Waarom zitten we zo in de stank?

Er zijn nog altijd politici die het stankprobleem van de intensieve veehouderij afdoen met verhalen over vroeger. ”Toen stonk het ook”,  zeggen ze dan. Wat ze er niet bij vertellen is dat de stank van nu, die van de schaalvergroting en de intensivering, vele malen erger, heviger, intenser en omvangrijker is dan toen de boer nog normaal zijn mest uitreed.

Ja, die goeie ouwe tijd. De veehouderij in Nederland is de afgelopen decennia ingrijpend veranderd. Niemand zal dat ontkennen. Ook het inzicht dat het met de veehouderij volledig uit de hand is gelopen, is inmiddels wijd verspreid. Hoe kan het dan dat veranderingen zo moeizaam gaan? Zijn de stank-ontkenners toch nog steeds in de meerderheid?

Wie wil weten hoe het zover heeft kunnen komen en wat de kansen zijn op verandering, moet het boek ”Dit is uw land” van Hans van Grinsven en Kees Kooman maar eens lezen. Niet dat het veel over stank gaat, maar het verschaft wel een enorm inzicht in alles wat die stank veroorzaakt. De historische achtergronden, de feiten, de politieke discussies, de maatregelen die niet werkten, de verwevenheid van overheid en bedrijfsleven – het komt allemaal voorbij.

Het is geen vrolijk stemmend boekwerk dat de twee auteurs voorschotelen. Maar wel leerzaam en misschien ook wel enigszins hoopgevend. Burgers in het buitengebied volgen bevreesd de huidige kabinetsformatie. Toch hoeft het CDA-VVD-D66-CU-kabinet dat nu in de maak is, niet perse de intensieve veehouderij weer wind in de zeilen te geven. Waren het niet Gerrits Braks (CDA) en Pieter Winsemius (VVD) – bekend als de ministers van Grond&Stront en Frisse lucht – die in 1982 een wet doorvoerden om de groei van het aantal varkens en kippen per direct af te stoppen? Braks had schoon genoeg van alle stank. ”Tot de dood ons scheidt, schijten we ons dood”, hield hij iedereen voor die het maar horen wilde. Eenzelfde samenwerking hangt nu in de lucht en wie weet wordt het een coalitie die opnieuw fikse knopen zal doorhakken. Zo kan het huidige ”Brabantse model” wel eens een voorbode zijn van wat er in de rest van het land gaat gebeuren.
Dit is uw land, het einde van een boerenparadijs, 320 pagina’s, is uitgegeven door De Kring. Prijs: €21,50

Dialoog over veehouderij loopt vast op waardenconflict

Een dialoog tussen burgers, bestuurders en veehouders over de veehouderij is een brug te ver. De tegenstellingen zijn te groot, zo bleek in het debat tussen Cor de Nijs van de Kerngroep Limburg Gezonder en CDA-bestuurder Hubert Mackus. De Limburgse omroep L1 liet beiden aan het woord in De Stemming. De standpunten die werden ingenomen lagen mijlenver uit elkaar.
De Nijs gaf weer hoe burgers over de huidige veehouderij in Limburg denken en stelde de gezondheidseffecten centraal. Mackus bleef hameren op de economische betekenis van de sector en voorspelde een maatschappelijke crisis bij een drastische vermindering van het aantal dieren, vergelijkbaar met de sluiting van de mijnen. De CDA-bestuurder sprak over de noodzaak van transitie en technische maatregelen om de uitstoot van stank en fijnstof te verlagen. De Nijs liet blijken daar weinig waarde aan te hechten. (zie ook bericht: Luchtwassers doen niet wat ze beloven). De bulkproductie in Nederland is helemaal niet nodig om de technologie van de sector te kunnen exporteren, aldus De Nijs.
Het debat maakte duidelijk dat achter de meningsverschillen geen belangenconflict maar een waardenconflict schuil gaat. En dat de waarden volksgezondheid en economie (geld en werkgelegenheid) in het met dieren volgepakte Limburg (ruim 15 miljoen kippen en bijna 2 miljoen varkens) niet meer bij elkaar te brengen zijn. Het waardenconflict vraagt om een politieke keuze. Zolang de politiek onomwonden kiest voor de economie en de aanpak van gezondheidseffecten op de lange baan schuift, dan is een dialoog tussen burger, bestuurder en veehouder in feite zinloos.

Burgers in de steek gelaten door rijksoverheid

Burgers die in de stank zitten door veehouderijen, voelen zich in de steek gelaten door de rijksoverheid. Die zou met strengere geurnormen een belangrijke aanzet kunnen geven tot een verbetering van het leefklimaat op veel plaatsen in Nederland. Maar demissionair staatssecretaris Sharon Dijksma van Infrastructuur & Milieu weigert de regie te nemen, zo blijkt uit haar reactie op het advies van de bestuurlijke werkgroep die de geurregelgeving heeft geëvalueerd.

