Artikelen

8 januari 2018
BEDRIJFSBELANGEN VERSUS WOONRECHTEN

Een varkenshouderij in Hengelo (gemeente Bronckhorst) is door de Rechtbank Gelderland verplicht om ernstig geurhinder bij de buren aan te pakken. Bovendien is de veehouder veroordeeld tot schadevergoeding vanwege jarenlange stankoverlast. De bestuursrechtjurist Valentijn Wösten licht de zaak toe. Hij stelt: ”Bedrijfsbelangen zijn best belangrijk, maar kunnen niet alle woonrechten onbeperkt opzij zetten” En: ”Stank van megastallen kan niet worden beoordeeld met stanknormen voor veebedrijven uit de tijd van Ot en Sien.”

Rechters redeneren over het algemeen uiterst conservatief, vanuit bestaande belangen.
Rechters kunnen enkel recht spreken als ook wetgeving bestaat. Waar geen wetgeving bestaat, treden rechters doorgaans terug, vaak al snel benauwd te worden beschuldigd op de stoel van de wetgever te gaan zitten.

Bedrijfsbelangen
Rechters redeneren daarbij doorgaans vanuit bestaande belangen, waaronder in het bijzonder bedrijfsbelangen. Dit om de eenvoudige reden dat die doorgaans het sterkst in de wetgeving zijn vertegenwoordigd. In dit verband is het misschien aardig een citaat van Anatole France te noemen: “verheven gelijkheid voor die wet die zowel aan de rijken als aan de armen verbiedt om te bedelen en onder bruggen te slapen.”
Is hierbij nog een lang verhaal nodig over de politieke vertegenwoordiging van veehouderijbelangen? Of kan ik volstaan met onderstaand overzicht over de Tweede Kamer-samenstelling in 2006, ten tijde van de behandeling Wet Geurhinder en Veehouderij. Met voor het CDA (44 zetels): Schreijer-Pierik, Ormel, Koopmans. Voor de VVD (28 zetels): Oplaat, LPF (8 zetels): Van den Brink. Allemaal mensen die direct uit de veehouderijsector komen, en ook als agro-woordvoerder optraden. SGP was niet eens nodig voor een meerderheid …
Teken hierbij nog aan dat de PvdA structureel agro-belangen als politiek wisselgeld inzet in coalitie-onderhandelingen (lees: alles in dit dossier weggeven).

Woonbelangen
En dan de woonbelangen.
Die hebben enkel een stem(metje) bij de gratie van incidentele welwillendheid van bestuurders. Serieuze publieke belangenvertegenwoordiging van woonbelangen schittert meestal door afwezigheid.  Als meest voor de hand liggende woordvoerder in dit onderwerp kan je wellicht nog denken aan Vereniging Eigen Huis (VEH).
Ik heb VEH enkele jaren geleden wel eens benaderd: van de Wet Geurhinder en Veehouderij hadden ze nog nooit gehoord…Wat trouwens wel bevreemding oproept. Het gaat om de belangen van misschien wel een miljoen bewoners in het buitengebied tegen het belang van enkele duizenden megaveehouders (lees: zij die mikken op bulkproductie / schaalvergroting en bereid zijn hun bedrijfsbelangen boven die van hun buren te stellen). Trouwens wel weer een sterk voorbeeld hoe een kleine groep een veel grotere groep politiek gegijzeld kan houden.
Als je bovendien ziet hoe er door het openbaar bestuur geklungeld wordt met optreden inzake de milieugevolgen van Schiphol, de milieugevolgen van Groningse gaswinning of het reductiebeleid van broeikasgassen (NL op Europees niveau hekkensluiter…), dan stel ik: het Nederlandse ministerie van milieu is daadwerkelijk tot op de bodem afgebroken.

Deskundige milieuambtenaren bestaan niet meer, de MNP-rapporten hebben evenveel politiek gewicht als de rapporten van de nationale ombudsman of de Rekenkamer.
Ze worden ter kennisgeving aangenomen / we gaan over tot de orde van de dag.
Of, om het nog anders te zeggen: als we vaststellen dat de kranten vol staan over problemen bij de politie-organisatie, het op peil houden van de defensiecapaciteit, het onvermogen om de kwaliteit van de belastingdienst op peil te houden. Of -iets dichter bij huis: het klungelige optreden van de NVWA, en we daarbij weten dat in elk van die beleidsterreinen tenminste nog redelijk mondige politieke tegenkrachten bestaan. En we bekijken vervolgens het politieke landschap van milieu- en woonbelangen, waarbij we het in Nederland tot nu toe moeten doen met een ‘hard roepen, en vervolgens hard wegrennen’-clubje als Milieudefensie, en een VEH die nog nooit van de Wet geurhinder heeft gehoord: een gezonde politieke krachtenverhouding in de agrosector is totaal zoek.

