Geur veehouderijen alleen bij elkaar optellen als dat relevant is

Gemeenten zijn bij het in werking treden van de Omgevingswet niet verplicht de geuremissies van veehouderijen bij elkaar op te tellen. Gemeenten mogen afwegen of een dergelijke ”cumulatie” relevant is.
Dit antwoordt minister Schultz van Haegen van Infrastructuur en Milieu op vragen uit de Tweede Kamer over het ontwerp Besluit Kwaliteit Leefomgeving, een algemene maatregel van bestuur behorende bij de Omgevingswet.
Artikel 5.59, eerste lid, van het ontwerp-Bkl regelt dat bij de vaststelling van een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de geurbelasting door bedrijfsmatige activiteiten op geurgevoelige gebouwen en geurgevoelige locaties. Het tweede lid regelt dat bij die afweging, als er naar het oordeel van het bevoegde bestuursorgaan sprake is van een relevante cumulatie, ook rekening moet worden gehouden met die cumulatie van geur.
Schultz merkt op dat bij deze bepaling is er niet voor gekozen om gemeenten op te dragen altijd alle geur bij elkaar op te tellen. Niet alle geuren veroorzaken hinder en sommige geuren worden ‘overvleugeld’ door andere geuren en zijn daarom niet erg relevant voor de beoordeling. In dergelijke gevallen hoeft er ook geen rekening gehouden te worden met de cumulatie van die geuren, aldus Schultz.

Brijvoer

In de amvb’s zijn geen inhoudelijke regels opgenomen over het bereiden van brijvoer bij veehouderijen. Ook daarover heeft de Tweede Kamer vragen gesteld. Volgens Schultz moet bij het bereiden van brijvoer worden voldaan aan de specifieke zorgplicht. Op grond van die zorgplicht kunnen zo nodig met maatwerk maatregelen worden opgelegd aan degene die de activiteit verricht.
Afhankelijk van de lokale situatie kan er reden zijn om regels in het omgevingsplan op te nemen voor geur afkomstig van het bereiden van brijvoer.

Onderzoek naar luchtwassers
In de antwoorden aan de Kamer kondigt Schultz aan dat er afgelopen oktober opdracht is gegeven om onderzoek te doen naar de werking en het rendement van luchtwassers. Aan de hand van de uitkomsten van dit onderzoek wordt bepaald of het rendement van de luchtwassers opnieuw moet worden beoordeeld.

Voor andere geurzaken die in de vragen aan de orde komen, verwijst Schultz naar de evaluatie geur veehouderij die onlangs is afgerond. Nog voor het eind van het jaar gaat het advies waaraan de werkgroep max 5 odeur heeft meegewerkt, met een ambtelijke reactie naar de Tweede Kamer.
ontwerpbesluit-kwaliteit-leefomgeving-beantwoording-tweede-kamer
ontwerpbesluit-activiteiten-leefomgeving-beantwoording-tweede-kamer-1

Onderzoek mestfabriek leidt tot voorbarige conclusie

In Oss bestaan vergevorderde plannen voor een hele grote mestvergister (500.000 ton drijfmest per jaar). De provincie Noord-Brabant heeft inmiddels een definitieve beschikking afgegeven, mede op basis van een onderzoek naar gezondheidseffecten. Dat lijkt voorbarig, want niet bekend is aan welke doses micro-organismen omwonenden blootgesteld worden. De provincie vertrouwt erop dat het allemaal wel meevalt.

Kennelijk heeft men alleen de samenvatting gelezen: ”In Nederland en in de internationale literatuur zijn geen aanwijzingen gevonden dat mestverwerkingsinstallaties een bron zijn voor uitbraken van infectieziekten. Het bedrijfsproces van de voorgestelde mestverwerker is zodanig ingericht dat de verspreiding van micro-organismen en chemische stoffen naar de omgeving wordt tegen gegaan. Zo wordt onder andere de mest gesloten aangeleverd, heerst er een onderdruk in de fabriek, is er een actieve afzuiging van de lucht via luchtwassers voordat de lucht buiten de fabriek komt, wordt het afvalwater gezuiverd middels omgekeerde osmose en wordt het eind product gepasteuriseerd.”

Onzekerheden
Dat lijkt klare taal. Maar in de antwoorden op de diverse vragen die door de provincie aan RIVM en Wageningen Universiteit zijn gesteld, komt een beeld naar voren vol onzekerheden.
Alle lucht die vanuit de mestfabriek naar buiten gaat, passeert een luchtwasser.
Onderzoekers van RIVM en Wageningen Universiteit durven niet te zeggen welke aantallen micro-organismen uiteindelijk de luchtwasser overleven. Daarom kan er geen oordeel gegeven worden over hoeveel ziekteverwekkende micro-organismen
in de buitenlucht terecht komen. ”Aangenomen mag worden dat het aantal ziekteverwekkende micro-organismen dat uitgescheiden wordt naar de buitenlucht en/of het oppervlaktewater groter is wanneer er meer mest verwerkt wordt in de fabriek.”

