Proces tegen de staat vanwege stank veehouderij

Uitgelicht

De stankoverlast die omwonenden ondervinden van veehouderijen wordt de inzet van een proces tegen de staat. De jurist mr. Valentijn Wösten spant de zaak aan namens burgers uit Brabant, Limburg en Gelderland. Hij werkt daarbij samen met de advocaat Nout Verbeek.

Wösten en Verbeek stellen dat de woonkwaliteit van omwonenden onvoldoende is gewaarborgd. De wettelijke geurnormen bieden niet genoeg bescherming. Ze verwijten de overheid nalatigheid als het gaat om het voorkomen van stankoverlast. De huidige geurnormen zijn veel te hoog, die zullen naar beneden moeten. Ook zal er rekening moeten worden gehouden met cumulatie: de uitstoot van meerdere veehouderijen in een bepaald gebied dient bij elkaar te worden opgeteld.

Het is nog niet bekend wanneer de zaak voor de rechter komt.
In het audiofragment van Radio 1 (7 maart 2017) licht Geert Verstegen van het Burgerplatform Minder Beesten het proces tegen de staat toe.

De werkgroep max5odeur steunt het proces tegen de staat.

Dialoog over veehouderij loopt vast op waardenconflict

Een dialoog tussen burgers, bestuurders en veehouders over de veehouderij is een brug te ver. De tegenstellingen zijn te groot, zo bleek in het debat tussen Cor de Nijs van de Kerngroep Limburg Gezonder en CDA-bestuurder Hubert Mackus. De Limburgse omroep L1 liet beiden aan het woord in De Stemming. De standpunten die werden ingenomen lagen mijlenver uit elkaar.
De Nijs gaf weer hoe burgers over de huidige veehouderij in Limburg denken en stelde de gezondheidseffecten centraal. Mackus bleef hameren op de economische betekenis van de sector en voorspelde een maatschappelijke crisis bij een drastische vermindering van het aantal dieren, vergelijkbaar met de sluiting van de mijnen. De CDA-bestuurder sprak over de noodzaak van transitie en technische maatregelen om de uitstoot van stank en fijnstof te verlagen. De Nijs liet blijken daar weinig waarde aan te hechten. (zie ook bericht: Luchtwassers doen niet wat ze beloven). De bulkproductie in Nederland is helemaal niet nodig om de technologie van de sector te kunnen exporteren, aldus De Nijs.
Het debat maakte duidelijk dat achter de meningsverschillen geen belangenconflict maar een waardenconflict schuil gaat. En dat de waarden volksgezondheid en economie (geld en werkgelegenheid) in het met dieren volgepakte Limburg (ruim 15 miljoen kippen en bijna 2 miljoen varkens) niet meer bij elkaar te brengen zijn. Het waardenconflict vraagt om een politieke keuze. Zolang de politiek onomwonden kiest voor de economie en de aanpak van gezondheidseffecten op de lange baan schuift, dan is een dialoog tussen burger, bestuurder en veehouder in feite zinloos.

Burgers in de steek gelaten door rijksoverheid

Burgers die in de stank zitten door veehouderijen, voelen zich in de steek gelaten door de rijksoverheid. Die zou met strengere geurnormen een belangrijke aanzet kunnen geven tot een verbetering van het leefklimaat op veel plaatsen in Nederland. Maar demissionair staatssecretaris Sharon Dijksma van Infrastructuur & Milieu weigert de regie te nemen, zo blijkt uit haar reactie op het advies van de bestuurlijke werkgroep die de geurregelgeving heeft geëvalueerd.

Via een juridische procedure die op dit moment in voorbereiding is, zullen burgers de staat aanklagen wegens nalatigheid als het gaat om het voorkomen van stankoverlast. De burgers worden terzijde gestaan door de jurist mr. Valentijn Wösten en advocaat mr. Nout Verbeek. Zij stellen dat de woonkwaliteit van omwonenden door de overheid onvoldoende is gewaarborgd. De wettelijke geurnormen bieden niet genoeg bescherming.

Dijksma is vooralsnog niet van plan van koers te veranderen. In plaats van te kiezen voor het aanscherpen van de normen, gooit de staatssecretaris het stankprobleem definitief over de schutting van gemeenten en provincies. In feite zegt ze: zoek het maar uit. Daarbij vergeet ze dat de rijksoverheid een grote verantwoordelijkheid draagt voor de stank waaraan omwonenden van veehouderijen dagelijks worden blootgesteld. Met de invoering van de Wet geurhinder veehouderij in 2007 zijn er zeer ruime geurnormen vastgesteld en hebben gemeenten ook nog eens de vrijheid gekregen die normen op te rekken. Dit heeft niet alleen geleid tot talrijke overbelaste situaties, maar ook tot conflicten tussen burgers en boeren en verstoorde verhoudingen in gemeenschappen.

