Burgergroepen: overheid moet ingrijpen in ontspoorde veehouderij


(Foto Google Earth)

De veehouderij in Nederland is volledig ontspoord. De rijksoverheid moet ingrijpen, de bedrijven aanzienlijk verkleinen en duidelijke normen stellen. Die normen moeten omwonenden beter beschermen tegen stank, lawaai en gezondheidsschade.

In een brief aan de nieuwe minister van landbouw en staatssecretaris van milieu laten 56 burgergroepen uit het hele land een noodkreet horen. Deze ‘buren van de boeren’ vinden dat de bewindslieden Carola Schouten (LNV) en Stientje van Veldhoven (I&M) in deze regeerperiode orde op zaken moeten stellen. De burgergroepen hebben geen vertrouwen in het vermogen van de sector om zelf ingrijpende veranderingen teweeg te brengen. Er zijn al teveel rapporten verschenen over verduurzaming van de veehouderij. Ondertussen stapelen de misstanden en schandalen zich op.

Stop op mestverwerking
In hun brief doen de burgergroepen 20 concrete voorstellen die op korte termijn moeten leiden tot een verbetering van het leefklimaat in het buitengebied en de dorpen. Een van de voorstellen betreft een voorlopige stop op mestverwerkingsinstallaties. Een ander voorstel is om gecombineerde luchtwassers per direct van de lijst emissie-reducerende technieken te halen. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat het rendement van deze installaties tegenvalt.

Industrie
Niet alleen in Brabant en Limburg, ook elders zijn burgers de dupe van een verdergaande schaalvergroting en intensivering van de veehouderij. Deze bedrijfstak is uitgegroeid tot een industrie, zonder dat deze als zodanig wordt behandeld. Lokale overheden blijken in vergunningtrajecten niet opgewassen tegen gewiekste en intimiderende agrarische adviesbureaus. Omgevingsdiensten missen de expertise om industriële activiteiten te beoordelen, te controleren en handhavend op te treden. In de sector is sprake van een diepgewortelde cultuur waarin overtreding van wetten als normaal wordt beschouwd.

Tweede Kamer
Alleen een rijksbeleid met strakke kaders, primair gericht op bescherming van volksgezondheid en milieu, kan  een einde maken aan een volledig uit de hand gelopen veehouderij. Provincies en gemeenten zijn daar niet toe in staat. De burgergroepen richten zich met hun noodkreet ook tot de Tweede Kamer. Zij vragen om een hoorzitting over de voorgestelde maatregelen.

Brief aan de minister van Landbouw en staatssecretaris Infrastructuur en Milieu

Burgers kunnen zelf GGD om advies vragen

Burgers die een zienswijze willen indienen tegen een vergunning voor een veehouderij of een mestverwerker, kunnen zelf de GGD om advies vragen. Een GGD is er niet alleen voor de gemeente, maar voor de gehele bevolking. Wanneer een gemeente het niet nodig vindt de GGD in te schakelen, is het dus mogelijk dat gezondheidsrisico’s op verzoek van omwonenden in beeld worden gebracht.
Tijdens het symposium Veehouderij en Gezondheid op 3 november in Den Bosch werd algemeen gepleit voor het vroegtijdig informeren van burgers bij de vestiging of uitbreiding van een veehouderij. Oud GGD-arts Jos van de Sande gaf in een van de workshops het belang aan van een rechtstreekse relatie tussen de GGD en omwonenden. Hij benadrukte ook dat een GGD niet alleen in opdracht van een gemeente werkt.
Hoewel steeds meer gemeenten de GGD om advies vragen bij de vestiging of uitbreiding van een veehouderij, is dat nog lang niet in alle gevallen gebruikelijk.
Omwonenden kunnen daar dus zelf op aansturen. Met een GGD-advies kan een besluit van een gemeente over een vergunningaanvraag beter onderbouwd worden aangevochten.

Gemeenten procederen liever tegen omwonenden dan tegen veehouders

Gemeenten procederen liever tegen omwonenden dan tegen veehouders. Waarom?

Als omwonenden een procedure winnen, dan kost dat de gemeente hooguit enkele duizenden euro’s. Als een bedrijf een procedure wint, dan volgt er een veelal een eis tot schadevergoeding. Die kan in de honderdduizenden euro’s lopen.

