Artikelen

28 juni 2018
Luchtwasserdebacle: al in 2011 rinkelden de alarmbellen

Het luchtwasserdebacle komt niet als verrassing. De rijksoverheid heeft ruim tien jaar geleden een groot risico genomen door de gecombineerde luchtwassers toe te staan en ook nog eens zwaar te subsidiëren. Er waren twijfels, maar er waren ook positieve, Duitse meetrapporten. In 2011 rinkelden de eerste alarmbellen. Maar de varkenssector had de combi-wassers nodig voor een onstuitbare schaalvergroting. De falende luchtwassers bleven nog jaren op de lijst van goedgekeurde technieken. Een overzicht.

Al in 2006 slaagden fabrikanten erin een gecombineerde luchtwasser op de zogeheten Rav-lijst te krijgen. De Technische Advies Commissie Regeling Ammoniak Veehouderij (Rav), die destijds een belangrijke stem had in het toelaten van nieuwe systemen, liet zich overtuigen door Duitse rapporten *). De luchtwasser BWL 2006.14 zou de stank uit stallen met 70% verminderen en kon vergund worden. In hetzelfde jaar kwam de BWL 2006. 15 op de lijst. ‘’Geurverwijderingsrendement’’ volgens opnieuw Duits onderzoek maar liefst 80%. In 2007 zijn nog twee systemen voor de varkenshouderij aan de Rav-lijst toegevoegd.

Motor van de schaalvergroting
Omdat gecombineerde luchtwassers zowel op het gebied van ammoniak als geur en fijnstof een hoge reductie zouden bereiken, werden de installaties gezien als grote, innovatieve motor van de schaalvergroting in de varkenshouderij. Op 28 juni 2007 stuurde minister Cramer, mede namens toenmalig minister van LNV Gerda Verburg, een brief naar de Tweede Kamer waarin zij een bedrag van 15 miljoen aankondigt. Binnen de kortste keren waren er 300 aanvragen, voornamelijk van varkenshouders. In het beleidsprogramma ‘Samen werken, samen leven’ zegde het kabinet toe investeringen in luchtwassers te stimuleren via de zogeheten pijler 3 (duurzame leefomgeving) binnen de enveloppe Natuur, EHS en vitaal platteland.

2007: Wageningen gaat meten
De luchtwassers waren voor de varkenshouders meer dan welkom, maar tegelijkertijd vond het ministerie het ook nodig om de techniek te optimaliseren. Er stonden meer gecombineerde luchtwassers in de wacht. Er was veel vraag naar, omdat ze zowel de uitstoot van ammoniak, geur en ook fijnstof drastisch zouden verminderen. Wageningen kreeg een onderzoeksopdracht. Via metingen moest de werkelijke emissiereductie van deze systemen worden vastgesteld. Het onderzoek moest ook de betrokken luchtwasserleveranciers een duwtje in de rug geven om de laatste kinderziektes te verhelpen en de werking van de luchtwassers te verbeteren en te optimaliseren. Verder zouden de metingen uit het onderzoek bij een succesvol draaiende luchtwasser gebruikt kunnen worden voor opname in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav), de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) en in het overzicht emissiefactoren fijn stof voor veehouderij.

Structurele tekortkomingen
Gedurende meerdere jaren (2007-2010) is binnen dit monitoringsonderzoek de werking van een aantal gecombineerde luchtwassystemen gemonitord op een vijftal ‘pilotlocaties’. De resultaten waren ronduit teleurstellend. De onderzochte combi-wassers hadden nog een lange weg te gaan voordat ze op de markt konden worden gebracht als robuust en stabiel draaiend luchtwassysteem met een voldoende rendement, zo werd geconcludeerd. Van kinderziektes was geen sprake, de systemen vertoonden structurele tekortkomingen. ‘’Het ontwerp van de luchtwassers voldoet niet en moet verbeterd worden’’, aldus de Wageningse onderzoekers in het rapport ‘’Monitoringprogramma experimentele gecombineerde luchtwassers op veehouderijbedrijven’’ dat in 2011 werd gepubliceerd.
Ondertussen waren meerdere gecombineerde luchtwassers toegelaten tot de Rav-lijst: BWL 2009.12 (geurverwijdingsrendement volgens Duits meetrapport 85%), BWL 2010.02 (geurverwijderingsrendement volgens Duits meetrapport 75%). In 2011 werden BWL 2011.07 (rendement 75%) en BWL 2011.08 (rendement 75%) toegevoegd.

2011: Duitse en Nederlandse metingen met elkaar vergeleken
In dat zelfde jaar deed de Wageningse onderzoeker Nico Ogink een zogeheten ringtest geurlaboratoria. Zo’n ringtest is nodig om de kwaliteit van de eigen meetmethoden op peil te houden, maar er was dit keer nog een andere reden: bij het in Nederland uitgevoerde monitoringsonderzoek waren de gecombineerde luchtwassers behoorlijk door de mand gevallen. Luchtwassers die van Duitse lab’s allemaal een dikke voldoende hadden gekregen. De voor de Nederlandse ringtest uitgevoerde metingen bij een varkensstal met een biologische luchtwasser brachten niet alleen significante verschillen in gemeten geurconcentraties tussen de betrokken laboratoria aan het licht, er werd ook een aanzienlijk verschil waargenomen in de mate waarin geur werd verwijderd. Er was sprake van variaties van 12 tot 76%. Het bleek dat verschillen in de gebruikte procedures en analyseapparatuur in het laboratorium kunnen leiden tot systematische verschillen tussen geurmetingen van verschillende laboratoria. Duidelijk was op dat moment dat de Duitse lab’s de gecombineerde luchtwassers anders beoordeelden. Voor het ministerie van I&W waren de onderzoeksresultaten echter nog geen reden om de gecombineerde luchtwassers van de Rav-lijst te halen en daarmee een stop te zetten op de vergunningverlening.

