Gemeenten kunnen zelf geitenhouderij aan banden leggen

Gemeenten zijn helemaal niet afhankelijk van provincies om uitbreiding van geitenhouderijen en pluimveehouderijen tegen te gaan. Ze kunnen zelf een beroep doen op het voorzorgbeginsel.

Dat blijkt uit een advies dat GGD IJsselland heeft opgesteld voor het college van B&W van de gemeente Olst Wijhe. Aanleiding voor het advies is een aanvraag van een pluimveehouderij voor uitbreiding met 20.000 leghennen. De emissies (ammoniak, geur en fijnstof) van het bedrijf zouden met ongeveer 50% toenemen. Volgens de GGD kan de gemeente op basis van het voorzorgbeginsel de vergunning weigeren of aanvullende eisen stellen.

”Met name de bevinding van een verhoogd risico op longontsteking van 11% door een individueel bedrijf bij omwonenden van pluimveebedrijven is in wetenschappelijke zin relevant en evident, hoewel het oorzakelijk verband niet volledig vaststaat. Wel laten meerdere onderzoeken dezelfde verbanden zien”, aldus de GGD. De GGD stelt dat dit statistisch verband geldt voor alle pluimveebedrijven in Nederland.

Wat voor de pluimveehouderij geldt, is ook van toepassing op de geitenhouderij. Zoals bekend hebben de provincies Brabant en Gelderland een stop afgekondigd op de geitenhouderij, totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaken van het verhoogde risico op longontsteking bij omwonenden. De provincie Overijssel ziet vooralsnog af van een dergelijk besluit.

Hoogspanningsleidingen
Uit het advies van de GGD valt af te leiden dat gemeenten een dergelijke provinciale stop helemaal niet nodig hebben. De GGD trekt een parallel met hoogspanningsleidingen. Er is een statistisch verband tussen wonen in de buurt van hoogspanningslijnen en het risico op leukemie bij kinderen. ”Ondanks de onzekerheden over de gevonden relatie worden er uit voorzorg tientallen miljoenen euro’s uitgegeven aan het uitkopen van huiseigenaren, zoneren, verkabelen en ondergronds brengen van hoogspanningslijnen”, aldus GGD IJsselland. ”Op basis van het voorzorgsbeginsel lijkt het daarom mogelijk om maatregelen te nemen of te eisen die verder gaan dan de wettelijke verplichtingen.”

De werkgroep max5odeur adviseert omwonenden die te maken krijgen met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen en pluimveehouderijen via een zienswijze gemeenten te wijzen op toepassing van het voorzorgbeginsel. Raadpleeg daarbij ook Infomil. Deze website van de overheid met uitleg van de wet- en regelgeving heeft sinds kort een pagina over veehouderij en gezondheid. Op het gebied van fijnstof en ammoniak kunnen gemeenten en provincies voor grote bedrijven eisen stellen die verder gaan dan de zogeheten Best Beschikbare Technieken (BBT).

Inwoners buitengebied kregen jaren lang meer stank over zich heen door mestfraude

Inwoners van het buitengebied hebben jarenlang meer stank over zich heen gekregen door grootschalige mestfraude. De overheid is hiervan al geruime tijd op de hoogte, zo blijkt uit een het rapport ”Mest nader onder de loep genomen”.

Het rapport is eind vorig jaar na publicaties in de NRC naar de Tweede Kamer gestuurd. Het bevestigt niet alleen het beeld van georganiseerde fraudepraktijken, maar ook van andere strafbare feiten, zoals het plaatsen van meer dieren dan is toegestaan. Dit laatste doet zich vooral voor in de varkenshouderij. De onderzoekers Piet Blauw en Marco Korff noemen in dit verband ook nadrukkelijk de pluimveehouderij. RVO.NL beschikt over voldoende gegevens om dit stelselmatig te controleren, maar dit gebeurt onvoldoende, aldus de onderzoekers.

Het rapport ”Mest nader onder de loep genomen” is opgesteld in opdracht van het toenmalige ministerie van Economische Zaken en werd in mei 2016 aangeboden. Pas eind 2017 is het naar de Tweede Kamer gestuurd, nadat de NRC de omvang en aard van de mestfraude in kaart had gebracht. De NRC-publicatie is veel gedetailleerder en noemt ook man en paard. Uit het rapport blijkt dat ook agrarische adviesbureau’s bij de mestfraude zijn betrokken. De stichting Mens, dier en Peel heeft becijferd om hoeveel illegale mest het eigenlijk gaat, uitgaande van een fraudepercentage van 25%: ”In Zuidoost-Nederland is tussen 2013 en 2015 minstens 9,5 miljoen ton mest verdwenen in een illegaal circuit. In deze mest zat circa 47,5 miljoen kg stikstof en 16,5 miljoen kg fosfaat”, meldt de stichting op de website Knak de worst. De mestfraude doet zich overigens niet alleen in het zuiden van Nederland voor. Onlangs werden nog frauderende melkveehouders uit Friesland aangehouden. Wie in het buitengebied woont verbaast zich allang niet meer over de gigantische hoeveelheden mest die jaarlijks tussen februari en september worden uitgereden.

