Joan Veldhuizen, eerste wethouder die opstapt vanwege groei veehouderij

Joan Veldhuizen, wethouder te Bladel, heeft haar ontslag ingediend omdat in haar gemeente het aantal dieren de komende jaren dreigt te verdubbelen. Het is voor haar niet aanvaardbaar dat de veehouderij zo kan groeien. Twee keer zoveel varkens, twee keer zoveel kippen en vier keer zoveel kalveren – dat staat Bladel te wachten. Joan Veldhuizen kan en wil geen verantwoordelijkheid nemen voor de risico’s die gepaard gaan met een verdere toename van de veestapel.
”Het gaat hier over de gezondheid van onze inwoners. Vergunningen die na 11 mei verstrekt worden, kunnen bij voortschrijdend inzicht over gezondheidsrisico’s niet meer ingetrokken worden. Daar maak ik mij ernstige zorgen over”, aldus Veldhuizen in een verklaring waarin ze haar ontslag bekend maakt.
Veldhuizen bezocht op 9 maart het debat in Deurne, georganiseerd door het Nationaal Burgerplatform Betere Gezondheid door Minder Vee. Daar spraken artsen over de gezondheidsrisico’s van de hedendaagse veehouderij. ”Hun advies was duidelijk: bij de bron aanpakken, dus minder dieren”, stelt Veldhuizen in haar ontslagverklaring.
Ze is de eerste wethouder in Nederland die consequenties verbindt aan haar standpunt dat alleen een drastische hervorming van de veehouderij kan leiden tot een leefbaar en gezond platteland. Het Eindhovens Dagblad gaf haar alle ruimte om haar standpunt toe te lichten: ”Opkomen voor gezondheid is geen linkse hobby”, kopte de krant op 25 maart.

Door mestdroogtunnels meer ammoniak en stank

Mestdroogtunnels – favoriet bij pluimveehouders vanwege een verlaging van de afvoerkosten van mest – zijn slecht voor het milieu en omwonenden. Ze leiden tot een verhoging van de ammoniakuitstoot en een toename van de stank.

Volgens Hilko Ellen van Wageningen Universiteit kan de ammoniakuitstoot soms wel 100 keer hoger zijn dan vergund. Dat komt onder meer doordat pluimveehouders de mest door middel van mestbandbeluchting eerst in de stal voordrogen. ”Wanneer leghennenhouders de mest in de stal voordrogen, vindt er in de stal ammoniakvorming plaats en stijgt de ammoniakuitstoot”, aldus Ellen op pluimveeweb.nl. Vast is komen te staan dat wanneer de mest een drogestofgehalte van 45% bereikt, er een explosie van ammoniak plaatsvindt. Hij adviseert de mest dagelijks uit de stal te verwijderen en naar de droogtunnel af te voeren. Hij zei dat op een beurs voor intensieve veehouderij in Venray.

Dat mestdroogtunnels leiden tot meer ammoniak en stank staat ook al beschreven in het rapport ”Additionele maatregelen ter vermindering van emissies van bioaerosolen uit stallen: verkenning van opties, kosten en effecten op de gezondheidslast van omwonenden”. In het rapport wordt gesproken over een probleemverschuiving: minder fijnstof, maar meer ammoniak en stank.
Uit metingen blijkt dat de toename van ammoniak circa 200 gram per dierplaats per jaar bedraagt. Uitgaande van tien miljoen leghennen in Nederland die in een stal zitten met een mestdroogtunnel, zou het gaan om een niet berekende uitstoot van in totaal 2 miljoen kilo NH3. Het Nederlandse ammoniakplafond voor de gehele veehouderij is vastgesteld op in totaal 128 miljoen kilo.

Minder stank en stof bij ander concept pluimveestallen

Door mest zo snel mogelijk uit pluimveestallen te verwijderen kan de uitstoot van ammoniak, geur, fijnstof en endotoxines sterk worden verlaagd. Dat zei ir. Albert Winkel van Wageningen Universiteit tijdens de beurs voor intensieve veehouderij in Venray.

Winkel, die is gepromoveerd op een studie naar het stof dat pluimveestallen produceren, was uitgenodigd als gastspreker. Hij pleit voor de ontwikkeling van nieuwe stalsystemen, waarin het nemen van een stofbad en het scharrelen in strooisel wordt gescheiden van de plekken waar de kippen rusten, eten en eieren leggen. Stofbaden en scharrelen zijn activiteiten waarbij het meeste stof vrij komt. Dat kan het beste in een ruimte, waar het strooisel zo min mogelijk mestresten bevat en waar beperkt wordt geventileerd.
De mest die onder de roosters van de volières terecht komt, kan het beste dagelijks via mestbanden uit de stal worden afgevoerd, aldus Winkel.