2016: Nieuwe metingen
Pas vijf jaar later, in 2016, gaf het ministerie opdracht tot nader onderzoek. Op dat moment liep de evaluatie Wet geurhinder veehouderij. Uit onderzoek van GGD Brabant/Zeeland bleek dat inwoners van varkensrijke gebieden onverwacht veel geurhinder ervaren. Er kwam een groot verschil aan het licht tussen de berekende geurbelasting en wat mensen feitelijk aan geurhinder rapporteren.
Als een van de mogelijke oorzaken werden de luchtwassers aangewezen: de geurverwijderingsrendementen zouden wel eens veel lager kunnen liggen dan de voorgespiegelde 70 tot 80%. Wageningse onderzoekers werden weer aan het werk gezet. Er werden in eerste instantie zes rendementsmetingen uitgevoerd door zowel een Nederlands als een Duits lab. De resultaten waren onthutsend. Er was sprake van grote verschillen tussen de uitkomsten van de Nederlandse en de Duitse metingen. De door het Nederlandse lab gemeten geurconcentraties lagen gemiddeld 4,5 maal zo hoog als de waarden van het Duitse lab. De metingen bleken bovendien slecht reproduceerbaar. En nog wat: de luchtwassers functioneerden niet naar behoren. Het onderzoek werd vrijwel direct opgevolgd door een steekproef waarbij in Noord-Brabant en Gelderland op 48 varkensbedrijven met luchtwassers het geurverwijderingsrendement is gemeten. De steekproef omvatte zowel chemische wassers (16), combi-wassers (29) als biologische wassers
(3). De combi-wassers vielen opnieuw door de mand. De gemiddelde geurverwijdering bleef steken op 40%. De onderzoekers van Wageningen geven aan dat het kan liggen aan de luchtwassers zelf, aan de verschillen in meetmethodiek tussen Duitse en Nederlandse lab’s, en de verschillende manieren waarop de Duitsers en de Nederlanders luchtwassers toepassen in de praktijk. In het rapport staat nog een belangrijke toevoeging: ‘’Voor de emissiereducties zoals die in de Rgv en Rav zijn vastgesteld voor combi-wassers geldt dat deze zijn gebaseerd op de resultaten van een aantal onderzoeken dat is uitgevoerd door Duitse (certificerende) instanties en laboratoria. In de regel betrof dit luchtwasinstallaties die eerst onder begeleiding van de (certificerende) instanties werden geoptimaliseerd en vervolgens tijdens de uitvoering van het meetprogramma ook onder toezicht stonden van deze instanties.’’ (Evaluatie geurverwijdering door luchtwassystemen bij stallen, deel 2: Steekproef rendement luchtwassers in de praktijk, pag 24).

2018: Falende luchtwassers nog altijd op RAV-lijst
Los van meetonzekerheden en verschillen tussen laboratoria: anno 2018 moet net als in 2011 geconcludeerd worden dat gecombineerde luchtwassers niet doen wat ze zouden moeten doen, namelijk stank zodanig verwijderen dat omwonenden er geen of weinig last van hebben. Nu opnieuw is vast komen te staan dat deze luchtwassers falen, zitten omwonenden opgescheept met grote, stinkende stallen vol dieren. Om een indruk te krijgen van de omvang van het probleem: alleen al in Noord-Brabant zijn 2.365.889 varkens gehuisvest in stallen met combi-luchtwassers. Hoewel er in 2011 al voldoende redenen waren om de gecombineerde luchtwassers van de Rav-lijst te halen, is de vergunningverlening niet stopgezet. Varkenshouders hebben, met dank aan de combi-wassers, jarenlang kunnen groeien. En die uitbreiding gaat nog steeds door. Niet alleen in Brabant. In het Limburgse Horst aan de Maas komen 35.000 varkens in een stal met een gecombineerde luchtwasser. Al met al hebben de gecombineerde luchtwassers een sleutelrol vervuld in de schaalvergroting van de varkenshouderij. Omwonenden zijn de dupe. Het is nog niet duidelijk hoe de overheid deze misstand denkt terug te draaien. Technieken die geur met 70-80% reduceren zijn niet voorradig. Van ‘’samen werken – samen leven’’ en een ‘’duurzame leefomgeving’’ is voorlopig geen sprake.
*) De geurrendementscijfers voor gecombineerde luchtwassers zijn gebaseerd op metingen die aanvankelijk hoofdzakelijk zijn uitgevoerd door de Fachhochschule Münster (Duitsland) en vanaf ca. 2009 in DLG-certificeringstesten door het LUFA-laboratorium (Duitsland


16 mei 2018
Van Veldhoven stelt: vergund is vergund

GAAN VEEHOUDERS MET FALENDE LUCHTWASSERS VRIJUIT?

