Nieuwe EU regels voor vermindering stank veehouderijen

Grote varkens- en pluimveehouderijen (zogeheten IPPC-bedrijven) moeten binnen vier jaar een geurbeheersplan opstellen. Dat staat in de nieuwe Europese regels voor Best Beschikbare Technieken (BBT) die op 15 februari zijn  gepubliceerd. Zo’n geurbeheersplan is noodzakelijk in situaties waarin sprake is van geurhinder of waar geurhinder wordt verwacht.

Een geurbeheersplan moet een protocol bevatten voor de monitoring van geur. Ook moet de veehouder in het protocol beschrijven hoe hij geur denkt te voorkomen en welke maatregelen er getroffen zullen worden in geval van geurhinder.

De nieuwe Europese BBT-lijst bevat tal van technieken om geur te voorkomen of te verminderen. Volgens de nieuwe Europese regels moeten de veehouders een combinatie van deze technieken toepassen, zoals het geregeld afvoeren van mest naar een afgedekte mestopslag en het verkleinen van het oppervlak in de stal waar mest zich kan ophopen.
In de nieuwe BBT-eisen is ook aandacht voor de afvoer van lucht uit de stallen, de toepassing van luchtzuiveringssystemen en de bewerking van mest zodat het uitrijden veel minder geurhinder ontstaat.
Klik hier voor UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2017/302 VAN DE COMMISSIE
tot vaststelling van BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn
2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad, voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij

Zo dicht zitten mens en dier in Nederland op elkaar

Dat burgers in het buitengebied op grote schaal de dupe zijn van een volledig uit de hand gelopen veehouderij in Nederland, mag onderhand wel als bekend worden verondersteld. Onderzoek heeft nu aangetoond hoe omvangrijk dit probleem eigenlijk is: maar liefst 355.000 woningen bevinden zich op een afstand van nog geen 250 m van in totaal 27.000 veehouderijen.

Zo’n afstand leidt in veel gevallen tot overlast en mogelijk ook gezondheidsschade. Nu is de ene veehouderij de andere niet. Melkveehouderijen zijn beter te verdragen dan geitenhouderijen, varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Maar ook al zouden we de 19.000 melkveehouderijen die op minder dan 250 meter van burgerwoningen staan, buiten beschouwing laten, dan houden we nog zo’n 8.000 intensieve veehouderijen over die zich dicht in de buurt van burgerwoningen bevinden.
Van de legkippen bevindt zich 85% van de dieren op locaties met woningen op een afstand van minder dan 250 m; 86% van de vleeskuikens wordt op locaties gehouden met woningen binnen de 250 m; het merendeel van de vleesvarkens zit op minder dan 250 m van woningen: 87%. Bij de fokzeugen zit 91% van de dieren op locaties met een woning op minder dan 250 m. 84% van de geiten wordt gehouden op locaties met woningen binnen de 250 m. En van de 606 megastallen hebben er 480 te maken met woningen op minder dan 250 m. Het gaat daarbij om gemiddeld 5,8 woningen.

GGD-advies
Al geruime tijd adviseert de GGD om voor intensieve veehouderijbedrijven op een afstand van minder dan 250 m van woningen geen uitbreiding of nieuwvestiging meer toe te staan. Dit om gezondheidsrisico’s van veehouderijbedrijven voor de omwonenden in te perken. Uit de cijfers, verzameld door Alterra in opdracht van het ministerie van Economische Zaken, wordt duidelijk dat dit advies – als het zou worden opgevolgd – grote consequenties heeft voor talrijke veehouderijen.
In eerste instantie lijkt het verplaatsen van veehouderijen of woningen de meest voor de hand liggende optie, aldus de Alterra-onderzoekers. Maar: ‘’Zowel in de bedrijven als in de woningen is zoveel kapitaal geïnvesteerd, dat uit elkaar plaatsen van veel woningen en bedrijven op korte termijn erg kostbaar lijkt. Op de langere termijn kan de kwaliteit van het buitengebied wellicht wel verbeterd worden door verdergaande ontwikkeling van veehouderij te sturen naar locaties met minder woningen in de nabijheid.’’

Ze bevelen aan verder onderzoek te doen naar het minimaliseren van risico’s en het verminderen van overlast, zoals:

  • onderzoek naar aanpassingen in de bedrijfsvoering, die minder emissies en mogelijke risico’s veroorzaken (fijnstof, ammoniak, geur, geluid)
  • onderzoek naar aanpassingen in de huisvesting van vee, die minder emissies en mogelijke risico’s veroorzaken (fijnstof, ammoniak, geur, geluid, zoönosen).

De veehouderijen doen al veel aan het terugdringen van emissies, maar maatregelen zijn vooral bedoeld om op een bepaalde locatie meer dieren te kunnen houden. Bovendien bieden de normen voor fijnstof en geur nog altijd veel ruimte voor uitbreiding. Het daadwerkelijk verminderen van de uitstoot ten behoeve van de leefbaarheid, is nog geen beleid.

Belevingsapp

De Alterra-onderzoekers bevelen aan om onderzoek te doen naar beleving van overlast bij omwonenden: waar en wanneer vindt welke hinder plaats? Dat zou bijvoorbeeld kunnen via het ontwikkelen van een zogenaamde BelevingsApp, waarmee omwonenden op eenvoudige wijze actuele en nauwkeurige meldingen kunnen doen. Zo krijgen omwonenden en bedrijven betrouwbare informatie, waarmee ze kunnen zoeken naar oplossingen.
Tenslotte kan er wel wat verbeterd worden aan de communicatie tussen veehouderijbedrijven en omwonenden, vinden de Alterra-onderzoekers. ‘’Dat kan een eerste stap zijn om hinder in beeld te krijgen en te zoeken naar oplossingen. Ook daarbij zou een Belevingsapp een rol kunnen spelen.’’
Afstand tussen veehouderij en woningen 2016 Alterra