Geen woord over stank
Het is hoogst opmerkelijk dat de provincie het avontuur met de mestfabriek in Oss ondanks deze waarschuwing wel aandurft. In plaats van te kiezen voor het voorzorgbeginsel, is men gezwicht voor de druk vanuit het agrarisch bedrijfsleven. Wat ook opvalt: in de vraagstelling van de provincie en in de beantwoording van de vragen staat geen woord over mogelijke stankoverlast. Alsof geurhinder geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt.

rapport-rivm-over-gezondheidsrisico-mestvergisters-iov-noord-brabant

Advies aan staatssecretaris: burgers beter beschermen tegen stank

Geurhinder vanuit veehouderijen moet, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, worden voorkomen. Aanpassing van de regelgeving is daarvoor noodzakelijk. Bij uitbreidingen van veehouderijen moet gebruik worden gemaakt van de Best Beschikbare Technieken (BBT), adequaat bedrijfsmanagement en een goed ontwerp van de bedrijfsgebouwen om de uitstoot en belasting te beperken.

Dit staat in het advies dat na een evaluatie van anderhalf jaar is uitgebracht aan de staatssecretaris van I&M. Bij deze evaluatie waren gemeenten (VNG), provincies (IPO), bedrijfsleven (LTO), gezondheidsdiensten (GGD GHOR), milieufederaties en burgergroeperingen (werkgroep max 5 odeur) betrokken. Alle partijen willen burgers beter beschermen tegen vermijdbare stank. Essentieel onderdeel van het advies is een toets op de toepassing van BBT. Die dient bij vergunningverlening vooraf te gaan aan een toets aan de hand van geurnormen. Dit betekent dat een veehouder die wil uitbreiden eerst moet kijken hoe hij de geuremissies zoveel mogelijk naar beneden kan brengen. Op die manier komt er een eind aan het zogeheten ”opvullen van normen”, waarbij met behulp van best beschikbare technieken zoveel mogelijk dieren gehouden worden, net zoveel als de geurnormen maximaal toestaan.

Breuk met het verleden
Die breuk met het verleden is hard nodig. Tien jaar geleden zijn er zulke hoge normen opgenomen in de Wet Geurhinder Veehouderij dat bestaande stank uit veehouderijen kon voortduren en nieuwe stank kon ontstaan. Omwonenden van veehouderijen ondervinden daar erg veel hinder van.
Nu de Wet geurhinder veehouderij opgaat in de Omgevingswet zou deze fout kunnen worden hersteld door de normen aanzienlijk te verlagen. De geconsulteerde partijen zijn het echter niet eens kunnen worden over de hoogte van nieuwe normen en de onderbouwing daarvan. De milieufederaties, burgergroeperingen en GGD ‘en vinden dat er voldoende wetenschappelijke grond is voor aanzienlijk scherpere normen: 2 Ou voor de bebouwde kom als standaard norm vast te stellen en maximaal 5 Ou voor het buitengebied. VNG, IPO en LTO willen nader onderzoek.

Cumulatie
Alle partijen zijn het er wel over eens dat cumulatieve effecten (het optellen van stank uit verschillende veehouderijen in een bepaald gebied) moeten worden meegerekend bij het toestaan van geurhinder door een bedrijf. Dat gebeurde vroeger ook, maar de cumulatie is met de Wet Geurhinder Veehouderij geschrapt. Cumulatieve effecten moeten in elk geval in gebieden met een hoge(re) geurbelasting, veroorzaakt door meerdere veehouderijen, betrokken worden bij de vergunningverlening, het aanwijzen van locaties en het verdelen van de beschikbare ontwikkelingsruimte.

50%-regeling
Andere fout uit het verleden – de 50% regeling – is eveneens toe aan een correctie, aldus het advies. Die past niet bij het uitgangspunt dat stank, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, wordt beperkt. Nu mogen veehouderijen die stank reduceren, deze weer voor de helft opvullen. Zo blijven overbelaste situaties bestaan. Gemeenten kunnen van hun eigen afwegingsruimte (essentieel onderdeel van de nieuwe Omgevingswet) gebruik maken om de overbelasting op te heffen dan wel zo veel mogelijk te beperken. De gemeente kan daarbij maatregelen betrekken op het gebied van de bedrijfsvoering, het ontwerp van het bedrijf en andere activiteiten op het erf, zoals het opslaan en omgaan met mest en voer. Voor veehouderijen die niet ontwikkelen en die een geurbelasting veroorzaken die hoger is dan de voorkeurswaarde, dient elke vijf jaar in beeld te worden gebracht hoe de uitstoot en belasting van geur door de veehouderijen kan worden beperkt, aldus het advies.

Concentratiegebieden
Ook het onderscheid tussen concentratiegebieden (max 14 ou buiten de bebouwde kom) en niet-concentratiegebieden (max 8 ou buiten de bebouwde kom) is aan bod gekomen in de evaluatie. De VNG wil dit heroverwegen, de burgergroeperingen, milieufederaties en GGD ‘en willen ervan af.

Melkveehouderijen
Voor melkveebedrijven moeten er gestaffelde afstandseisen komen: hoe meer dieren, hoe groter de afstand tot een burgerwoning, aldus het advies. Geadviseerd wordt een emissiefactor vast te stellen waarmee de bijdrage van de melkveebedrijven aan de cumulatieve geurbelasting in beeld kan worden gebracht.

De werkgroep max 5 odeur en de milieufederaties hebben nadrukkelijk gepleit voor het berekenen en meetellen van andere stankbronnen, zoals het uitrijden van mest, mestverwerkingsinstallaties en brijvoerkeukens. Deze zijn echter niet in het advies opgenomen. Ook de stank van nertsenhouderijen komt niet aan bod in het advies.
Voor meer informatie, zie:
Evaluatie-geurregelgeving-advies-op-hoofdlijnen-22-okt-2016