Bestaande bedrijven met falende luchtwassers hebben, zolang ze niet uitbreiden, niets te vrezen, volgens staatssecretaris Stientje van Veldhoven. Dit schrijft ze in een toelichting op de concept-regeling waarin nieuwe emissiefactoren zijn opgenomen:
”Het wijzigen van de emissiefactoren voor geur en voor ammoniak heeft geen nadelige gevolgen voor bestaande situaties. Voor vergunningplichtige veehouderijen geldt dat zij mogen blijven handelen in overeenstemming met hun vergunning. Voor veehouderijen die onder het Activiteitenbesluit vallen, geldt dat zolang de inrichting niet wordt veranderd, de oude emissiefactoren blijven gelden.”


Vergund is vergund, aldus Van Veldhoven. Maar is dat ook zo?


Grote vraag is of omwonenden door een grove onderschatting van de werking van bepaalde typen luchtwassers, zijn en worden blootgesteld aan onrechtmatige geurhinder. Een milieuvergunning vrijwaart de eigenaar van een veehouderij niet automatisch van eventuele gevolgen van een misrekening. Achterhaalde emissiefactoren boden immers, zo blijkt nu, geen bruikbare milieutechnische inzichten voor de vaststelling van feitelijk geurhinderniveau. Er kan in de praktijk wel degelijk sprake zijn van een tamelijk slecht of slecht leefklimaat. Relevant in dit verband is het arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:1106).

Een uitspraak van de Rechtbank in Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2017:6442) legt een bommetje onder alle vergunningen, waarin het veehouders – al dan niet met behulp van falende luchtwassers – is toegestaan boven de wettelijke geurnormen te produceren. De uitspraak houdt in dat veehouders maatregelen moeten treffen en de schade van de omwonenden moeten vergoeden.

Kortom, er is inmiddels genoeg jurisprudentie om te te twijfelen aan de uitspraak van Van Veldhoven: eens vergund is altijd vergund. Omwonenden hoeven zich niet neer te leggen bij de stank die veehouderijen produceren, zeker niet als de normen worden overschreden. In al die gevallen kan de stank wel eens onrechtmatig zijn.


17 april 2018
In Brabant zijn 1.763.124 dieren niet meegerekend in geurberekeningen

LUCHTWASSERSCHANDAAL: STRONT AAN DE KNIKKER

Nu door onderzoek is vast komen te staan dat de combi-luchtwassers niet 85% van de stank reduceren, maar gemiddeld slechts 40%, zullen ook overheid en veehouders moeten erkennen dat het rond bedrijven met dergelijke installaties veel meer stinkt dan lange tijd is aangenomen. Veel meer betekent in dit verband: twee tot vier keer zoveel als in de vergunningen met behulp van berekeningen is vastgelegd. Stront aan de knikker dus, niet alleen in Brabant, maar ook in Limburg, Overijssel en Gelderland.

Hoe bepalen we nu de exacte omvang van het probleem en het aantal dieren dat daarmee is gemoeid?
De burgerwerkgroep max5odeur kreeg hulp van een factchecker uit Deurne die op basis van het Webbestand Veehouderijbedrijven Brabant (Web BVB, zie link naar document onderaan dit artikel) de volgende rekensom opzette: ‘’Als de werkelijke reductie 40% is, dan kan de werkelijke geuremissie als volgt berekend worden: (100-40)/(100-85) x Theoretische geuremissie. Als de theoretische geuremissie bijvoorbeeld 1000 Ou/s, zal de werkelijke geuremissie bij deze luchtwasser 4000 Ou/s zijn (60/15 x 1000). Zo kun je ook het toegestane aantal dieren berekenen als er voldaan moet worden aan de vergunde geuremissie. In dit voorbeeld is de vergunde geuremissie 1000 Ou/s. Stel dat er nu 2000 varkens in de stal staan, dan is het toegestane dieraantal 500 varkens (15/60 x 2000).
‘’Voor heel Noord-Brabant is de werkelijke emissie 33.448.154 Ou/s. Dit is een overschrijding van 294 % van de vergunde geuremissie van 8.481.344 Ou/s. In deze stallen worden 2.366.872 dieren gehouden, terwijl er volgens de vergunde geuremissie “slechts” 603.748 zijn toegestaan, of te wel een overschot van 1.763.124 dieren (overwegend varkens, maar er zitten ook een paar 100 vleeskalveren bij) in de stallen met combi-wassers in Noord-Brabant.’’