Tweedeling geurnormen
En dat is te merken. Althans, als je de moeite neemt de zaken rustig op een rijtje te zetten. Laten we ons hier verder beperken tot de geurnormen voor veehouderij.
De ene helft van NL heeft een bijna tweevoudig lagere geurbescherming dan de andere helft van NL (14 Ou versus 8 Ou), op basis van de -zwaar omstreden- aanname van ‘adaptatievermogen’ van geurgehinderden.
Een soortgelijk argument was ook te horen in het 19e eeuwse politiek debat over kinderarbeid. Kinderen moesten zo jong mogelijk wennen aan werken. En, om het nog scherper te stellen: tuurlijk, een mens zal zich ook (moeten) aanpassen als het oorlog is.
Maar is het ook een goede leefomstandigheid?
Is dat objectief of is het politiek opportunisme?
Voorstanders van de tweedeling van NL in geurnormering zeggen dat verschillende geurnormen in het buitengebied even redelijk zijn als verschillende snelheidslimieten voor auto’s in en buiten de bebouwde kom. Maar die feitenvergelijking ligt toch iets anders.
Analoog geredeneerd is nu toegestaan dat in de ene helft van NL 50 km/u in de bebouwde mag worden gereden, en in de andere helft van NL 100 km/u in de bebouwde kom…
In welk deel van NL wilt u wonen?

De zaak zelf
Dan de uitspraak zelf:
Het blijft een conservatieve uitspraak.
Er is door eisers onder meer betoogd dan de tolerantienorm bij 5 Ou/m3 hoort te liggen, conform de harde bovengrens die voor vrijwel alle NLse bedrijvigheid geldt.
In 1994 (Herziene Nota Stankbeleid van 30 mei 1994) is door het kabinet vastgelegd dat in 2010 alle geurhinder dient te zijn opgeheven (!).
Waarom voor de veehouderij een hogere norm dan 5 Ou/m3 aanvaarden, als voor alle overige bedrijvigheid 5 Ou/m3 de bovengrens is?
Als al speling zou worden gelaten, dan moet 8 Ou/m3 toch de harde bovengrens zijn.
Te meer omdat er meer dan genoeg milieutechnieken zijn om de geur te reduceren.
Maar nee, in de helft van NL is dat zelfs opgerekt naar 14 Ou.
En zelfs dat is niet de harde grens: daarboven blijft vergunningverlening mogelijk met een beroep op bestaande rechten; de z.g. 50/50-regeling.
Wellicht wilt u tenminste de mogelijkheid open houden dat een geurbelasting van ruim meer dan 14 Ou/m3, waar de bestaande milieu-inzichten stellen dat die eigenlijk 5 Ou/m3 hoort te zijn, een harde grens overschrijdt…

Bedrijfsbelangen zijn best belangrijk, maar kunnen niet alle woonrechten onbeperkt opzij zetten. Dit is althans wat de rechter in de uitspraak van 20 december heeft gezegd.
De vergunningpraktijk is heel simpel: een vergunning vertegenwoordigt bedrijfskapitaal.
Hoe meer je met je vergunning mag, hoe meer die vergunning (het bedrijf/ het bedrijfsperceel) waard is.  Waar geurnormen worden overschreden (of stikstofnormen enz.) is het in het belang van het bedrijf om die overschrijding maximaal in stand te houden.
Want: die milieubelasting kan bij een latere bedrijfsuitbreiding (deels) worden ingeruild voor nieuwe emissies, ondanks de normoverschrijding.
Dat heeft als morbide effect dat bedrijven een overbelasting vaak maximaal in stand willen houden, met het oog op toekomstige uitbreidingen.
Vaak kunnen milieuknelpunten prima opgelost worden, maar dat vindt het bedrijf vaak niet opportuun.
Kan dat werkelijk makkelijk worden afgedaan als pech voor de omwonenden?