Omwonenden van veehouderijen hebben vaak het idee dat gemeenten bij het verlenen van een vergunning zich teveel laten leiden door de belangen van de ondernemer. De eventuele financiële gevolgen spelen hierin een belangrijke rol. Wanneer een rechter in een beroepsprocedure van omwonenden een vergunning vernietigt, loopt een gemeente geen grote financiële risico’s.

Angst voor schadeclaims
Tijdens een van de workshops van het symposium veehouderij en gezondheid, op 3 november in De Bosch, bleek dat gemeenten grote angst hebben voor schadeclaims. Veehouders en hun adviseurs dreigen daar ook mee gedurende het proces van vergunningverlening. Daardoor valt de afweging van belangen – die van omwonenden versus die van de veehouder – vaak uit in het voordeel van degene die de vergunning heeft aangevraagd.

Dat omwonenden een procedure tot planschade kunnen opstarten, maakt op gemeenten weinig indruk. Mocht de planschade worden toegewezen door de rechter, dan is die vaak te verhalen op de veehouder, zo werd tijdens de workshop door een van de deelnemers naar voren gebracht.

Pluimveehouderijen gooien de luiken open: meer stof voor omwonenden

Steeds meer pluimveehouderijen zetten de luiken open om de kippen in overdekte en niet-overdekte uitlopen te laten scharrelen. Zo kunnen ze meer geld verdienen aan het vlees en de eieren. Het Beter Leven Keurmerk stimuleert deze ontwikkeling. De vraag is of omwonenden daar zo blij mee zijn.

Door de stallen te openen, veranderen de emissies van stof, ammoniak en stank. In de meeste gevallen wordt de emissiefactor van gesloten stallen gebruikt, bij gebrek aan emissiefactoren voor open stallen. De natuurlijke ventilatie die optreedt in de overdekte uitlopen veroorzaakt echter andere emissiestromen. Technieken die emissies reduceren werken niet meer optimaal. Het gebruik van luchtwassers is bij natuurlijke ventilatie niet mogelijk. Met de kennis van nu kan gesteld worden dat biologisch gehouden vleeskuikens meer fijnstof uitstoten dan vleeskuikens in gesloten stallen. Ander belangrijk punt is dat de grens van de inrichting verandert door het in gebruik nemen van een vrije uitloop. De afstand van omwonenden tot de inrichting kan daardoor kleiner worden.

Onderzoek
In oktober is er een onderzoek gestart naar de hoogte van emissies van biologisch gehouden pluimvee. In eerste instantie richt het onderzoek zich op de verschillen tussen biologische en reguliere pluimveehouderij, Gekeken wordt of daar emissiefactoren voor de open stallen uit afgeleid kunnen worden. Het kan zijn dat daarna nog metingen noodzakelijk zijn. Hilko Ellen van Wageningen Universiteit & Research gaf tijdens een bijeenkomst van omwonenden van een pluimveebedrijf in Wehl aan dat dit onderzoek ongeveer een jaar in beslag neemt.
Het gemeentebestuur van Doetinchem had de bijeenkomst belegd. In Wehl wil Kemper Kip een biologisch bedrijf starten. Het gemeentebestuur is in afwachting van een GGD-advies. Op de bijeenkomst gingen Wim van der Hoek van het RIVM en Martien Bokma, Hilko Ellen, Nico Ogink en Armin Elbers van de WUR in op vragen van omwonenden.

Het bedrijf dat Kemper Kip wil realiseren is uitzonderlijk qua omvang voor een biologisch bedrijf. Verspreid over 13 stallen zullen circa 50.000 vleeskuikens worden gehouden. Zij krijgen de beschikking over 12 hectare vrije uitloop. Omdat volgens de biologische regels er niet meer dan 16.000 vleeskuikens per locatie mogen worden gehouden, knipt Kemper het bedrijf ter plekke op in meerdere locaties.

Aanscherpen vergunningen mogelijk zonder revisievergunning

Gemeenten en provincies kunnen elk moment besluiten een vergunning van een veehouderij aan te scherpen. De huidige regelgeving verplicht ze zelfs geregeld te kijken of vergunningen voldoen aan technische vereisten en beschikbare technieken.