Top 5 van gemeenten met varkensoverschot
Kijkend naar de afzonderlijke gemeenten kan voor Brabant de volgende top 5 van gemeenten met een overschot uitgedrukt in aantallen dieren worden samengesteld:

1. Gemert Bakel 132.854 varkens
2. St. Anthonis 131.387 dieren (niet alleen varkens, in deze gemeente zitten ook nogal wat vleeskalveren)
3. Meijerijstad 116.889 varkens
4. Reusel-De Mierden 108.861 varkens
5. Deurne 92.503 varkens

Voor omwonenden van varkenshouderijen is het allemaal niets nieuws. Zij weten al langer dat ze voor de gek zijn gehouden. De schaalvergroting in de varkenshouderij en de bijbehorende investeringen in luchtwassers, dienden niet om de bestaande stank aan te pakken, maar om de bedrijven ‘’ontwikkelmogelijkheden’’ te bieden. Laat ons uitbreiden, dan wordt het allemaal beter, beloofden veehouders, met de overheid aan hun zijde. Ondertussen nam de stank toe. De omvang van dit schandaal wordt nu voor het eerst duidelijk.

Luchtwassers leidden tot verslechtering leefklimaat
Harrie van Loo uit Heusden schetst op de website van de provincie Brabant de gevolgen: de luchtwassers hebben geleid tot een verslechtering in plaats van een verbetering van het leefklimaat.
‘’Ik woon aan de rand van de bebouwde kom van Heusden gemeente Asten. De geuroverlast is hier de laatste jaren sterk toegenomen. Vooral op warmere en windstille avonden blijft de ammoniaklucht hangen boven het dorp. In een ring om de kern van Heusden zijn veel intensieve veehouderijen gevestigd. Het gebied is dan ook gekenmerkt als een overbelast gebied. Al veel langer was het vermoeden dat luchtwassers het geurprobleem en vermindering van fijnstof niet oplosten. Door de groei van het aantal dieren is er nu een situatie dat in plaats van verbetering een verslechtering van de leefbaarheid is ontstaan. Het bestuur landelijk, provinciaal en lokaal hebben de taak om nu maatregelen te nemen om deze ontwikkeling te stoppen. Ik reken daarbij ook op de sector die maatschappelijk verantwoord ondernemen hoog op de agenda zegt te hebben staan.’’

Je zou denken dat dezelfde overheid die de sjoemelluchtwassers niet alleen heeft toegelaten, maar ook onder het mom van duurzaamheid heeft gesubsidieerd, de varkenshouderij met zijn falende installaties per direct aan banden legt. Maar niets is minder waar. De rijksoverheid wil niet ingrijpen in bestaande vergunningen, zo heeft staatssecretaris Van Veldhoven aan de Tweede Kamer laten weten. Ze wil wel het gesprek aangaan met de provincies en de gemeenten over hoe de hoge geurbelasting ‘’in gezamenlijkheid en zorgvuldig’’ aangepakt kan worden. Over de gedupeerde burgers heeft zij het amper in haar brief aan de kamer.

Twee handen op één buik
Varkenshouderij en overheid zijn beide verantwoordelijk voor de ontstane situatie. Het luchtwasserschandaal maakt weer eens duidelijk hoezeer beide partijen met elkaar zijn verbonden: het zijn twee handen op één buik. Rijksoverheid, provincies en gemeenten hebben door deze verstrengeling jarenlang signalen genegeerd dat de veehouderij in vooral Brabant en Limburg, maar ook in delen van Gelderland uit z’n voegen is gebarsten. De ene na de andere stal werd vergund, de schaalvergroting kende geen grenzen. Burgers die klaagden over stank en lawaai, werden te vaak niet gehoord. Alles voldeed immers op papier aan de normen. Plat gezegd: de overheid zit tot aan z’n nek in de varkensdrek en had daardoor geen oog voor de werkelijkheid.

Deurne: een overschot van 92.503 varkens
Nu het land vol staat met stinkende stallen, breekt het inzicht door dat de papieren werkelijkheid wel heel ver af staat van feitelijke emissies. Neem Deurne. Op een vlekkenkaart in de geurgebiedsvisie van de gemeente d.d. 9 april 2015 staan talrijke diep donkerrood gekleurde plekken waar het woon- en leefklimaat extreem slecht is. Dat is vastgesteld door Arcadis op basis van de gegevens uit de verleende vergunningen over voor- en achtergrondbelasting, daterend van voor het luchtwasseronderzoek.


Deze kaart is gebaseerd op berekeningen van geur in verleende vergunningen. De stankoverlast is na herberekening nog veel groter. De herberekening, uitgaande van een gemiddelde geurverwijdering van 40% in stallen met een combiwasser, komt erop neer dat de emissie van ruim 90.000 varkens niet is meegerekend.

Met de wetenschap van nu ontstaat een beeld dat nog veel dramatischer is. Voor Deurne bijvoorbeeld is de werkelijke emissie 1.555.984 Ou/s. Dit is een overschrijding van 279 % van de vergunde geuremissie van 410.776 Ou/s. In deze stallen worden 125.820 varkens gehouden, terwijl er volgens de geuremissie “slechts” 33.317 zijn toegestaan. Er is dus vanuit geur bekeken een overschot van 92.503 varkens in Deurne.

Moeten al deze varkens nu het veld ruimen?
Dat Deurne, net als de andere Brabantse varkensgemeenten, een groot probleem heeft, staat wel vast. Zeker gelet op de geurnormen die daar gelden: een geurbelasting van 1 ouE/m3 voor de kern, 6 ouE/m3 voor de kernrandzones en 10 ouE/m3 voor het buitengebied (zie afbeelding uit geurgebiedsvisie). Of de varkenshouderij in Deurne op de oude voet door kan gaan, valt dus te bezien.