Geuradvies ligt nog altijd op bureau Dijksma

Het geuradvies dat is opgesteld na de evaluatie van de wet geurhinder veehouderij, ligt al maanden op het bureau van staatssecretaris Dijksma (infrastructuur en milieu). Ze heeft het nog altijd niet naar de Tweede Kamer gestuurd. Daardoor treedt er een vertraging op in de aanpak van stankoverlast op zeer veel plaatsen in Nederland.

Het advies van de deelnemers aan de evaluatie, onder wie ook leden van de burgerwerkgroep max5odeur, is al in oktober 2016 aan de staatssecretaris uitgebracht. Het bevat een aantal voorstellen voor beleidswijzigingen, die tot een verbetering moeten leiden van het woon- en leefklimaat van omwonenden van veehouderijen. Het advies doet geen voorstellen voor een verlaging van de normen. Daarover konden de deelnemers aan de evaluatie het niet eens worden. De Tweede Kamer zal zich daar nu over moeten uitspreken.

GGD, milieufederaties en burgergroeperingen pleitten tijdens de evaluatie voor een drastische verlaging van de geurnormen. Zij weten zich daarbij gesteund door het wetenschappelijke onderzoek ”Geurhinder van veehouderij nader onderzocht: meer hinder dan Handreiking Wgv doet vermoeden?” van de GGD’en Brabant/Zeeland en het Institute for Risk Assesesment Sciences van Universiteit Utrecht.

LTO, gemeenten en provincies vinden dat dit onderzoek onvoldoende basis biedt voor een ingrijpende beleidswijziging. In Milieumagazine van maart 2017 (zie bijlage) laat wethouder Aart de Krijff zich hierover uit. Strenge normen zullen diep ingrijpen in het landelijke gebied, waarschuwt hij. “Dat is niet alleen rigoureus voor de agrarische sector. Het heeft ook behoorlijke consequenties voor de gemeenten.”

Door normen voor het buitengebied van 14 naar 5 Ou te verlagen, schuiven geurcontouren van veehouderijen over gebieden waar gemeenten willen bouwen,
aldus De Kruijff. “Ik vind het helemaal niet vervelend om een bedrijf weg te kopen vanwege woningbouwaspiraties. Maar dat moet dan wel op basis van een objectief vastgestelde norm.”

Er staat kortom veel op het spel. Reden te meer voor de staatssecretaris om het advies snel naar de Tweede Kamer te sturen. Die mag beoordelen of genoemd onderzoek voldoende is om einde te maken aan bestaande stankoverlast en om nieuwe overlast te voorkomen.
Zie ook Milieumagazine Gordiaanse geurknoop waarin Gert van Dooren, lid van de werkgroep max5odeur, aan het woord komt.

Nationaal burgernetwerk zet zichzelf op de kaart

Het Nationaal Burgernetwerk ”Een betere gezondheid door minder vee” heeft zichzelf met een drukbezocht verkiezingsdebat in Deurne goed op de kaart gezet. Omwonenden van veehouderijen kregen volop de kans hun zorgen te uiten en aan te dringen op een drastische afname van de hoeveelheid dieren in Nederland. Staatssecretaris Van Dam presenteerde zijn plan voor een nieuwe wet die provincies mogelijkheden biedt de enorme concentraties van vee aan te pakken. (Kandidaat) kamerleden deden uit de doeken hoe hun partijen hierover denken, waarbij Henk van Gerven (SP) het moment aangreep om de slachtoffers van de Q-koorts epidemie een hart onder de riem te steken.

