veehouderij te beperken, wordt op vergelijkbare wijze afgedaan. Eerst een technisch verhaal over de meststoffenwet, dierrechten en concentratiegebieden, dan de opmerking dat het kabinet aandacht heeft voor de problematiek en vervolgens een verwijzing naar decentrale overheden en bedrijfsleven over een goede besteding van de €200 miljoen voor een warme sanering van de varkenshouderij. Geen woord over hoe de burger hierbij betrokken zou kunnen worden. Pas bij de reactie op het voorstel om de varkens- en pluimveerechten van stoppende ondernemers uit de markt te halen, valt iets van erkenning van gezondheids- en leefomgevingsrisico’s te bespeuren. In het regeerakkoord is aangegeven dat met de sector en de provincies wordt gekeken naar een aanpak van deze risico’s. Maar ook hier geen woord over hoe de burger hierbij betrokken zou kunnen worden. Wel de opmerking dat die aanpak zal worden beperkt tot gebieden met een zeer hoge veedichtheid, terwijl dezelfde risico’s zich ook in minder veedichte gebieden voordoen.

Gezondheidsraad: duidelijke aanwijzingen voor gezondheidseffecten, geen hard bewijs

De aanwijzingen dat er een verband is tussen gezondheidseffecten en veehouderij worden steeds sterker, maar hard bewijs voor een oorzakelijk verband ontbreekt nog. Niettemin is een reductie van de uitstoot van fijnstof en van ammoniak van belang. Welke reductieniveaus hierbij moeten worden nagestreefd is een politieke afweging.

Dat is de kern van het advies van de Gezondheidsraad over de gezondheidsrisico’s van wonen in de buurt van veehouderijen. De Gezondheidsraad heeft al het beschikbare landelijke en internationale wetenschappelijk onderzoek erop nageslagen, inclusief het in 2016 en 2017 gepubliceerde onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO).

Gegevensbasis nog te smal
Het VGO legde op basis van grootschalig onderzoek in Brabant en Limburg het verband bloot tussen veehouderijen en gezondheidseffecten bij omwonenden: in de omgeving van pluimveehouderijen en geitenhouderijen komt meer longontsteking voor; in veedichte gebieden is eveneens sprake van meer luchtwegklachten.
De Gezondheidsraad stelt dat de aanwijzingen voor het gevonden verband wel duidelijker zijn geworden, maar over het geheel genomen is de gegevensbasis nog te smal om te spreken van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten.

Fijnstof
Dat alle fijnstof schadelijk is, ook de grovere fractie (PM2,5-10) in de omgeving van veehouderijen, wordt volgens de Gezondheidsraad steeds duidelijker. Wel kan het spectrum van de gezondheidseffecten anders zijn dan in een stedelijke omgeving, vanwege de hogere concentraties endotoxinen en micro-organismen (bacteriën, parasieten, schimmels en virussen) in de deeltjescocktail rond veehouderijbedrijven, aldus de Gezondheidsraad. Preciezere uitspraken hierover zijn bij de huidige stand van kennis echter nog niet mogelijk.

Geurhinder
De Gezondheidsraad kijkt, mede op aanraden van geraadpleegde deskundigen, verder dan fijnstof. Welbevinden en leefbaarheid hangen ook samen met gezondheidsrisico’s. ”In verband hiermee dient het beleid zich bijvoorbeeld ook te richten op het terugdringen van geurhinder en op een betere naleving van de bestaande voorschriften op dit gebied. Ook is er blijvende aandacht nodig voor nieuwe vormen van bedrijfsvoering en bedrijfshygiëne. Daarvan zullen niet alleen omwonenden kunnen profiteren, maar ook werknemers in de veehouderijsector. Bovendien zal het dierenwelzijn ermee gediend kunnen worden.”

Hart- en vaatziekten en longkanker
Verder doet de Gezondheidsraad nog een opmerkelijke uitspraak over hart- en vaatziekten en longkanker. Onderzoek naar de relatie tussen deze ziekten en veehouderijen ontbreekt. In stedelijke omgevingen is dat risico wel uitvoerig onderzocht. ”Deze gezondheidseffecten zijn met zekerheid of grote waarschijnlijkheid het gevolg van blootstelling aan fijnstof.”
De Gezondheidsraad neemt het advies van de Commissie Luchtkwaliteit over om emissies uit bronnen aan te pakken die de ‘deken’ van fijnstof boven Nederland veroorzaken. De landbouwsector is een van die bronnen. Vervolgonderzoek is voor de onderbouwing van dit beleid niet nodig, aldus de Gezondheidsraad. Met andere woorden: er is genoeg bekend, doe er wat aan.

Gemeenten kunnen zelf geitenhouderij aan banden leggen

Gemeenten zijn helemaal niet afhankelijk van provincies om uitbreiding van geitenhouderijen en pluimveehouderijen tegen te gaan. Ze kunnen zelf een beroep doen op het voorzorgbeginsel.

Dat blijkt uit een advies dat GGD IJsselland heeft opgesteld voor het college van B&W van de gemeente Olst Wijhe. Aanleiding voor het advies is een aanvraag van een pluimveehouderij voor uitbreiding met 20.000 leghennen. De emissies (ammoniak, geur en fijnstof) van het bedrijf zouden met ongeveer 50% toenemen. Volgens de GGD kan de gemeente op basis van het voorzorgbeginsel de vergunning weigeren of aanvullende eisen stellen.