(afbeelding uit de geugebiedsvisie van de gemeente Deurne)

Volgens staatssecretaris S. van Veldhoven zijn bestaande vergunningen echter heilig. Zij schrijft in een brief aan de Tweede Kamer: ”Voor bestaande bedrijven met een combi luchtwasser die niet worden gewijzigd, of die een vervangingsinvestering willen doen waarbij de geurbelasting en het aantal dieren van een of meerdere diercategorieën niet toeneemt, verandert er niets. De ondernemer heeft de investering immers gedaan op basis van een vergunning die door het bevoegd gezag is afgegeven en mag dus handelen in overeenstemming met die vergunning. Dit geldt ook voor een melding in het kader van het Activiteitenbesluit. ”
Een voorbarig standpunt. Wat de consequenties zijn van het luchtwasserschandaal is voer voor juristen. Of er varkens moeten verdwijnen hangt af van de vraag of met de huidige bezetting en de toegepaste technieken de geurnormen al worden overschreden en hoe groot de overschrijding na herberekening is. Daarvoor zouden voor alle geurgevoelige objecten in de omgeving van de varkenshouderijen met sjoemelluchtwassers nieuwe V-stacksberekeningen moeten worden uitgevoerd.

Venray
Een inwoner van Venray, buurman van een bedrijf met zo’n 10.000 varkens, meldt het volgende:
‘’In de huidige vergunde situatie zijn er 6.696 varkens ondergebracht in een stal met een combiwasser (BWL 2009.12), met een uitstoot van 23.434 OUe/s. Uitgaande van de resultaten van het onderzoek zou dit eigenlijk 93.736 OUe/s zijn voor de betreffende varkens, en 153.270 OUe/s in totaal. Een snelle berekening in V-stacks vergunning laat zien dat de geurbelasting op ons adres van 11,8 ouE/m3 naar 15,7 ouE/m3 gaat. Voor de achtergrondbelasting zal dit helemaal desastreus zijn, gezien het grote aantal bedrijven met combi-wassers in Venray.’’
Exacte gegevens over het aantal sjoemelluchtwassers in Venray hebben we nog niet tot onze beschikking, maar deze gemeente telt 117 varkensbedrijven, waarvan 49 met 5000 of meer varkens. Venray voert met ruim 600.000 exemplaren al jaren de lijst aan van plaatsen waar de meeste varkens worden gehouden.

Procedures
Omwonenden kunnen procedures in gang zetten. Civielrechtelijk, tegen het bevoegd gezag (er is immers een vergunning verleend op basis van onjuiste inzichten) en bestuursrechtelijk, in de vorm van een verzoek om handhaving. De verleiding is groot om, zeker na jaren van overlast, hier stevig bovenop te springen. Maar voordat je tot actie overgaat, vraag eerst bij je gemeente de meest recente vergunning op. Heb je vragen? Plaats dan een reactie bij het bericht Luchtwasserschandaal: stront aan de knikker.

Jinke Hesterman
Secretaris burgerwerkgroep max5odeur en deelnemer aan de evaluatie Wet Geurhinder Veehouderij

Combi-Luchtwasser Noord-Brabant 2018-04-12


8 januari 2018
BEDRIJFSBELANGEN VERSUS WOONRECHTEN

Een varkenshouderij in Hengelo (gemeente Bronckhorst) is door de Rechtbank Gelderland verplicht om ernstig geurhinder bij de buren aan te pakken. Bovendien is de veehouder veroordeeld tot schadevergoeding vanwege jarenlange stankoverlast. De bestuursrechtjurist Valentijn Wösten licht de zaak toe. Hij stelt: ”Bedrijfsbelangen zijn best belangrijk, maar kunnen niet alle woonrechten onbeperkt opzij zetten” En: ”Stank van megastallen kan niet worden beoordeeld met stanknormen voor veebedrijven uit de tijd van Ot en Sien.”

Rechters redeneren over het algemeen uiterst conservatief, vanuit bestaande belangen.
Rechters kunnen enkel recht spreken als ook wetgeving bestaat. Waar geen wetgeving bestaat, treden rechters doorgaans terug, vaak al snel benauwd te worden beschuldigd op de stoel van de wetgever te gaan zitten.

Bedrijfsbelangen
Rechters redeneren daarbij doorgaans vanuit bestaande belangen, waaronder in het bijzonder bedrijfsbelangen. Dit om de eenvoudige reden dat die doorgaans het sterkst in de wetgeving zijn vertegenwoordigd. In dit verband is het misschien aardig een citaat van Anatole France te noemen: “verheven gelijkheid voor die wet die zowel aan de rijken als aan de armen verbiedt om te bedelen en onder bruggen te slapen.”
Is hierbij nog een lang verhaal nodig over de politieke vertegenwoordiging van veehouderijbelangen? Of kan ik volstaan met onderstaand overzicht over de Tweede Kamer-samenstelling in 2006, ten tijde van de behandeling Wet Geurhinder en Veehouderij. Met voor het CDA (44 zetels): Schreijer-Pierik, Ormel, Koopmans. Voor de VVD (28 zetels): Oplaat, LPF (8 zetels): Van den Brink. Allemaal mensen die direct uit de veehouderijsector komen, en ook als agro-woordvoerder optraden. SGP was niet eens nodig voor een meerderheid …
Teken hierbij nog aan dat de PvdA structureel agro-belangen als politiek wisselgeld inzet in coalitie-onderhandelingen (lees: alles in dit dossier weggeven).