Longfunctie
De gevolgen van mestfraude en het houden van meer dieren zijn omvangrijk. Niet alleen voor het milieu, maar ook voor burgers in het buitengebied. Zij krijgen veel meer stank over zich heen dan officieel is toegestaan. Bekend is dat het uitrijden van mest schadelijk is voor de volksgezondheid. Vooral de longfunctie heeft eronder te lijden. Het rapport ”Veehouderij en Gezondheid Omwonenden” zegt daarover: ”Hoge ammoniak-niveaus treden op als gevolg van het uitrijden van mest, al dan niet in combinatie met stabiel, stagnerend weer, gekenmerkt door lage windsnelheden. (..) Vooral de samenhang met ammoniakniveaus impliceert een directe relatie tussen veehouderij en longfunctie. Het effect van ammoniak op de longfunctie was sterker dan het effect van de aanwezigheid van een groot aantal veehouderijen rond de woning, maar de associaties bleken onafhankelijk van elkaar te bestaan.”
Mest_nader_onder_de_loep_genomen (1)

Varkenshouder moet buren schadevergoeding betalen

Varkenshouder Roel Hakvoort uit het Gelderse Hengelo moet zijn buren een schadevergoeding betalen vanwege langdurige stankoverlast. Volgens de rechtbank in Zutphen is vastgesteld dat de stanknormen werden overschreden.

De buren zijn al tien jaar slachtoffer van de stank uit de varkensstallen aan het Braaksevoetpad 7, waar Hakvoort volgens eigen zeggen 6700 vleesvarkens houdt. De rechter heeft hem opdracht gegeven binnen een half jaar de stank aanzienlijk terug te brengen, op straffe van een dwangsom van maximaal €50.000. De hoogte van de schadevergoeding moet nog worden vastgesteld. Drie buren komen ervoor in aanmerking. Het gaat mogelijk om tienduizenden euro’s.

De uitspraak van de rechter is opmerkelijk, aangezien de varkenshouder over een geldige milieuvergunning beschikt, waarin de overschrijding van de stanknormen is toegestaan. De rechter stelt nu de stanknormen (maximaal 14 odeur in dit geval) boven de vergunning. De jurist Valentijn Wösten laat weten dat in honderden vergelijkbare zaken omwonenden naar de rechter kunnen voor een schadevergoeding.

Voor een achtergrondartikel, klik hier: Bedrijfsbelangen versus woonrechten

Stankoverlast veehouderij onderdeel van ”integrale verduurzamingsaanpak”

Het aanpakken van stankoverlast wordt (opnieuw) onderdeel van de zogenaamde ‘integrale verduurzamingsaanpak veehouderij’. Dat heeft Staatssecretaris Stientje van Veldhoven (D66) aangekondigd tijdens een overleg met de Tweede Kamer. Ze liet weten dat maar liefst drie ministeries zich met die verduurzaming gaan bemoeien: Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en Infrastructuur & Waterstaat (I&W). Opmerkelijk is dat ‘Milieu’ inmiddels uit de naam van dit ministerie is verdwenen. Het is de bedoeling dat alle belanghebbende partijen bij dit proces worden betrokken, ook burgers.

De voorganger van de huidige staatssecretaris, Sharon Dijksma, had het stankprobleem eerder dit jaar nog over de schutting gegooid bij provincies en gemeenten. ”Geuroverlast is een lokaal probleem”, stelde ze op 1 juni in een Kamerbrief naar aanleiding van een evaluatierapport over de wet Geurhinder en veehouderij. Dijksma sprak in haar brief weliswaar ook over een ‘integrale aanpak voor een duurzame veehouderij’. Ze hield daarbij de mogelijkheid open dat de geurregels veranderd zouden moeten worden, maar daar liet ze het ook bij.