Dijksma had een belangrijk signaal kunnen afgeven, door burgers in bescherming te nemen. Zij laat dat helaas na, stelt de burgerwerkgroep max5odeur, die heeft deelgenomen aan de evaluatie. Het advies van de bestuurlijke werkgroep, waarin duidelijk een tweespalt zichtbaar is tussen provincies, gemeenten en bedrijfsleven enerzijds, en burgergroeperingen, GGD’en en milieufederaties anderzijds, had voor Dijksma aanleiding kunnen zijn tot een keuze. In plaats van te kiezen, trekt ze haar handen ervan af. Gevolg zal zijn dat de strijd voor een beter leefklimaat zich gaat verharden. Burgers die in de stank zitten, zijn nu volledig op zichzelf en de lokale politiek aangewezen.

Enig lichtpuntje is de Omgevingswet die, zoals het zich nu laat aanzien, geen ruimte meer biedt voor zogeheten geurverordeningen. Gemeenten moeten in omgevingsplannen aangeven hoeveel het ergens mag stinken. Burgers kunnen dus langs de weg van inspraak, bezwaar en beroep de kwaliteit van de leefomgeving bewaken. Dan zal ook blijken of gemeentelijke geurnormen juridisch houdbaar zijn.

Pluimveehouderij wil emissies gaan meten

De regiegroep emissie-arme pluimveehouderij  gaat een onderzoeksproject in gang zetten naar effectieve en betaalbare meetsensoren om daarmee veel gerichter (op bedrijfs- en stalniveau) emissies en reductie van emissies te kunnen meten.

Door beter inzicht te hebben in factoren die emissies helpen ontstaan, beperken en voorkomen, kan een pluimveehouder afgewogen keuzes maken in zijn bedrijfsvoering voor een betere leefomgeving en stalklimaat. De regiegroep – een initiatief van de sector zelf – wil een integrale verduurzaming van de pluimveehouderij. Daarbij worden bij voorkeur meerdere problemen met één maatregel aangepakt: fijnstof, geur, ammoniak en endotoxinen.

Middels onderzoek en innovatie wordt gezocht naar effectieve en efficiënte oplossingen voor zowel nieuwbouw als bestaande stallen, waarbij het uitgangspunt is het stalklimaat te optimaliseren en emissies te minimaliseren. Een gezond stalklimaat is immers zowel goed voor de kippen, pluimveehouders en hun medewerkers, als omwonenden; een win/win/win-situatie, aldus de regiegroep op pluimveeweb.nl

De staatssecretarissen Dijksma en Van Dam hebben op 1 juni bekend gemaakt dat bestaande pluimveestallen binnen tien jaar vijftig procent minder fijnstof moeten uitstoten. Nieuwe stallen moeten naar een reductie van zeventig procent. Het volgende kabinet moet dit in een wet vastleggen, aldus Van Dam en Dijksma in een brief aan de Tweede Kamer. Wat de referentiedatum wordt, is op dit moment nog niet te zeggen.

Dijksma schuift stankprobleem veehouderij definitief door naar gemeenten

Staatssecretaris Dijksma is niet van plan nieuwe landelijke geurnormen voor de veehouderij op te stellen. De Omgevingswet geeft gemeenten de ruimte om eigen normen vast te stelen. Gemeenten kunnen zelf onderzoek doen om lokale normen wetenschappelijk te onderbouwen.

Dit schrijft de staatssecretaris naar aanleiding van het advies van de bestuurlijke werkgroep die de regelgeving op het gebied van geur en veehouderij heeft geëvalueerd.
Ook de werkgroep max5odeur was daarbij betrokken.

In het advies was al duidelijk een scheiding der geesten waarneembaar, met aan de ene kant de provincies, gemeenten en het bedrijfsleven en aan de andere kant de GGD’en, milieufederaties en burgergroeperingen. De laatsten pleitten – op basis van onderzoek van Bureau Gezondheid, Milieu en Veiligheid van de GGD’en Brabant/ Zeeland en het Institute for Risk Assessment Sciences van de Universiteit Utrecht – voor een landelijke aanscherping van de normen. Dit zou de aanpak van stankproblemen kunnen bevorderen en het ontstaan van nieuwe stankproblemen kunnen voorkomen.

De staatssecretaris schaart zich nu achter de provincies, gemeenten en het bedrijfsleven, die stelden dat reeds uitgevoerd onderzoek naar geurbelasting en hinderbeleving een algehele, landelijke verlaging van de geurnormen onvoldoende onderbouwt.