Woonbelangen
En dan de woonbelangen.
Die hebben enkel een stem(metje) bij de gratie van incidentele welwillendheid van bestuurders. Serieuze publieke belangenvertegenwoordiging van woonbelangen schittert meestal door afwezigheid.  Als meest voor de hand liggende woordvoerder in dit onderwerp kan je wellicht nog denken aan Vereniging Eigen Huis (VEH).
Ik heb VEH enkele jaren geleden wel eens benaderd: van de Wet Geurhinder en Veehouderij hadden ze nog nooit gehoord…Wat trouwens wel bevreemding oproept. Het gaat om de belangen van misschien wel een miljoen bewoners in het buitengebied tegen het belang van enkele duizenden megaveehouders (lees: zij die mikken op bulkproductie / schaalvergroting en bereid zijn hun bedrijfsbelangen boven die van hun buren te stellen). Trouwens wel weer een sterk voorbeeld hoe een kleine groep een veel grotere groep politiek gegijzeld kan houden.
Als je bovendien ziet hoe er door het openbaar bestuur geklungeld wordt met optreden inzake de milieugevolgen van Schiphol, de milieugevolgen van Groningse gaswinning of het reductiebeleid van broeikasgassen (NL op Europees niveau hekkensluiter…), dan stel ik: het Nederlandse ministerie van milieu is daadwerkelijk tot op de bodem afgebroken.

Deskundige milieuambtenaren bestaan niet meer, de MNP-rapporten hebben evenveel politiek gewicht als de rapporten van de nationale ombudsman of de Rekenkamer.
Ze worden ter kennisgeving aangenomen / we gaan over tot de orde van de dag.
Of, om het nog anders te zeggen: als we vaststellen dat de kranten vol staan over problemen bij de politie-organisatie, het op peil houden van de defensiecapaciteit, het onvermogen om de kwaliteit van de belastingdienst op peil te houden. Of -iets dichter bij huis: het klungelige optreden van de NVWA, en we daarbij weten dat in elk van die beleidsterreinen tenminste nog redelijk mondige politieke tegenkrachten bestaan. En we bekijken vervolgens het politieke landschap van milieu- en woonbelangen, waarbij we het in Nederland tot nu toe moeten doen met een ‘hard roepen, en vervolgens hard wegrennen’-clubje als Milieudefensie, en een VEH die nog nooit van de Wet geurhinder heeft gehoord: een gezonde politieke krachtenverhouding in de agrosector is totaal zoek.

Tweedeling geurnormen
En dat is te merken. Althans, als je de moeite neemt de zaken rustig op een rijtje te zetten. Laten we ons hier verder beperken tot de geurnormen voor veehouderij.
De ene helft van NL heeft een bijna tweevoudig lagere geurbescherming dan de andere helft van NL (14 Ou versus 8 Ou), op basis van de -zwaar omstreden- aanname van ‘adaptatievermogen’ van geurgehinderden.
Een soortgelijk argument was ook te horen in het 19e eeuwse politiek debat over kinderarbeid. Kinderen moesten zo jong mogelijk wennen aan werken. En, om het nog scherper te stellen: tuurlijk, een mens zal zich ook (moeten) aanpassen als het oorlog is.
Maar is het ook een goede leefomstandigheid?
Is dat objectief of is het politiek opportunisme?
Voorstanders van de tweedeling van NL in geurnormering zeggen dat verschillende geurnormen in het buitengebied even redelijk zijn als verschillende snelheidslimieten voor auto’s in en buiten de bebouwde kom. Maar die feitenvergelijking ligt toch iets anders.
Analoog geredeneerd is nu toegestaan dat in de ene helft van NL 50 km/u in de bebouwde mag worden gereden, en in de andere helft van NL 100 km/u in de bebouwde kom…
In welk deel van NL wilt u wonen?

De zaak zelf
Dan de uitspraak zelf:
Het blijft een conservatieve uitspraak.
Er is door eisers onder meer betoogd dan de tolerantienorm bij 5 Ou/m3 hoort te liggen, conform de harde bovengrens die voor vrijwel alle NLse bedrijvigheid geldt.
In 1994 (Herziene Nota Stankbeleid van 30 mei 1994) is door het kabinet vastgelegd dat in 2010 alle geurhinder dient te zijn opgeheven (!).
Waarom voor de veehouderij een hogere norm dan 5 Ou/m3 aanvaarden, als voor alle overige bedrijvigheid 5 Ou/m3 de bovengrens is?
Als al speling zou worden gelaten, dan moet 8 Ou/m3 toch de harde bovengrens zijn.
Te meer omdat er meer dan genoeg milieutechnieken zijn om de geur te reduceren.
Maar nee, in de helft van NL is dat zelfs opgerekt naar 14 Ou.
En zelfs dat is niet de harde grens: daarboven blijft vergunningverlening mogelijk met een beroep op bestaande rechten; de z.g. 50/50-regeling.
Wellicht wilt u tenminste de mogelijkheid open houden dat een geurbelasting van ruim meer dan 14 Ou/m3, waar de bestaande milieu-inzichten stellen dat die eigenlijk 5 Ou/m3 hoort te zijn, een harde grens overschrijdt…