Terug naar de Gelderse casus.
Ik kan u melden: het zijn 17 omwonenden die eensgezind zijn in hun klachten.
En daar veelal sinds mensheugenis wonen.
Iedereen die suggesties doet in de trant van ‘een enkele overgevoelige klager, die daar net is komen wonen’ kan zich beter bij de afdeling sportcommentaar melden.
Bovendien is het bedrijf in de afgelopen 15 jaar geleidelijk gegroeid van gemiddeld naar groot. Weinig varkens stinken weinig en veel varkens stinken veel.
Stank van megastallen kan niet worden beoordeeld met stanknormen voor veebedrijven uit de tijd van Ot en Sien.

Daarbij is rond 2007 een vergunning verkregen voor een staluitbreiding met een chemische luchtwasser (die enkel ammoniak wegneemt, en nauwelijks ook geur). Van die vergunning is nadien vast komen te staan dat de gehanteerde geuremissiefactor onjuist was. Dat heeft als juridisch gevolg dat de vergunning nadien wordt ‘opgewaardeerd’ naar een veel zwaarder ’stankrecht’. Anders gezegd: de omwonenden zijn belazerd. En; heel toevallig, is die vergunning net verleend vlak voor het moment dat die wettelijke emissiefactor wijzigde, als gevolg waarvan die vergunning meer ‘stankrechten’ kreeg. De vergunning wordt verkregen voor een installatie, en als die installatie nadien blijkt een hogere milieubelasting te moeten worden toegeschreven, dan komt die vergunning een groter milieubelastingsrecht toe. Welkom in de wondere wereld van het milieurecht …

Kan ik bewijzen dat dit expres is gedaan? Het antwoord is nee. Wel kan ik zeggen dat ik in de 100-en zaken die ik heb gedaan erg vaak aanvragen tegenkom vlak voor een wetswijziging. En, misschien ook wel logisch, bezien vanuit het bedrijfsbelang. Maar moeten omwonenden zich daar dan maar bij neerleggen? In het vervolg de deuren en ramen gesloten moeten houden, niet meer in de tuin zitten en de was niet meer buiten hangen?
Daar hebben de omwonenden niet voor gekozen. Zoals de boer opkomt voor zijn belang, zo komen omwonenden op voor hun belang.
Tegen de klippen op: van de wetgever moeten ze het niet hebben.
Ze hebben maar een klein stukje van hun betoog toegewezen gekregen.
Maar geen onbelangrijk stukje.

Valentijn Wösten — Wösten juridisch advies
Voor de volledige discussie, zie
https://www.foodlog.nl/artikel/varkensboer-moet-omwonenden-schadeloos-stellen-voor-stank/allcomments/ 

2 december 2015
KLIMAAT: BURGERS BETALEN DE VERVUILERS

De intensieve veehouderijen, mestfabrieken en vooral biovergisters zijn grote broeikasgasproducenten. Dit door de grote import van veevoer waarvoor amazone verdwijnt, de zuurstofinname van de meer dan 115 miljoen vleesproductiedieren, de uitstoot van CO2, N2O, methaangas, ammoniak, NOx, toevoeging van co-producten in biovergisters , energieverspilling door het op temperatuur houden van grote vergistingssilo’s , het pasteuriseren van mest om mestexport mogelijk te maken en zelfs het drogen van mest. Deze mest en digistaat,  moet vervolgens weer het land uit evenals 75% van het vlees. En Nederland blijft zitten met stank, fijnstof, broeikasgassen en gezondheidsrisico’s.

Subsidie
De regering stimuleert mestverwerking met SDE (stimulering duurzame energie) subsidie op geleverde stroom en allerlei milieusubsidies. Verder staat er een extra aanschafkostensubsidie voor monovergisters op stapel.
Niet uit de mest maar door de enorme input van energiedragers in vergisters wordt veel methaan geproduceerd. Dit gas moet opgewaardeerd worden en zou na menging in het gasnet kunnen worden gepompt, als dat voorhanden is. Dit zal in de praktijk weinig tot niet gebeuren omdat het kostbaar is, met het gevolg dat ondernemers veelal kiezen om het methaangas te gebruiken in gasmotoren (WKK’s) die stroom leveren. Dit kan dan, met 12 cent per KWh aan SDE subsidie, op het stroomnet worden geleverd. De warmte van deze motoren wordt in de buitenlucht geblazen of wordt gebruikt voor het indrogen van mest wat weer overlast veroorzaakt voor de omgeving.
Als plannen voor sluiting van de kolencentrales doorgaan dan zullen deze vervangen gaan worden door honderden, of misschien wel duizenden, co- en monovergisters bij veehouders. Vele kleine maken een grote en zo schiet heel Nederland er niets mee op. Met het wijzigen van beleid en het daarmede gepaard gaande rondpompen van geld lijkt het alsof de nationale economie groeit. De aannemers kunnen blijven bouwen en slopen in de agrarische wereld, de banken steken ondernemers in de schulden ten koste van de normale boer en de burger. Zij willen geen mestverwerker zijn of overlast over zich heen krijgen. Ze worden echter gedwongen door subsidies en beleid en de kleine energieverbruiker krijgt wederom de rekening gepresenteerd in de vorm van energiebelasting op elektriciteit en gas. Zij moeten de 4 miljard op gaan hoesten om de hogere SDE subsidies aan de grote boeren en mestverwerkers te betalen.