Het heeft volgens Dijksma geen zin nog meer onderzoek te doen: ”Er zijn verschillende hinderbelevingsonderzoeken uitgevoerd over de jaren heen. Ik maak hieruit op dat de onderzoeken geen eenduidig landelijk verband opleveren tussen geurbelasting en hinderervaring (ten opzichte van de landelijke norm). Mede ook gelet op de ruimte die de Omgevingswet aan gemeenten biedt, geven de hinderbelevingsonderzoeken mij vooralsnog geen aanleiding om nieuw onderzoek uit te voeren en op basis daarvan de geurnormen aan te passen. Wel is het mogelijk dat lokale overheden bij de vormgeving van hun geurbeleid onderzoek doen naar de daadwerkelijk optredende geurhinder en op basis daarvan een keuze maken voor de te kiezen normhoogte.”

Hiermee erkent Dijksma in feite dat de bestaande landelijke geurnormen, die zijn gebaseerd op onderzoek van PRA Odeurnet uit 2001, eveneens een gedegen onderbouwing missen. Op basis van deze normen, gecombineerd met de reeds bestaande gemeentelijke beleidsvrijheid, zijn er wel op zeer grote schaal vergunningen verleend die op zeer veel plaatsen in Nederland tot grote overlast hebben geleid.

Verwacht mag worden dat deze oude geurnormen als bandbreedte in het besluit kwaliteit leefomgeving behorende bij de Omgevingswet terecht komen. Belangrijke wijziging ten opzichte van de huidige situatie is wel dat besluitvorming van gemeenten over lokale geurnormen juridisch kan worden aangevochten. Omwonenden van veehouderijen die hun leefklimaat willen verbeteren, zullen vanaf het moment dat de Omgevingswet van kracht wordt, in elk geval een lokale lobby in gang moeten zetten.

In haar beleidsreactie op het evaluatie-advies gaat Dijksma niet in op andere onderwerpen die tijdens de evaluatie aan bod zijn gekomen, zoals cumulatie, de 50%-regeling en best beschikbare technieken. Ook rept ze met geen woord over het lopende onderzoek naar het rendement van luchtwassers en de handreiking geur en veehouderij die voor gemeenten in de maak is.

Annemarie Spierings, gedeputeerde van de Provincie Brabant en deelnemer aan de evaluatie, laat via de NOS weten niet gelukkig te zijn met de reactie van Dijksma. ”De gezondheid van mensen in de buurt van veebedrijven moet beter worden beschermd. Op dit moment zijn de landelijke regels voor deze bedrijven niet streng en niet duidelijk genoeg,” aldus Spierings op nos.nl. De D66-bestuurder wil dit ook een onderwerp wordt in de huidige kabinetsformatie.
“De regelgeving helpt nu bepaald niet mee”, zegt Spierings. “Als je als veehouder nu je stallen schoner maakt en je gaat daardoor 10 ‘geureenheden’ minder uitstoten, dan mag je op dit moment weer meer vee gaan houden en er gewoon weer 5 bij doen. Zo kom je dus nooit aan de gewenste kwaliteit voor de omgeving.”

Gemeente Lingewaal verhoogt geurnorm

De gemeente Lingewaal wil uitbreiding van een geitenbedrijf in Herwijnen mogelijk maken. In de nieuwe geurverordening verhoogt de gemeente de geurnorm voor het plangebied Herwijnen-Oost van 3 naar 4 odeur. Door deze verhoging kan het bedrijf uitbreiden en is er ook nieuwbouw mogelijk. Bewoners van deze nieuwbouw moeten er rekening mee houden dat ze meer stank over zich heen krijgen. De gemeenteraad is akkoord gegaan met de nieuwe geurverordening.

GGD dikke vinger in de pap bij vergunningverlening in Gemert Bakel

In de gemeente Gemert Bakel krijgt de GGD een dikke vinger in de pap bij de vergunningverlening voor veehouderijen. Ook gaat de gemeente standaard bij nieuwe aanvragen van kippen- en varkensbedrijven op endotoxinen toetsen.

