Provincie Limburg wil liever maatwerk dan verlaging geurnormen

De Provincie Limburg heeft in een gezamenlijke brief met de boerenorganisatie LLTB aangegeven bevreesd te zijn voor de gevolgen van een eenzijdige verlaging van de geurnormen. Met de brief, gericht aan de de voorzitter en projectleider van de werkgroep evaluatie geurregelgeving, hopen Provincie en agrarisch bedrijfsleven strengere geurnormen te voorkomen.

Bij die evaluatie is het Inter Provinciaal Overleg betrokken, maar Limburg kiest ervoor een eigen geluid te laten horen. ”Gemeenten kunnen met de huidige normen uit de Wet Geurhinder Veehouderij voldoende maatwerk leveren en zo nodig zelf aangescherpte normen vaststellen”, aldus de brief. ”Bij die gemeentelijk afweging is het ook beter mogelijk om rekening te houden met andere aspecten bij ervaren geurhinder, bijvoorbeeld reeds bestaande stress (niet landbouw gerelateerd) en andere hinder (zoals geur van andere bronnen, zoals riolering of industrie en verkeerslawaai)”.

Provincie Limburg en LLTB verwachten meer van de inzet van zogeheten Best Beschikbare Technieken. ”Deze moeten moeten worden ingepast in het investeringsritme van het bedrijf. De keuze zal afhankelijk zijn van het integrale – optimale- effect voor de belangrijkste luchtemissies. Niet alles kan of kan direct. Inpassing in een bedrijfsplan is gewenst.”

De Provincie Limburg en LLTB willen een aanpak waarbij de ondernemer gestimuleerd wordt en zijn tegen een afschaffing van de zogeheten 50%-regeling, waarbij een verlaging van geuremissie voor 50% mag worden omgezet in uitbreiding van het bedrijf. Voorlopers moet je de ruimte die ze creëren niet direct afnemen, vinden Provincie en LLTB. ”Om die reden zijn wij ook voor het behoud van de huidige 50% regeling in enige vorm.”

Stank in de Limburgse Peelgemeenten
Stank uit veehouderijen is in het noorden van Limburg een groot probleem. Vooral in de Peelgemeenten in Limburg is het bar, zo blijkt uit het feitenonderzoek dat door studenten van de HAS in opdracht van de gemeente Venray is uitgevoerd. Nederweert spant de kroon met 13.753 inwoners die meer dan 10 odeur over zich heen krijgen. Daar zitten 304 inwoners in een enorme stank van meer dan 50 odeur. Horst aan de Maas is een slechte tweede, met 7.475 inwoners die meer dan 10 odeur moeten verdragen, waarvan 554 inwoners zijn blootgesteld aan meer dan 50 odeur. Niettemin heeft het gemeentebestuur van Horst aan de Maas onlangs ingestemd met uitbreiding van een biogasinstallatie, ook al zijn er inwoners die stankoverlast ervaren.
Het grootste aantal inwoners dat is blootgesteld aan meer dan 50 odeur, bevindt zich in Venray: 731. Venray is koploper in de hoogste odeurklassen.

Brief provincie Limburg en LLTB

Elektronische neuzen inzetten tegen stankoverlast

Met behulp van elektronische neuzen kan stankoverlast uit veehouderijen effectief worden bestreden. Bewoners- en milieugroepen uit Gelderland, Overijssel, Brabant en Limburg, willen dat er een netwerk komt van dergelijke eNoses. De overheid zou hierin een stimulerende rol moeten vervullen..

In de regio Rijnmond is al enige tijd een netwerk van eNoses operationeel. Deze elektronische neuzen detecteren gasvormige emissies. Die informatie draagt bij aan het opsporen van geurbronnen en een verbetering van de luchtkwaliteit. De bewoners- en milieugroepen, verenigd in de werkgroep Max 5 odeur, vinden dat een dergelijk hulpmiddel ook moet worden ingezet rond veehouderijen. Op die manier kan de feitelijke geurbelasting en stankoverlast objectief worden vastgesteld.

In grote delen van Brabant, Limburg en Gelderland is op veel plaatsen sprake van een matig tot slecht leefklimaat ten gevolge van stank uit veehouderijen. Grootschalig onderzoek door GGD Brabant en Zeeland en het Institute for Risk Assesment Sciences (IRAS) van de Universiteit van Utrecht heeft recent aangetoond dat omwonenden veel meer geurhinder ervaren dan in 2006 bij de invoering van de Wet geurhinder veehouderij (Wgv) werd aangenomen. Ook is er sprake van ernstige hinder, aldus het onlangs gepubliceerde rapport ‘Geurhinder van veehouderij nader onderzocht’.

”Burgers zijn het klagen over stank beu”
De werkgroep Max 5 odeur, die momenteel deelneemt aan de landelijke evaluatie van de Wet geurhinder en veehouderij, stelt dat de stanknormen vanuit het oogpunt van volksgezondheid drastisch omlaag moeten. Tegelijkertijd is het nodig overschrijdingen van de normen permanent te registreren. ”Burgers zijn het klagen beu”, aldus de werkgroep. ”Van elke klacht moet je maar afwachten of er iets mee wordt gedaan. Het duurt vaak dagen voordat er een reactie komt vanuit de overheid. Meestal gebeurt er vervolgens helemaal niets met deze klachten. Met de eNose kunnen klachten objectiever worden vastgesteld en geregistreerd. Daarmee trek je klachten over stankoverlast uit de persoonlijke sfeer en kan nauwkeuriger worden vastgesteld waar de stank precies vadaan komt.”

Volgens de werkgroep kan het opzetten van een netwerk van eNoses rond veehouderijen worden gefinancierd uit de Europese plattelandgelden of de Innovatieagenda van de Topsector Agri&Food. De werkgroep bereidt een subsidie-aanvraag voor.

Varkenshouders gaan eigen geuronderzoek doen

De Nederlandse Vakbond van Varkenshouders (NVV) wil aantonen dat een aanscherping van de geurnormen niet nodig is. Daartoe zal een onderzoek in gang worden gezet naar de geuruitstoot uit varkensstallen.
Het onderzoek wordt uitgevoerd in samenwerking met het Belgische Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO). De NVV wil weten wat de impact is van die uitstoot en hoe mensen in de omgeving eventuele hinder beleven. De onderzoeksmethodiek legt een directe link tussen de uitstoot uit de stal en hinder die mensen ervaren.
De NVV voert dit onderzoek uit omdat zij van mening is dat het huidige beleid op het gebied van geur is gestoeld op achterhaalde rekenmodellen en onderzoeksmethoden. De modellen zijn met grote onzekerheid omgeven en er vinden nauwelijks metingen plaats in de praktijk.
De NVV vermoedt dat geurhinder tegenwoordig juist minder voorkomt dan aanvankelijk werd aangenomen en wil deze aanname aan de hand van actuele modellen en methoden onderbouwen.

Bron: NVV