Cumulatie van stank
Van Veldhoven zei in de Kamer niet veel anders, maar gaf wel aan dat er serieus naar oplossingen wordt gezocht. Daarvoor kan nader onderzoek naar effectieve maatregelen tegen stankoverlast nodig zijn, zei ze. De kern van het probleem, de vele hiaten in de huidige wet Geurhinder en veehouderij, bleven grotendeels onbesproken. Zo wordt de stank van melkveehouderijen en nertsenfarms, uitrijden van mest, cumulatie van stank en stank van mestfabrieken niet meegeteld in de huidige wet Geurhinder en veehouderij. De enige toezegging die de staatssecretaris deed was dat ‘bestaande regels vooruitlopend op de nieuwe Omgevingswet gewijzigd kunnen worden’.
D66-kamerlid Jessica van Eijs had gevraagd of bij het beoordelen van de geurbelasting van het ene bedrijf rekening kan worden gehouden met de geurbelasting van andere bedrijven. Ook wilde ze weten of het mogelijk is afstanden in te voeren die gerelateerd zijn aan de omvang van melkveebedrijven en of de zogeheten 50%-regeling kan vervallen. Staatssecretaris Van Veldhoven zei toe te gaan kijken ‘wat er landelijk kan en moet en wat gemeenten zelf kunnen regelen’.

Wat houdt de integrale verduurzamingsaanpak in? Klik hier

Geen handreiking
Op vragen van Frank Wassenberg (Partij voor de Dieren) of het verminderen van dieren ook een optie is, verzekerde Van Veldhoven dat er voor haar geen dogma’s zijn. Wassenberg stelde terecht dat er geen nader onderzoek meer nodig is naar de stankproblematiek. ”Er zijn inmiddels zoveel rapporten over dit onderwerp verschenen. Daar kunnen we de hele Tweede Kamer mee behangen.”
Wassenberg was het enige Kamerlid dat erop wees dat er al veel is geprobeerd om de stankoverlast in veedichte gebieden terug te dringen, maar dat het allemaal niet heeft geholpen. Geheel in lijn met deze opmerking: een dag voor het overleg in de Tweede Kamer liet het ministerie aan de deelnemers van de evaluatiecommissie weten dat er geen ‘Handreiking geurhinder veehouderij’ komt. Met een dergelijke handreiking hadden ministeries en Kamer een positief gebaar kunnen maken naar de deelnemers aan de evaluatiecommissie en burgers die dagelijks hinder ondervinden van de intensieve veehouderij. Er werd door diverse partijen reikhalzend naar uit gekeken.

Beperkte mogelijkheden
Maar de boodschap van het ministerie was teleurstellend: er zijn ‘slechts beperkte mogelijkheden’ om de stankoverlast in de overbelaste gebieden aan te pakken. Daarbij werd verwezen naar een rapport van Wageningen Universiteit met (opnieuw) technische ‘oplossingen’ (Stalmaatregelen voor het reduceren van geuremissie uit de intensieve veehouderij, zie link hieronder). Uit dat onderzoek blijkt dat gecombineerde luchtwassers het stankprobleem van de varkenshouderij slechts ten dele aanpakken. Aan deze installaties worden onrechte reductiepercentages van 70% tot 85% toegekend. Hoewel het onderzoek nog loopt, worden stallen met deze installaties toch nog steeds vergund. Het is de bekende weg van eindeloos geloof in techniek, de neus dicht knijpen en wachten op de volgende ronde voldongen feiten…
Stalmaatregelen voor het reduceren van geuremissie uit de intensieve veehouderij

Hieronder een link naar het verslag van het Algemeen Overleg van 14 december 2017
Conceptverslag AO Leefomgeving 14 dec 2017

Gaat de veehouderij binnenkort op slot?

Twee milieuorganisaties hebben de Raad van State gevraagd het Programma Akkoord Stikstof (PAS) te schorsen. Mocht de Raad van State hiermee instemmen dan kunnen er voorlopig geen vergunningen in het kader van de natuurbeschermingswet worden afgegeven. Dat zou betekenen dat de veehouderij op slot gaat.

Het PAS is enkele jaren geleden in het leven geroepen om de ammoniakuitstoot te begrenzen en de natuur te herstellen. Voor de begrenzing van de uitstoot is een rekenmodel ontwikkeld (Aerius). Daarmee kan bepaald worden hoeveel ruimte er is voor uitbreiding van activiteiten die gepaard gaan met de uitstoot van ammoniak.
De milieuorganisaties – Coöperatie Mobilisation for the Environment en de Vereniging Leefmilieu – betogen dat er al teveel ontwikkelruimte is uitgegeven. Ze brengen dit naar voren in een beroepszaak tegen een vergunning voor een veehouderij in Kootwijkerbroek.