Dit schrijft minister Schultz van het ministerie van Infrastructuur en Milieu op vragen uit de Tweede Kamer. SP-lid Laçin had gevraagd naar de gevolgen van het uitstel van de invoering van de Omgevingswet. Wat te doen bijvoorbeeld met een bedrijf dat strenger aangepakt moet worden om schadelijke effecten voor het milieu te voorkomen?
Volgens Schultz is het nu al mogelijk om zonder het middel van revisievergunningen bestaande vergunningen te wijzigen en aan te scherpen. Schultz verwijst in haar antwoord naar artikel 2.30 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Aanhoudingsbesluit gewenst voor uitbreiding veehouderij met luchtwassers

De werkgroep max 5 odeur roept gemeenten op met behulp van een lokale geurverordening het verlenen van vergunningen aan veehouderijen met luchtwassers tijdelijk stil te leggen.

Het rendement van luchtwassers staat ter discussie. Er loopt op dit moment een onderzoek door Wageningen Universiteit in opdracht van het ministerie van I&M. De eerste resultaten van dit onderzoek worden in september/oktober verwacht.

Tijdens de evaluatie van de wet geurhinder veehouderij is gebleken dat het rendement van luchtwassers te hoog is ingeschat. Er zijn luchtwassers op de markt die de geuruitstoot van veehouderijen met 85% zouden doen afnemen. Deze luchtwassers zijn erkend en staan op de zogeheten RAV-lijst. Niet uitgesloten wordt dat er bij de technische beoordeling van de luchtwassers fouten zijn gemaakt.

Onderzocht wordt nu wat er precies aan de hand is. De afgelopen maanden (in het voorjaar en aan het begin van de zomer) zijn op vijftig locaties metingen gedaan, dwz luchtmonsters genomen in de stal voor de wasser en direct achter de wasser. Er is hoofdzakelijk gemeten op geur, met behulp van de olfactometrische methode. Daarbij waardeert een panel van mensen met een gemiddelde geurwaarneming de luchtmonsters, Ook maakt men gebruik van snuffelploegen. De metingen geven tevens een indicatie van de ammoniakreductie.

De werkgroep max 5 odeur wijst burgers op de mogelijkheid om hun gemeente te benaderen. Gemeenten moeten geïnformeerd worden over het onderzoek naar het rendement van luchtwassystemen, in het bijzonder van de gecombineerde luchtwassers, vindt de werkgroep max 5 odeur. ”Zolang het ministerie dat niet doet, moeten de burgers dat maar zelf doen.” Gemeenten zouden met een geurverordening de geurnormen tijdelijk zodanig kunnen verlagen, dat nieuwe aanvragen voorlopig geen kans maken. ”Het is een politieke noodgreep, maar een vergunde uitbreiding met luchtwassers draai je niet zomaar terug.”
In de berekende geurbelasting zitten doorgaans al de nodige afwijkingen t.o.v. de feitelijke belasting, maar die zouden nog wel eens veel sterker kunnen zijn door een te hoog ingeschat reductiepercentage van de luchtwasser, aldus max 5 odeur.
Klik hier voor eerder bericht over onderzoek luchtwassers

Participatiehandvest geeft burgers meer invloed

Burgers moeten meer te zeggen krijgen over plannen die van belang zijn voor hun woonomgeving. Een participatiehandvest is daarvoor een goed instrument.

Zo’n participatiehandvest moet worden vastgelegd in de Omgevingswet, vinden de initiatiefnemers Vereniging Eigen Huis en de Nederlandse Vereniging Omwonenden Windturbines (NLVOW). Nu wordt er nog veel gesproken over een dialoog. Een participatiehandvest gaat veel verder: daarmee worden de rechten van burgers vastgelegd bij de uitwerking van de Omgevingswet.