Minder dieren
Mest zou moet dienen om de bodemvruchtbaarheid in stand te houden en ter veiligstelling van de voedselproductie in de toekomst. Het organische stof gehalte van de Nederlandse gronden daalt door de toepassing van drijfmest in de plaats van de vroeger gebruikte vaste mest. Door de import van voer en de specialisatie naar de intensieve veehouderij is er een overschot van 6 miljoen ton mest per jaar ontstaan.
Het aantal dieren zal moeten worden verminderd om tot een evenwicht in de mineralenhuishouding van ons land te komen. Om dit evenwicht te krijgen kan het beste worden begonnen met het afbouwen van de export van slachtrijpe dieren. Deze export levert, op dit moment, voor de boeren verlies op. De toegevoegde waarde van deze export aan de nationale economie is minimaal, zo niet negatief en de maatschappelijke kosten zijn gigantisch. Onze welvaart stijgt door minder dieren te houden. Het Landbouweconomisch instituut (LEI) berekende de totale maatschappelijke kosten van een kilogram varkensvlees op ongeveer € 3,70 terwijl de markt maar € 1,20 betaalt voor geslacht vlees. Door het houden van minder dieren worden tevens de roet-,  fijnstof-, ammoniak-, koolzuurgas-, NOx-uitstoot en de mestproductie beperkt. Het is ook mogelijk dat door het geringere aanbod de marktprijs stijgt waardoor boeren kunnen werken aan kwalitatief betere en met meer draagvlak geproduceerd vlees.

Alleen subsidie voor productie energie zonder toevoeging
Om dit te realiseren en ten behoeve van het klimaat moeten alle fiscale- en subsidieregelingen worden aangepast zodat alleen subsidies worden gegeven op productiemethoden van energie waarbij na de bouw geen enkele toevoeging behoeft te worden gedaan, zoals windturbines, waterturbines, zonnecollectoren e.d..
Om tevens de huidige uitstoot van ammoniak en fijnstof uit met name de intensieve veehouderij te verminderen zouden er stimuleringsregelingen kunnen komen zodat bestaande boeren niet behoeven te stoppen met de veehouderij maar stroom produceren met de daken van hun stallen waaraan tevens biologische luchtwassers worden gekoppeld.
Geen enkele burger of weldenkende boer zal tegen deze maatregelen zijn, immers het leefmilieu gaat erop vooruit, allerlei milieudoelstellingen komen in zicht en de gezondheidsrisico’s nemen af.
Burgers willen geen vervuilers zijn! Laat staan hieraan meebetalen!

André Vollenberg

Één reactie op “Artikelen

  1. “En Nederland blijft zitten met stank, fijnstof, broeikasgassen en gezondheidsrisico’s.” staat er in het artikel. Al erg genoeg.

    Maar dat is het niet alleen: we blijven ook zitten met overschrijdingen van oppervlakte en grondwaternormen voor o.a. nitraat – fosfaat -bestrijdingsmiddelen – antibiotica (aandeel agrarische activiteiten voor deze stoffen meer dan 50%), een sterk beschadigd bodemecosysteem met minimale biodiversiteit onder intensief gebruikte percelen en wat te denken van de al opgetreden en a.g.v. mechanisatie met nog grotere machines verder gaande bodemverdichting onder agrarische percelen. Het bodemleven wordt hierdoor ook in letterlijke zin de adem benomen. Zorgwekkende ontwikkelingen. Want is de bodem (grond -oppervlaktewater en grondwater) niet de grond van ons bestaan?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

veertien − 9 =