Bedrijfsbelangen zijn best belangrijk, maar kunnen niet alle woonrechten onbeperkt opzij zetten. Dit is althans wat de rechter in de uitspraak van 20 december heeft gezegd.
De vergunningpraktijk is heel simpel: een vergunning vertegenwoordigt bedrijfskapitaal.
Hoe meer je met je vergunning mag, hoe meer die vergunning (het bedrijf/ het bedrijfsperceel) waard is.  Waar geurnormen worden overschreden (of stikstofnormen enz.) is het in het belang van het bedrijf om die overschrijding maximaal in stand te houden.
Want: die milieubelasting kan bij een latere bedrijfsuitbreiding (deels) worden ingeruild voor nieuwe emissies, ondanks de normoverschrijding.
Dat heeft als morbide effect dat bedrijven een overbelasting vaak maximaal in stand willen houden, met het oog op toekomstige uitbreidingen.
Vaak kunnen milieuknelpunten prima opgelost worden, maar dat vindt het bedrijf vaak niet opportuun.
Kan dat werkelijk makkelijk worden afgedaan als pech voor de omwonenden?

Terug naar de Gelderse casus.
Ik kan u melden: het zijn 17 omwonenden die eensgezind zijn in hun klachten.
En daar veelal sinds mensheugenis wonen.
Iedereen die suggesties doet in de trant van ‘een enkele overgevoelige klager, die daar net is komen wonen’ kan zich beter bij de afdeling sportcommentaar melden.
Bovendien is het bedrijf in de afgelopen 15 jaar geleidelijk gegroeid van gemiddeld naar groot. Weinig varkens stinken weinig en veel varkens stinken veel.
Stank van megastallen kan niet worden beoordeeld met stanknormen voor veebedrijven uit de tijd van Ot en Sien.

Daarbij is rond 2007 een vergunning verkregen voor een staluitbreiding met een chemische luchtwasser (die enkel ammoniak wegneemt, en nauwelijks ook geur). Van die vergunning is nadien vast komen te staan dat de gehanteerde geuremissiefactor onjuist was. Dat heeft als juridisch gevolg dat de vergunning nadien wordt ‘opgewaardeerd’ naar een veel zwaarder ’stankrecht’. Anders gezegd: de omwonenden zijn belazerd. En; heel toevallig, is die vergunning net verleend vlak voor het moment dat die wettelijke emissiefactor wijzigde, als gevolg waarvan die vergunning meer ‘stankrechten’ kreeg. De vergunning wordt verkregen voor een installatie, en als die installatie nadien blijkt een hogere milieubelasting te moeten worden toegeschreven, dan komt die vergunning een groter milieubelastingsrecht toe. Welkom in de wondere wereld van het milieurecht …

Kan ik bewijzen dat dit expres is gedaan? Het antwoord is nee. Wel kan ik zeggen dat ik in de 100-en zaken die ik heb gedaan erg vaak aanvragen tegenkom vlak voor een wetswijziging. En, misschien ook wel logisch, bezien vanuit het bedrijfsbelang. Maar moeten omwonenden zich daar dan maar bij neerleggen? In het vervolg de deuren en ramen gesloten moeten houden, niet meer in de tuin zitten en de was niet meer buiten hangen?
Daar hebben de omwonenden niet voor gekozen. Zoals de boer opkomt voor zijn belang, zo komen omwonenden op voor hun belang.
Tegen de klippen op: van de wetgever moeten ze het niet hebben.
Ze hebben maar een klein stukje van hun betoog toegewezen gekregen.
Maar geen onbelangrijk stukje.

Valentijn Wösten — Wösten juridisch advies
Voor de volledige discussie, zie
https://www.foodlog.nl/artikel/varkensboer-moet-omwonenden-schadeloos-stellen-voor-stank/allcomments/ 



2 december 2015
KLIMAAT: BURGERS BETALEN DE VERVUILERS

De intensieve veehouderijen, mestfabrieken en vooral biovergisters zijn grote broeikasgasproducenten. Dit door de grote import van veevoer waarvoor amazone verdwijnt, de zuurstofinname van de meer dan 115 miljoen vleesproductiedieren, de uitstoot van CO2, N2O, methaangas, ammoniak, NOx, toevoeging van co-producten in biovergisters , energieverspilling door het op temperatuur houden van grote vergistingssilo’s , het pasteuriseren van mest om mestexport mogelijk te maken en zelfs het drogen van mest. Deze mest en digistaat,  moet vervolgens weer het land uit evenals 75% van het vlees. En Nederland blijft zitten met stank, fijnstof, broeikasgassen en gezondheidsrisico’s.