Bewoners Effect Rapportage
Naast een Milieu Effect Rapportage zou er een Bewoners Effect Rapportage moeten komen. Hierin wordt nauwkeurig beschreven wat plannen betekenen voor omwonenden.
Ook zou er een budget voor participatie moeten komen. Met dat geld kunnen burgers hun eigen adviseurs inhuren. Bovendien voorziet het handvest in erkenning voor burgers die ”onevenredig hoge schade” lijden. Burgers zouden in aanmerking moeten voor een schadevergoeding.

Voorkeursalternatief
Met een participatiehandvest willen de initiatiefnemers de positie van burgers in wet- en regelgeving versterken. Het leidt uiteindelijk tot een voorkeursalternatief. De verantwoordelijkheid voor vergunningverlening of vaststelling van bestemmingsplan blijft uiteraard bij het bevoegd gezag, maar dat moet wel een goede afweging maken.
Vereniging Eigen Huis en de NLVOW voorspellen minder frustratie, snellere besluitvorming en minder kosten. Tijdrovende en dure juridische procedures kunnen met een participatiehandvest worden voorkomen.

Waarom zitten we zo in de stank?

Er zijn nog altijd politici die het stankprobleem van de intensieve veehouderij afdoen met verhalen over vroeger. ”Toen stonk het ook”,  zeggen ze dan. Wat ze er niet bij vertellen is dat de stank van nu, die van de schaalvergroting en de intensivering, vele malen erger, heviger, intenser en omvangrijker is dan toen de boer nog normaal zijn mest uitreed.

Ja, die goeie ouwe tijd. De veehouderij in Nederland is de afgelopen decennia ingrijpend veranderd. Niemand zal dat ontkennen. Ook het inzicht dat het met de veehouderij volledig uit de hand is gelopen, is inmiddels wijd verspreid. Hoe kan het dan dat veranderingen zo moeizaam gaan? Zijn de stank-ontkenners toch nog steeds in de meerderheid?

Wie wil weten hoe het zover heeft kunnen komen en wat de kansen zijn op verandering, moet het boek ”Dit is uw land” van Hans van Grinsven en Kees Kooman maar eens lezen. Niet dat het veel over stank gaat, maar het verschaft wel een enorm inzicht in alles wat die stank veroorzaakt. De historische achtergronden, de feiten, de politieke discussies, de maatregelen die niet werkten, de verwevenheid van overheid en bedrijfsleven – het komt allemaal voorbij.

Het is geen vrolijk stemmend boekwerk dat de twee auteurs voorschotelen. Maar wel leerzaam en misschien ook wel enigszins hoopgevend. Burgers in het buitengebied volgen bevreesd de huidige kabinetsformatie. Toch hoeft het CDA-VVD-D66-CU-kabinet dat nu in de maak is, niet perse de intensieve veehouderij weer wind in de zeilen te geven. Waren het niet Gerrits Braks (CDA) en Pieter Winsemius (VVD) – bekend als de ministers van Grond&Stront en Frisse lucht – die in 1982 een wet doorvoerden om de groei van het aantal varkens en kippen per direct af te stoppen? Braks had schoon genoeg van alle stank. ”Tot de dood ons scheidt, schijten we ons dood”, hield hij iedereen voor die het maar horen wilde. Eenzelfde samenwerking hangt nu in de lucht en wie weet wordt het een coalitie die opnieuw fikse knopen zal doorhakken. Zo kan het huidige ”Brabantse model” wel eens een voorbode zijn van wat er in de rest van het land gaat gebeuren.
Dit is uw land, het einde van een boerenparadijs, 320 pagina’s, is uitgegeven door De Kring. Prijs: €21,50