Leefgebieden van soorten
Onlangs is het Aerius-model bijgesteld. Sindsdien moet niet alleen de ammoniakbelasting op natuurgebieden worden uitgerekend, maar ook op leefgebieden van soorten. Daarmee is bij eerder verleende NB-wetvergunningen geen rekening gehouden. Er blijkt meer ammoniakuitstoot te zijn vergund dan volgens het PAS is toegestaan, aldus de organisaties.
Zij wijzen erop dat het Aerius-rekenmodel nog altijd een ernstige tekortkoming bevat. Als de maximale ammoniakbelasting voor een bepaald gebied wordt overschreden, dan is dat in het model niet terug te vinden. Daarnaast is er het verschil tussen berekeningen en metingen. Metingen tonen al geruime tijd een minder rooskleurig beeld dan berekeningen. De berekeningen laten een daling zien, terwijl de metingen een lichte stijging van ammoniak aantonen. Er wordt met andere woorden feitelijk meer ammoniak uitgestoten dan in de vergunningen is weergegeven. De milieuorganisaties stellen dat gemeenten en provincies onvoldoende gewicht toekennen aan de metingen. Ook wordt er geen rekening gehouden met overtreding van de mestregels.
De organisaties verwachten begin volgend jaar een uitspraak van de Raad van State.
Verzoek om schorsing PAS

Burgergroepen: overheid moet ingrijpen in ontspoorde veehouderij


(Foto Google Earth)

De veehouderij in Nederland is volledig ontspoord. De rijksoverheid moet ingrijpen, de bedrijven aanzienlijk verkleinen en duidelijke normen stellen. Die normen moeten omwonenden beter beschermen tegen stank, lawaai en gezondheidsschade.

In een brief aan de nieuwe minister van landbouw en staatssecretaris van milieu laten 56 burgergroepen uit het hele land een noodkreet horen. Deze ‘buren van de boeren’ vinden dat de bewindslieden Carola Schouten (LNV) en Stientje van Veldhoven (I&M) in deze regeerperiode orde op zaken moeten stellen. De burgergroepen hebben geen vertrouwen in het vermogen van de sector om zelf ingrijpende veranderingen teweeg te brengen. Er zijn al teveel rapporten verschenen over verduurzaming van de veehouderij. Ondertussen stapelen de misstanden en schandalen zich op.

Stop op mestverwerking
In hun brief doen de burgergroepen 20 concrete voorstellen die op korte termijn moeten leiden tot een verbetering van het leefklimaat in het buitengebied en de dorpen. Een van de voorstellen betreft een voorlopige stop op mestverwerkingsinstallaties. Een ander voorstel is om gecombineerde luchtwassers per direct van de lijst emissie-reducerende technieken te halen. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat het rendement van deze installaties tegenvalt.

Industrie
Niet alleen in Brabant en Limburg, ook elders zijn burgers de dupe van een verdergaande schaalvergroting en intensivering van de veehouderij. Deze bedrijfstak is uitgegroeid tot een industrie, zonder dat deze als zodanig wordt behandeld. Lokale overheden blijken in vergunningtrajecten niet opgewassen tegen gewiekste en intimiderende agrarische adviesbureaus. Omgevingsdiensten missen de expertise om industriële activiteiten te beoordelen, te controleren en handhavend op te treden. In de sector is sprake van een diepgewortelde cultuur waarin overtreding van wetten als normaal wordt beschouwd.

Tweede Kamer
Alleen een rijksbeleid met strakke kaders, primair gericht op bescherming van volksgezondheid en milieu, kan  een einde maken aan een volledig uit de hand gelopen veehouderij. Provincies en gemeenten zijn daar niet toe in staat. De burgergroepen richten zich met hun noodkreet ook tot de Tweede Kamer. Zij vragen om een hoorzitting over de voorgestelde maatregelen.

Brief aan de minister van Landbouw en staatssecretaris Infrastructuur en Milieu

Burgers kunnen zelf GGD om advies vragen

Burgers die een zienswijze willen indienen tegen een vergunning voor een veehouderij of een mestverwerker, kunnen zelf de GGD om advies vragen. Een GGD is er niet alleen voor de gemeente, maar voor de gehele bevolking. Wanneer een gemeente het niet nodig vindt de GGD in te schakelen, is het dus mogelijk dat gezondheidsrisico’s op verzoek van omwonenden in beeld worden gebracht.
Tijdens het symposium Veehouderij en Gezondheid op 3 november in Den Bosch werd algemeen gepleit voor het vroegtijdig informeren van burgers bij de vestiging of uitbreiding van een veehouderij. Oud GGD-arts Jos van de Sande gaf in een van de workshops het belang aan van een rechtstreekse relatie tussen de GGD en omwonenden. Hij benadrukte ook dat een GGD niet alleen in opdracht van een gemeente werkt.
Hoewel steeds meer gemeenten de GGD om advies vragen bij de vestiging of uitbreiding van een veehouderij, is dat nog lang niet in alle gevallen gebruikelijk.
Omwonenden kunnen daar dus zelf op aansturen. Met een GGD-advies kan een besluit van een gemeente over een vergunningaanvraag beter onderbouwd worden aangevochten.