”Met name de bevinding van een verhoogd risico op longontsteking van 11% door een individueel bedrijf bij omwonenden van pluimveebedrijven is in wetenschappelijke zin relevant en evident, hoewel het oorzakelijk verband niet volledig vaststaat. Wel laten meerdere onderzoeken dezelfde verbanden zien”, aldus de GGD. De GGD stelt dat dit statistisch verband geldt voor alle pluimveebedrijven in Nederland.

Wat voor de pluimveehouderij geldt, is ook van toepassing op de geitenhouderij. Zoals bekend hebben de provincies Brabant en Gelderland een stop afgekondigd op de geitenhouderij, totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaken van het verhoogde risico op longontsteking bij omwonenden. De provincie Overijssel ziet vooralsnog af van een dergelijk besluit.

Hoogspanningsleidingen
Uit het advies van de GGD valt af te leiden dat gemeenten een dergelijke provinciale stop helemaal niet nodig hebben. De GGD trekt een parallel met hoogspanningsleidingen. Er is een statistisch verband tussen wonen in de buurt van hoogspanningslijnen en het risico op leukemie bij kinderen. ”Ondanks de onzekerheden over de gevonden relatie worden er uit voorzorg tientallen miljoenen euro’s uitgegeven aan het uitkopen van huiseigenaren, zoneren, verkabelen en ondergronds brengen van hoogspanningslijnen”, aldus GGD IJsselland. ”Op basis van het voorzorgsbeginsel lijkt het daarom mogelijk om maatregelen te nemen of te eisen die verder gaan dan de wettelijke verplichtingen.”

De werkgroep max5odeur adviseert omwonenden die te maken krijgen met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen en pluimveehouderijen via een zienswijze gemeenten te wijzen op toepassing van het voorzorgbeginsel. Raadpleeg daarbij ook Infomil. Deze website van de overheid met uitleg van de wet- en regelgeving heeft sinds kort een pagina over veehouderij en gezondheid. Op het gebied van fijnstof en ammoniak kunnen gemeenten en provincies voor grote bedrijven eisen stellen die verder gaan dan de zogeheten Best Beschikbare Technieken (BBT).

Inwoners buitengebied kregen jaren lang meer stank over zich heen door mestfraude

Inwoners van het buitengebied hebben jarenlang meer stank over zich heen gekregen door grootschalige mestfraude. De overheid is hiervan al geruime tijd op de hoogte, zo blijkt uit een het rapport ”Mest nader onder de loep genomen”.

Het rapport is eind vorig jaar na publicaties in de NRC naar de Tweede Kamer gestuurd. Het bevestigt niet alleen het beeld van georganiseerde fraudepraktijken, maar ook van andere strafbare feiten, zoals het plaatsen van meer dieren dan is toegestaan. Dit laatste doet zich vooral voor in de varkenshouderij. De onderzoekers Piet Blauw en Marco Korff noemen in dit verband ook nadrukkelijk de pluimveehouderij. RVO.NL beschikt over voldoende gegevens om dit stelselmatig te controleren, maar dit gebeurt onvoldoende, aldus de onderzoekers.

Het rapport ”Mest nader onder de loep genomen” is opgesteld in opdracht van het toenmalige ministerie van Economische Zaken en werd in mei 2016 aangeboden. Pas eind 2017 is het naar de Tweede Kamer gestuurd, nadat de NRC de omvang en aard van de mestfraude in kaart had gebracht. De NRC-publicatie is veel gedetailleerder en noemt ook man en paard. Uit het rapport blijkt dat ook agrarische adviesbureau’s bij de mestfraude zijn betrokken. De stichting Mens, dier en Peel heeft becijferd om hoeveel illegale mest het eigenlijk gaat, uitgaande van een fraudepercentage van 25%: ”In Zuidoost-Nederland is tussen 2013 en 2015 minstens 9,5 miljoen ton mest verdwenen in een illegaal circuit. In deze mest zat circa 47,5 miljoen kg stikstof en 16,5 miljoen kg fosfaat”, meldt de stichting op de website Knak de worst. De mestfraude doet zich overigens niet alleen in het zuiden van Nederland voor. Onlangs werden nog frauderende melkveehouders uit Friesland aangehouden. Wie in het buitengebied woont verbaast zich allang niet meer over de gigantische hoeveelheden mest die jaarlijks tussen februari en september worden uitgereden.

Longfunctie
De gevolgen van mestfraude en het houden van meer dieren zijn omvangrijk. Niet alleen voor het milieu, maar ook voor burgers in het buitengebied. Zij krijgen veel meer stank over zich heen dan officieel is toegestaan. Bekend is dat het uitrijden van mest schadelijk is voor de volksgezondheid. Vooral de longfunctie heeft eronder te lijden. Het rapport ”Veehouderij en Gezondheid Omwonenden” zegt daarover: ”Hoge ammoniak-niveaus treden op als gevolg van het uitrijden van mest, al dan niet in combinatie met stabiel, stagnerend weer, gekenmerkt door lage windsnelheden. (..) Vooral de samenhang met ammoniakniveaus impliceert een directe relatie tussen veehouderij en longfunctie. Het effect van ammoniak op de longfunctie was sterker dan het effect van de aanwezigheid van een groot aantal veehouderijen rond de woning, maar de associaties bleken onafhankelijk van elkaar te bestaan.”
Mest_nader_onder_de_loep_genomen (1)