Dialoog over veehouderij loopt vast op waardenconflict

Een dialoog tussen burgers, bestuurders en veehouders over de veehouderij is een brug te ver. De tegenstellingen zijn te groot, zo bleek in het debat tussen Cor de Nijs van de Kerngroep Limburg Gezonder en CDA-bestuurder Hubert Mackus. De Limburgse omroep L1 liet beiden aan het woord in De Stemming. De standpunten die werden ingenomen lagen mijlenver uit elkaar.
De Nijs gaf weer hoe burgers over de huidige veehouderij in Limburg denken en stelde de gezondheidseffecten centraal. Mackus bleef hameren op de economische betekenis van de sector en voorspelde een maatschappelijke crisis bij een drastische vermindering van het aantal dieren, vergelijkbaar met de sluiting van de mijnen. De CDA-bestuurder sprak over de noodzaak van transitie en technische maatregelen om de uitstoot van stank en fijnstof te verlagen. De Nijs liet blijken daar weinig waarde aan te hechten. (zie ook bericht: Luchtwassers doen niet wat ze beloven). De bulkproductie in Nederland is helemaal niet nodig om de technologie van de sector te kunnen exporteren, aldus De Nijs.
Het debat maakte duidelijk dat achter de meningsverschillen geen belangenconflict maar een waardenconflict schuil gaat. En dat de waarden volksgezondheid en economie (geld en werkgelegenheid) in het met dieren volgepakte Limburg (ruim 15 miljoen kippen en bijna 2 miljoen varkens) niet meer bij elkaar te brengen zijn. Het waardenconflict vraagt om een politieke keuze. Zolang de politiek onomwonden kiest voor de economie en de aanpak van gezondheidseffecten op de lange baan schuift, dan is een dialoog tussen burger, bestuurder en veehouder in feite zinloos.

Burgers in de steek gelaten door rijksoverheid

Burgers die in de stank zitten door veehouderijen, voelen zich in de steek gelaten door de rijksoverheid. Die zou met strengere geurnormen een belangrijke aanzet kunnen geven tot een verbetering van het leefklimaat op veel plaatsen in Nederland. Maar demissionair staatssecretaris Sharon Dijksma van Infrastructuur & Milieu weigert de regie te nemen, zo blijkt uit haar reactie op het advies van de bestuurlijke werkgroep die de geurregelgeving heeft geëvalueerd.

Via een juridische procedure die op dit moment in voorbereiding is, zullen burgers de staat aanklagen wegens nalatigheid als het gaat om het voorkomen van stankoverlast. De burgers worden terzijde gestaan door de jurist mr. Valentijn Wösten en advocaat mr. Nout Verbeek. Zij stellen dat de woonkwaliteit van omwonenden door de overheid onvoldoende is gewaarborgd. De wettelijke geurnormen bieden niet genoeg bescherming.

Dijksma is vooralsnog niet van plan van koers te veranderen. In plaats van te kiezen voor het aanscherpen van de normen, gooit de staatssecretaris het stankprobleem definitief over de schutting van gemeenten en provincies. In feite zegt ze: zoek het maar uit. Daarbij vergeet ze dat de rijksoverheid een grote verantwoordelijkheid draagt voor de stank waaraan omwonenden van veehouderijen dagelijks worden blootgesteld. Met de invoering van de Wet geurhinder veehouderij in 2007 zijn er zeer ruime geurnormen vastgesteld en hebben gemeenten ook nog eens de vrijheid gekregen die normen op te rekken. Dit heeft niet alleen geleid tot talrijke overbelaste situaties, maar ook tot conflicten tussen burgers en boeren en verstoorde verhoudingen in gemeenschappen.

Dijksma had een belangrijk signaal kunnen afgeven, door burgers in bescherming te nemen. Zij laat dat helaas na, stelt de burgerwerkgroep max5odeur, die heeft deelgenomen aan de evaluatie. Het advies van de bestuurlijke werkgroep, waarin duidelijk een tweespalt zichtbaar is tussen provincies, gemeenten en bedrijfsleven enerzijds, en burgergroeperingen, GGD’en en milieufederaties anderzijds, had voor Dijksma aanleiding kunnen zijn tot een keuze. In plaats van te kiezen, trekt ze haar handen ervan af. Gevolg zal zijn dat de strijd voor een beter leefklimaat zich gaat verharden. Burgers die in de stank zitten, zijn nu volledig op zichzelf en de lokale politiek aangewezen.

Enig lichtpuntje is de Omgevingswet die, zoals het zich nu laat aanzien, geen ruimte meer biedt voor zogeheten geurverordeningen. Gemeenten moeten in omgevingsplannen aangeven hoeveel het ergens mag stinken. Burgers kunnen dus langs de weg van inspraak, bezwaar en beroep de kwaliteit van de leefomgeving bewaken. Dan zal ook blijken of gemeentelijke geurnormen juridisch houdbaar zijn.