Via een juridische procedure die op dit moment in voorbereiding is, zullen burgers de staat aanklagen wegens nalatigheid als het gaat om het voorkomen van stankoverlast. De burgers worden terzijde gestaan door de jurist mr. Valentijn Wösten en advocaat mr. Nout Verbeek. Zij stellen dat de woonkwaliteit van omwonenden door de overheid onvoldoende is gewaarborgd. De wettelijke geurnormen bieden niet genoeg bescherming.

Dijksma is vooralsnog niet van plan van koers te veranderen. In plaats van te kiezen voor het aanscherpen van de normen, gooit de staatssecretaris het stankprobleem definitief over de schutting van gemeenten en provincies. In feite zegt ze: zoek het maar uit. Daarbij vergeet ze dat de rijksoverheid een grote verantwoordelijkheid draagt voor de stank waaraan omwonenden van veehouderijen dagelijks worden blootgesteld. Met de invoering van de Wet geurhinder veehouderij in 2007 zijn er zeer ruime geurnormen vastgesteld en hebben gemeenten ook nog eens de vrijheid gekregen die normen op te rekken. Dit heeft niet alleen geleid tot talrijke overbelaste situaties, maar ook tot conflicten tussen burgers en boeren en verstoorde verhoudingen in gemeenschappen.

Dijksma had een belangrijk signaal kunnen afgeven, door burgers in bescherming te nemen. Zij laat dat helaas na, stelt de burgerwerkgroep max5odeur, die heeft deelgenomen aan de evaluatie. Het advies van de bestuurlijke werkgroep, waarin duidelijk een tweespalt zichtbaar is tussen provincies, gemeenten en bedrijfsleven enerzijds, en burgergroeperingen, GGD’en en milieufederaties anderzijds, had voor Dijksma aanleiding kunnen zijn tot een keuze. In plaats van te kiezen, trekt ze haar handen ervan af. Gevolg zal zijn dat de strijd voor een beter leefklimaat zich gaat verharden. Burgers die in de stank zitten, zijn nu volledig op zichzelf en de lokale politiek aangewezen.

Enig lichtpuntje is de Omgevingswet die, zoals het zich nu laat aanzien, geen ruimte meer biedt voor zogeheten geurverordeningen. Gemeenten moeten in omgevingsplannen aangeven hoeveel het ergens mag stinken. Burgers kunnen dus langs de weg van inspraak, bezwaar en beroep de kwaliteit van de leefomgeving bewaken. Dan zal ook blijken of gemeentelijke geurnormen juridisch houdbaar zijn.

Pluimveehouderij wil emissies gaan meten

De regiegroep emissie-arme pluimveehouderij  gaat een onderzoeksproject in gang zetten naar effectieve en betaalbare meetsensoren om daarmee veel gerichter (op bedrijfs- en stalniveau) emissies en reductie van emissies te kunnen meten.

Door beter inzicht te hebben in factoren die emissies helpen ontstaan, beperken en voorkomen, kan een pluimveehouder afgewogen keuzes maken in zijn bedrijfsvoering voor een betere leefomgeving en stalklimaat. De regiegroep – een initiatief van de sector zelf – wil een integrale verduurzaming van de pluimveehouderij. Daarbij worden bij voorkeur meerdere problemen met één maatregel aangepakt: fijnstof, geur, ammoniak en endotoxinen.

Middels onderzoek en innovatie wordt gezocht naar effectieve en efficiënte oplossingen voor zowel nieuwbouw als bestaande stallen, waarbij het uitgangspunt is het stalklimaat te optimaliseren en emissies te minimaliseren. Een gezond stalklimaat is immers zowel goed voor de kippen, pluimveehouders en hun medewerkers, als omwonenden; een win/win/win-situatie, aldus de regiegroep op pluimveeweb.nl

De staatssecretarissen Dijksma en Van Dam hebben op 1 juni bekend gemaakt dat bestaande pluimveestallen binnen tien jaar vijftig procent minder fijnstof moeten uitstoten. Nieuwe stallen moeten naar een reductie van zeventig procent. Het volgende kabinet moet dit in een wet vastleggen, aldus Van Dam en Dijksma in een brief aan de Tweede Kamer. Wat de referentiedatum wordt, is op dit moment nog niet te zeggen.

Dijksma schuift stankprobleem veehouderij definitief door naar gemeenten

Staatssecretaris Dijksma is niet van plan nieuwe landelijke geurnormen voor de veehouderij op te stellen. De Omgevingswet geeft gemeenten de ruimte om eigen normen vast te stelen. Gemeenten kunnen zelf onderzoek doen om lokale normen wetenschappelijk te onderbouwen.