Gemeenten procederen liever tegen omwonenden dan tegen veehouders

Gemeenten procederen liever tegen omwonenden dan tegen veehouders. Waarom?

Als omwonenden een procedure winnen, dan kost dat de gemeente hooguit enkele duizenden euro’s. Als een bedrijf een procedure wint, dan volgt er een veelal een eis tot schadevergoeding. Die kan in de honderdduizenden euro’s lopen.

Omwonenden van veehouderijen hebben vaak het idee dat gemeenten bij het verlenen van een vergunning zich teveel laten leiden door de belangen van de ondernemer. De eventuele financiële gevolgen spelen hierin een belangrijke rol. Wanneer een rechter in een beroepsprocedure van omwonenden een vergunning vernietigt, loopt een gemeente geen grote financiële risico’s.

Angst voor schadeclaims
Tijdens een van de workshops van het symposium veehouderij en gezondheid, op 3 november in De Bosch, bleek dat gemeenten grote angst hebben voor schadeclaims. Veehouders en hun adviseurs dreigen daar ook mee gedurende het proces van vergunningverlening. Daardoor valt de afweging van belangen – die van omwonenden versus die van de veehouder – vaak uit in het voordeel van degene die de vergunning heeft aangevraagd.

Dat omwonenden een procedure tot planschade kunnen opstarten, maakt op gemeenten weinig indruk. Mocht de planschade worden toegewezen door de rechter, dan is die vaak te verhalen op de veehouder, zo werd tijdens de workshop door een van de deelnemers naar voren gebracht.

Pluimveehouderijen gooien de luiken open: meer stof voor omwonenden

Steeds meer pluimveehouderijen zetten de luiken open om de kippen in overdekte en niet-overdekte uitlopen te laten scharrelen. Zo kunnen ze meer geld verdienen aan het vlees en de eieren. Het Beter Leven Keurmerk stimuleert deze ontwikkeling. De vraag is of omwonenden daar zo blij mee zijn.

Door de stallen te openen, veranderen de emissies van stof, ammoniak en stank. In de meeste gevallen wordt de emissiefactor van gesloten stallen gebruikt, bij gebrek aan emissiefactoren voor open stallen. De natuurlijke ventilatie die optreedt in de overdekte uitlopen veroorzaakt echter andere emissiestromen. Technieken die emissies reduceren werken niet meer optimaal. Het gebruik van luchtwassers is bij natuurlijke ventilatie niet mogelijk. Met de kennis van nu kan gesteld worden dat biologisch gehouden vleeskuikens meer fijnstof uitstoten dan vleeskuikens in gesloten stallen. Ander belangrijk punt is dat de grens van de inrichting verandert door het in gebruik nemen van een vrije uitloop. De afstand van omwonenden tot de inrichting kan daardoor kleiner worden.

Onderzoek
In oktober is er een onderzoek gestart naar de hoogte van emissies van biologisch gehouden pluimvee. In eerste instantie richt het onderzoek zich op de verschillen tussen biologische en reguliere pluimveehouderij, Gekeken wordt of daar emissiefactoren voor de open stallen uit afgeleid kunnen worden. Het kan zijn dat daarna nog metingen noodzakelijk zijn. Hilko Ellen van Wageningen Universiteit & Research gaf tijdens een bijeenkomst van omwonenden van een pluimveebedrijf in Wehl aan dat dit onderzoek ongeveer een jaar in beslag neemt.
Het gemeentebestuur van Doetinchem had de bijeenkomst belegd. In Wehl wil Kemper Kip een biologisch bedrijf starten. Het gemeentebestuur is in afwachting van een GGD-advies. Op de bijeenkomst gingen Wim van der Hoek van het RIVM en Martien Bokma, Hilko Ellen, Nico Ogink en Armin Elbers van de WUR in op vragen van omwonenden.

Het bedrijf dat Kemper Kip wil realiseren is uitzonderlijk qua omvang voor een biologisch bedrijf. Verspreid over 13 stallen zullen circa 50.000 vleeskuikens worden gehouden. Zij krijgen de beschikking over 12 hectare vrije uitloop. Omdat volgens de biologische regels er niet meer dan 16.000 vleeskuikens per locatie mogen worden gehouden, knipt Kemper het bedrijf ter plekke op in meerdere locaties.