Het college van B&W van Gemert Bakel heeft daartoe besloten. De gemeenteraad moet er nog mee instemmen. Als het aan het college ligt, gaat de gemeente gebruik maken van de Handreiking Veehouderij en Gezondheid, een checklist waarmee bepaald kan worden of er een advies van de GGD nodig is. Daarbij wordt gekeken naar de uitstoot van geur en fijnstof, het risico voor zoönosen, transportbewegingen en de landschappelijke inpassing.
Als er bijvoorbeeld sprake is van stankoverlast, dan moet de GGD om advies worden gevraagd. Ook als burgers zich zorgen maken over de uitbreidingsplannen of nieuwvestiging van een veehouderij.
Toepassing van deze checklist kan ertoe leiden dat een aanvraag wordt geweigerd of dat de aanvrager dingen moet aanpassen. De GGD hanteert namelijk strengere advieswaarden voor de gezondheidskundige beoordeling van geur. Volgens de GGD kunnen risico’s voor de volksgezondheid niet worden uitgesloten, ook al wordt voldaan aan de normen uit de Wet geurhinder veehouderij en/of een gemeentelijke geurverordening. Gemeenten kunnen in hun beleid opnemen dat de strengere advieswaarden van de GGD mogen worden toegepast bij de beoordeling van vergunningen.
Pluimvee- en varkensbedrijven die bij uitbreiding meer fijnstof gaan uitstoten, krijgen te maken met een endotoxinentoets. Hiervoor wordt het Endotoxinen toetsingskader 1.0 gebruikt.
In Gemert Bakel hebben CDA en lokale partijen een ruime meerderheid. Verantwoordelijk wethouder is Anke van Extel-Van Katwijk (CDA).
Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid
Endotoxinekader 1.0

Eersel wil geurnormen verder aanscherpen

De gemeente Eersel wil de geurnormen voor veehouderijen die gaan uitbreiden, verder aanscherpen. Geldt nu nog in het buitengebied een maximale norm van 10 odeur, dat gaat straks naar 7 odeur, meldt het Eindhovens Dagblad. In de bebouwde kom mag het helemaal niet meer stinken: daar zou de norm naar 1 odeur moeten. De gemeenteraad moet nog instemmen met deze nieuwe normen.

De voorgestelde norm voor het buitengebied komt aardig in de buurt van de max 5 odeur die de gelijknamige werkgroep van bewonersgroepen nastreeft. Boven de 5 odeur is er een hoog risico op stankoverlast. Deze overlast veroorzaakt stress en dat is schadelijk voor de gezondheid van omwonenden. Ook kan stank leiden tot andere lichamelijke klachten.

De aanpassing van de gemeentelijke geurverordening komt voort uit het gedoogakkoord, waarin is opgenomen dat ‘verdere groei van geuremissie en daarmee gepaard gaande overlast (en mogelijke gezondheidsrisico’s) ongewenst is’. In het college van Eersel zitten CDA, D66 en PvdA-GroenLinks, met gedoogsteun van de VVD. De gemeenteraad telt 17 leden: 3 CDA-ers, 2 leden van PvdA-GroenLinks, 2 van de VVD, 4 van Eersel Anders, 3 van D66, 2 van Kernbeleid en 1 van Leefbaar Eersel.

Mestfabriek Wanroij leidt nog altijd tot veel klachten

Het aantal klachten over de mestfabriek Cleanergy in Wanroij (gemeente Sint Anthonis) bereikt trieste records. Het afgelopen jaar werden er  67 klachten ingediend tegenover 51 in 2015. Alle klachten waren afkomstig van negen omwonenden en bedrijven in de omgeving. Ze gingen hoofdzakelijk over stank.

Het bedrijf zit al zo’n tien jaar op een verkeerde plek. Het halve dorp Wanroy bevindt zich binnen een straal van minder dan een kilometer rond het bedrijf. Vijf jaar geleden gaf ZLTO-vertegenwoordiger Brouwers dat ook toe: “Iedereen is het erover eens dat op Molenveld geen mestvergister hoort. Maar het is nu eenmaal zo. Verplaatsen en sluiten zijn geen opties. Daarom moeten we inzetten op oplossingen.”
Boerenorganisatie ZLTO is mede-eigenaar van de mestfabriek. In 2009 is vastgesteld dat de geurnormen werden overschreden. In antwoord op vragen van de Partij voor de Dieren in 2012 stelt Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant dat ZLTO de stankoverlast intensiever en nadrukkelijker zal aanpakken. Daar is kennelijk nog altijd weinig van terecht gekomen.
Andere bron van overlast is de mestvergister van de gebroeders Jan en Toine Aben in Wanroy, actief sinds 2004. Daar bevinden zich talrijke burgerwoningen binnen een cirkel van 250 meter rond het bedrijf. Hier is vooral sprake van verkeersoverlast en incidenteel van stankoverlast.