Subsidie
De regering stimuleert mestverwerking met SDE (stimulering duurzame energie) subsidie op geleverde stroom en allerlei milieusubsidies. Verder staat er een extra aanschafkostensubsidie voor monovergisters op stapel.
Niet uit de mest maar door de enorme input van energiedragers in vergisters wordt veel methaan geproduceerd. Dit gas moet opgewaardeerd worden en zou na menging in het gasnet kunnen worden gepompt, als dat voorhanden is. Dit zal in de praktijk weinig tot niet gebeuren omdat het kostbaar is, met het gevolg dat ondernemers veelal kiezen om het methaangas te gebruiken in gasmotoren (WKK’s) die stroom leveren. Dit kan dan, met 12 cent per KWh aan SDE subsidie, op het stroomnet worden geleverd. De warmte van deze motoren wordt in de buitenlucht geblazen of wordt gebruikt voor het indrogen van mest wat weer overlast veroorzaakt voor de omgeving.
Als plannen voor sluiting van de kolencentrales doorgaan dan zullen deze vervangen gaan worden door honderden, of misschien wel duizenden, co- en monovergisters bij veehouders. Vele kleine maken een grote en zo schiet heel Nederland er niets mee op. Met het wijzigen van beleid en het daarmede gepaard gaande rondpompen van geld lijkt het alsof de nationale economie groeit. De aannemers kunnen blijven bouwen en slopen in de agrarische wereld, de banken steken ondernemers in de schulden ten koste van de normale boer en de burger. Zij willen geen mestverwerker zijn of overlast over zich heen krijgen. Ze worden echter gedwongen door subsidies en beleid en de kleine energieverbruiker krijgt wederom de rekening gepresenteerd in de vorm van energiebelasting op elektriciteit en gas. Zij moeten de 4 miljard op gaan hoesten om de hogere SDE subsidies aan de grote boeren en mestverwerkers te betalen.

Minder dieren
Mest zou moet dienen om de bodemvruchtbaarheid in stand te houden en ter veiligstelling van de voedselproductie in de toekomst. Het organische stof gehalte van de Nederlandse gronden daalt door de toepassing van drijfmest in de plaats van de vroeger gebruikte vaste mest. Door de import van voer en de specialisatie naar de intensieve veehouderij is er een overschot van 6 miljoen ton mest per jaar ontstaan.
Het aantal dieren zal moeten worden verminderd om tot een evenwicht in de mineralenhuishouding van ons land te komen. Om dit evenwicht te krijgen kan het beste worden begonnen met het afbouwen van de export van slachtrijpe dieren. Deze export levert, op dit moment, voor de boeren verlies op. De toegevoegde waarde van deze export aan de nationale economie is minimaal, zo niet negatief en de maatschappelijke kosten zijn gigantisch. Onze welvaart stijgt door minder dieren te houden. Het Landbouweconomisch instituut (LEI) berekende de totale maatschappelijke kosten van een kilogram varkensvlees op ongeveer € 3,70 terwijl de markt maar € 1,20 betaalt voor geslacht vlees. Door het houden van minder dieren worden tevens de roet-,  fijnstof-, ammoniak-, koolzuurgas-, NOx-uitstoot en de mestproductie beperkt. Het is ook mogelijk dat door het geringere aanbod de marktprijs stijgt waardoor boeren kunnen werken aan kwalitatief betere en met meer draagvlak geproduceerd vlees.

Alleen subsidie voor productie energie zonder toevoeging
Om dit te realiseren en ten behoeve van het klimaat moeten alle fiscale- en subsidieregelingen worden aangepast zodat alleen subsidies worden gegeven op productiemethoden van energie waarbij na de bouw geen enkele toevoeging behoeft te worden gedaan, zoals windturbines, waterturbines, zonnecollectoren e.d..
Om tevens de huidige uitstoot van ammoniak en fijnstof uit met name de intensieve veehouderij te verminderen zouden er stimuleringsregelingen kunnen komen zodat bestaande boeren niet behoeven te stoppen met de veehouderij maar stroom produceren met de daken van hun stallen waaraan tevens biologische luchtwassers worden gekoppeld.
Geen enkele burger of weldenkende boer zal tegen deze maatregelen zijn, immers het leefmilieu gaat erop vooruit, allerlei milieudoelstellingen komen in zicht en de gezondheidsrisico’s nemen af.
Burgers willen geen vervuilers zijn! Laat staan hieraan meebetalen!

André Vollenberg

Één reactie op “Artikelen

  1. “En Nederland blijft zitten met stank, fijnstof, broeikasgassen en gezondheidsrisico’s.” staat er in het artikel. Al erg genoeg.

    Maar dat is het niet alleen: we blijven ook zitten met overschrijdingen van oppervlakte en grondwaternormen voor o.a. nitraat – fosfaat -bestrijdingsmiddelen – antibiotica (aandeel agrarische activiteiten voor deze stoffen meer dan 50%), een sterk beschadigd bodemecosysteem met minimale biodiversiteit onder intensief gebruikte percelen en wat te denken van de al opgetreden en a.g.v. mechanisatie met nog grotere machines verder gaande bodemverdichting onder agrarische percelen. Het bodemleven wordt hierdoor ook in letterlijke zin de adem benomen. Zorgwekkende ontwikkelingen. Want is de bodem (grond -oppervlaktewater en grondwater) niet de grond van ons bestaan?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

1 + achttien =