Normen voor achtergrondbelasting geur kunnen in bestemmingsplan

Belangrijke uitspraak van de Raad van State: gemeenten kunnen normen voor de achtergrondbelasting van geur opnemen in een bestemmingsplan. Voor deze zogeheten cumulatie (de optelsom van alle stankbronnen in een bepaald gebied bij elkaar) bestaat geen wettelijk toetsingskader. Maar het is wel mogelijk om via normen in het ruimtelijk beleid overlast door veehouderijen terug te dringen.

Het gaat om een uitspraak van 19 juli 2017. De gemeenteraad van Sint Anthonis had het bestemmingsplan voor het buitengebied gedeeltelijk herzien. Daartegen was door een melkveehouder annex varkenshouder bezwaar gemaakt. Het nieuwe bestemmingplan zat namelijk zo in elkaar dat hij niet meer zou kunnen uitbreiden. Volgens de melkveehouder/varkenshouder had de gemeente ten onrechte een eigen geurregeling in het bestemmingsplan opgenomen. Volgens de gemeenteraad was dat noodzakelijk om de ontwikkelingen van veehouderijen vanuit milieuhygiënisch oogpunt te kunnen beoordelen en bij overbelaste situaties een vermindering van de overlast te bereiken.

Cumulatieve geurhinder
De gemeenteraad had in het bestemmingsplan opgenomen dat een veehouder die wil uitbreiden, moet aantonen dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%. Als zou blijken dat de achtergrondbelasting hoger is dan de genoemde percentages, dan dienen er maatregelen te worden getroffen die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting leidt. Deze daling zou tenminste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting moeten compenseren.

Omgevingsweb
Bovenstaande maakt duidelijk dat het om een zeer ingewikkelde zaak gaat. Gelukkig heeft de jurist omgevingsrecht Max Seelen e.e.a. uitgelegd voor de informatieve website Omgevingsweb. Hij interpreteert de uitspraak van de Raad van State aldus:
je kunt regels in je bestemmingsplan over de totale geurbelasting van alle veehouderijen (achtergrondbelasting) opnemen. Dat kan door te bepalen dat er geen vierkante meter voor de veehouderij mag worden bijgebouwd. Van dit bouwverbod mag men vervolgens (binnenplans) afwijken op voorwaarde dat de veehouderij aantoont dat de totale geurbelasting op geurgevoelige objecten (zoals woningen) in de bebouwde kom niet hoger is dan (bijvoorbeeld) 12% en in het buitengebied niet hoger dan 20% (in deze zaak werd aangesloten bij de normstelling van de provinciale verordening). En mocht de achtergrondbelasting toch hoger zijn, dan moet de veehouderij maar maatregelen treffen die leiden tot een daling van de achtergrondbelasting (die in ieder geval de eigen bijdrage moet compenseren).

Tegen deze handelwijze valt na de uitspraak van de Raad van State weinig in te brengen. Seelen stelt vast dat op deze manier geen wettelijk kader wordt doorkruist. Er bestaat voor de beoordeling van de achtergrondbelasting immers geen wettelijk kader. Door deze bredere toetsing in je bestemmingsplan op te nemen, bescherm je het woon- en leefklimaat, schrijft hij.
Hij wijst er verder op dat het niet de bedoeling is om normen voor de zogeheten voorgrondbelasting op te nemen in een bestemmingsplan. Bepalen hoeveel geur een individuele veehouderij veroorzaakt bij een geurgevoelig object is namelijk onderdeel van de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

achttien + 6 =