Burgers verlaten huis en haard vanwege stank

Al ruim dertig jaar wonen Bert en Joke van Helvoirt aan het Laar in Berlicum. De buurman – een varkensboer – ontwikkelde langs illegale weg zijn bedrijf, waardoor ze al sinds 2009 in een ondraaglijke stank zitten. Dankzij de legalisatiepolitiek van de gemeente Sint Michielsgestel kreeg de varkensboer in plaats van een boete de benodigde vergunning.
Omdat de buurman nog verder wil uitbreiden (naar 3000 varkens en 11.000 biggen) en de gemeente daaraan wil meewerken, moeten Bert en Joke nu huis en haard verlaten. De gemeente koopt ze uit en geeft daarmee een duidelijk signaal af: in het buitengebied hebben we liever boeren dan burgers.
”Ik had hier echt niet weg gewild, maar ik kan niet meer tegen de stank”, zegt Bert van Helvoirt in het Brabants Dagblad. Zijn huis wordt gesloopt. Op die plek komen boompjes te staan voor de ”landschappelijke inpassing” van het varkensbedrijf van de gebroeders Van der Heijden.
De gemeente denkt het geld voor de uitkoop – ruim zeven ton – terug te krijgen van de varkensboer. Het bedrijf kan daar immers subsidie voor aanvragen. De gemeente zou zich dus financieel niet in de eigen vingers snijden. Dat uiteindelijk de belastingbetaler toch opdraait voor de kosten van een constructie die de agrarische sector bevoordeelt en de burger benadeelt – daar hebben ze het in Sint-Michielsgestel maar even niet over.

Mestverwerking: van incident naar ramp

De incidenten met mestverwerkers nemen verontrustende vormen aan. Aan de reeks incidenten kan nu een ramp worden toegevoegd: in het Vlaamse Zevekote ontsnapte op 31 maart 2017 salpeterzuur dat zich vervolgens in een giftige wolk over de omgeving verspreidde. Twee dorpen moesten worden geëvacueerd.

Recent kwamen mestvergisters in Nederland veelvuldig negatief in het nieuws: in het Brabantse Asten lekte een luchtwasser van een mestverwerkingsbedrijf ammonium in het riviertje de Aa, met massale vissterfte tot gevolg. In Nistelrode lekte honderd kubieke meter mest weg bij het verwerkingsbedrijf BioSpares. In Aalten knapte een mestsilo en kwam drie miljoen liter mest in het milieu terecht. In Warmenhuizen moest een biovergister worden stilgelegd nadat een dekzeil was gescheurd. Het was voor de tweede keer dat dit gebeurde. Bij het mestvergistingsbedrijf Ecoson in Son deed zich een grote brand voor. Eerder ontsnapte er al biogas.

Ook in de buurlanden is het geregeld raak. Een paar voorbeelden: afgelopen maart kwam twee miljoen liter vloeibare mest vrij uit een biogasinstallatie in het Duitse Wuthenow. In Baden-Württemberg deed zich een ongeluk voor met een bioagasinstallatie, waardoor er een stroom mest vrijkwam die zich in de omgeving verspreidde. In Lengerich ontsnapte in september 2016 vijfhonderd liter zwavelzuur.

En nu dan die giftige wolk in Zevekote. Het bedrijf waar de lekkende tank ligt, heet Ivaco. Het verwerkt ruwe mest. Het staat te boek als innovatief en is een voorbeeld van hoe een kleinschalige vergistingsinstallatie (200 kWe) goed geïntegreerd kan worden in een landbouwbedrijf.  De bouw van deze vergistingsinstallatie werd gerealiseerd met de steun van de Vlaamse Overheid, via een VEA-demonstratieproject. Het procedé staat beschreven in het artikel  Kunstmest uit varkensmest. Dikke en dunne fractie worden van elkaar gescheiden en de dunne fractie wordt gescrubd met salpeterzuur om zo ammoniumnitraat (NH4NO3) te produceren.

In Nederland worden met enorme subsidies zeer veel initiatieven in gang gezet om het mestoverschot weg te werken. De reeks incidenten duidt op een wildgroei, waarbij risico’s onvoldoende in beeld zijn gebracht. De overheid trekt wel de portemonnee, maar heeft weinig zicht op de gevolgen van al het geëxperimenteer in het veld. Het RIVM gaf in 2014 een waarschuwing af: ”Het ontbreken van faalcijfers kan leiden tot een onderschatting van de externe veiligheid als de biogasinstallaties steeds groter worden en de inrichtingen van landelijke omgeving opschuiven naar (meer) bebouwde omgeving.”
Alle recente incidenten en nu zelfs een ramp onderstrepen hoe noodzakelijk het is dat de overheid niet alleen vergunningen afgeeft maar ook alle ontwikkelingen bijhoudt en de risico’s permanent inventariseert, zodat incidenten kunnen worden voorkomen.