Dit schrijft de staatssecretaris naar aanleiding van het advies van de bestuurlijke werkgroep die de regelgeving op het gebied van geur en veehouderij heeft geëvalueerd.
Ook de werkgroep max5odeur was daarbij betrokken.

In het advies was al duidelijk een scheiding der geesten waarneembaar, met aan de ene kant de provincies, gemeenten en het bedrijfsleven en aan de andere kant de GGD’en, milieufederaties en burgergroeperingen. De laatsten pleitten – op basis van onderzoek van Bureau Gezondheid, Milieu en Veiligheid van de GGD’en Brabant/ Zeeland en het Institute for Risk Assessment Sciences van de Universiteit Utrecht – voor een landelijke aanscherping van de normen. Dit zou de aanpak van stankproblemen kunnen bevorderen en het ontstaan van nieuwe stankproblemen kunnen voorkomen.

De staatssecretaris schaart zich nu achter de provincies, gemeenten en het bedrijfsleven, die stelden dat reeds uitgevoerd onderzoek naar geurbelasting en hinderbeleving een algehele, landelijke verlaging van de geurnormen onvoldoende onderbouwt.

Het heeft volgens Dijksma geen zin nog meer onderzoek te doen: ”Er zijn verschillende hinderbelevingsonderzoeken uitgevoerd over de jaren heen. Ik maak hieruit op dat de onderzoeken geen eenduidig landelijk verband opleveren tussen geurbelasting en hinderervaring (ten opzichte van de landelijke norm). Mede ook gelet op de ruimte die de Omgevingswet aan gemeenten biedt, geven de hinderbelevingsonderzoeken mij vooralsnog geen aanleiding om nieuw onderzoek uit te voeren en op basis daarvan de geurnormen aan te passen. Wel is het mogelijk dat lokale overheden bij de vormgeving van hun geurbeleid onderzoek doen naar de daadwerkelijk optredende geurhinder en op basis daarvan een keuze maken voor de te kiezen normhoogte.”

Hiermee erkent Dijksma in feite dat de bestaande landelijke geurnormen, die zijn gebaseerd op onderzoek van PRA Odeurnet uit 2001, eveneens een gedegen onderbouwing missen. Op basis van deze normen, gecombineerd met de reeds bestaande gemeentelijke beleidsvrijheid, zijn er wel op zeer grote schaal vergunningen verleend die op zeer veel plaatsen in Nederland tot grote overlast hebben geleid.

Verwacht mag worden dat deze oude geurnormen als bandbreedte in het besluit kwaliteit leefomgeving behorende bij de Omgevingswet terecht komen. Belangrijke wijziging ten opzichte van de huidige situatie is wel dat besluitvorming van gemeenten over lokale geurnormen juridisch kan worden aangevochten. Omwonenden van veehouderijen die hun leefklimaat willen verbeteren, zullen vanaf het moment dat de Omgevingswet van kracht wordt, in elk geval een lokale lobby in gang moeten zetten.

In haar beleidsreactie op het evaluatie-advies gaat Dijksma niet in op andere onderwerpen die tijdens de evaluatie aan bod zijn gekomen, zoals cumulatie, de 50%-regeling en best beschikbare technieken. Ook rept ze met geen woord over het lopende onderzoek naar het rendement van luchtwassers en de handreiking geur en veehouderij die voor gemeenten in de maak is.

Annemarie Spierings, gedeputeerde van de Provincie Brabant en deelnemer aan de evaluatie, laat via de NOS weten niet gelukkig te zijn met de reactie van Dijksma. ”De gezondheid van mensen in de buurt van veebedrijven moet beter worden beschermd. Op dit moment zijn de landelijke regels voor deze bedrijven niet streng en niet duidelijk genoeg,” aldus Spierings op nos.nl. De D66-bestuurder wil dit ook een onderwerp wordt in de huidige kabinetsformatie.
“De regelgeving helpt nu bepaald niet mee”, zegt Spierings. “Als je als veehouder nu je stallen schoner maakt en je gaat daardoor 10 ‘geureenheden’ minder uitstoten, dan mag je op dit moment weer meer vee gaan houden en er gewoon weer 5 bij doen. Zo kom je dus nooit aan de gewenste kwaliteit voor de omgeving.”

Gemeente Lingewaal verhoogt geurnorm

De gemeente Lingewaal wil uitbreiding van een geitenbedrijf in Herwijnen mogelijk maken. In de nieuwe geurverordening verhoogt de gemeente de geurnorm voor het plangebied Herwijnen-Oost van 3 naar 4 odeur. Door deze verhoging kan het bedrijf uitbreiden en is er ook nieuwbouw mogelijk. Bewoners van deze nieuwbouw moeten er rekening mee houden dat ze meer stank over zich heen krijgen. De gemeenteraad is akkoord gegaan met de nieuwe geurverordening.