Het gezondheidsprobleem dat door de veehouderij wordt veroorzaakt is omvangrijk, zo bleek uit de presentaties van wetenschappelijk onderzoek door de artsen Mariken Ruiter, Ignas van Bebber en hoogleraar Hans Zaaijer. De politiek heeft daar tot dusver maar zeer beperkt een antwoord op. Gepleit werd voor meer regie vanuit Den Haag in de vorm van lagere normen, het intrekken van dierrechten en andere maatregelen om stank en gezondheidseffecten te beteugelen.
Het was voor het eerst dat er zoveel burgers uit Brabant, Limburg, Gelderland en Overijssel bijeen waren. Allemaal mensen die overlast ervaren van de veehouderij en zich zorgen maken over hun gezondheid. De parallel met ”Groningen” drong zich op: veel burgers ervaren eenzelfde machteloosheid als de inwoners van het aardbevingsgebied. Volksgezondheid wordt door de overheid al te lang als ondergeschikt beschouwd aan het economisch belang.
Het debat werd ook bijgewoond door veehouders, die overigens geen uitnodiging hadden gekregen. Net zo min als de burgers. De bijeenkomst was voor iedereen toegankelijk. De bonden van veehouders (varkens, pluimvee en melkvee) hadden afgevaardigden gestuurd. Verder zaten er enkele luidruchtige boeren uit de streek in de zaal. De agrarische sector is duidelijk niet blij met alle aandacht voor de gezondheidsrisico’s die veehouderijen veroorzaken. Pluimveevoorman Hugo Bens probeerde nog te wijzen op de positieve effecten van het houden van vee (minder allergieën, minder astma), maar hij kreeg weinig kans zijn punt te maken. De vakbond van pluimveehouders is weggelopen uit het overleg met Van Dam over maatregelen om fijnstofemissies tegen te gaan en doet daardoor voorlopig niet mee als partij die serieus werk wil maken van het bestrijden van gezondheidsrisico’s. Met het maken van een wegwerpgebaar naar de staatssecretaris verliet Bens de bomvolle zaal.

Proces tegen de staat vanwege stank veehouderij

De stankoverlast die omwonenden ondervinden van veehouderijen wordt de inzet van een proces tegen de staat. De jurist mr. Valentijn Wösten spant de zaak aan namens burgers uit Brabant, Limburg en Gelderland. Hij werkt daarbij samen met de advocaat Nout Verbeek.

Wösten en Verbeek stellen dat de woonkwaliteit van omwonenden onvoldoende is gewaarborgd. De wettelijke geurnormen bieden niet genoeg bescherming. Ze verwijten de overheid nalatigheid als het gaat om het voorkomen van stankoverlast. De huidige geurnormen zijn veel te hoog, die zullen naar beneden moeten. Ook zal er rekening moeten worden gehouden met cumulatie: de uitstoot van meerdere veehouderijen in een bepaald gebied dient bij elkaar te worden opgeteld.

Het is nog niet bekend wanneer de zaak voor de rechter komt.
In het audiofragment van Radio 1 (7 maart 2017) licht Geert Verstegen van het Burgerplatform Minder Beesten het proces tegen de staat toe.

De werkgroep max5odeur steunt het proces tegen de staat. Wil je ook meedoen? Neem dan contact op met de werkgroep max5odeur, Jinke Hesterman, 06 50847140

Nieuwe EU regels voor vermindering stank veehouderijen

Grote varkens- en pluimveehouderijen (zogeheten IPPC-bedrijven) moeten binnen vier jaar een geurbeheersplan opstellen. Dat staat in de nieuwe Europese regels voor Best Beschikbare Technieken (BBT) die op 15 februari zijn  gepubliceerd. Zo’n geurbeheersplan is noodzakelijk in situaties waarin sprake is van geurhinder of waar geurhinder wordt verwacht.

Een geurbeheersplan moet een protocol bevatten voor de monitoring van geur. Ook moet de veehouder in het protocol beschrijven hoe hij geur denkt te voorkomen en welke maatregelen er getroffen zullen worden in geval van geurhinder.

De nieuwe Europese BBT-lijst bevat tal van technieken om geur te voorkomen of te verminderen. Volgens de nieuwe Europese regels moeten de veehouders een combinatie van deze technieken toepassen, zoals het geregeld afvoeren van mest naar een afgedekte mestopslag en het verkleinen van het oppervlak in de stal waar mest zich kan ophopen.
In de nieuwe BBT-eisen is ook aandacht voor de afvoer van lucht uit de stallen, de toepassing van luchtzuiveringssystemen en de bewerking van mest zodat het uitrijden veel minder geurhinder ontstaat.
Klik hier voor UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2017/302 VAN DE COMMISSIE
tot vaststelling van BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn
2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad, voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij

Zo dicht zitten mens en dier in Nederland op elkaar

Dat burgers in het buitengebied op grote schaal de dupe zijn van een volledig uit de hand gelopen veehouderij in Nederland, mag onderhand wel als bekend worden verondersteld. Onderzoek heeft nu aangetoond hoe omvangrijk dit probleem eigenlijk is: maar liefst 355.000 woningen bevinden zich op een afstand van nog geen 250 m van in totaal 27.000 veehouderijen.

Zo’n afstand leidt in veel gevallen tot overlast en mogelijk ook gezondheidsschade. Nu is de ene veehouderij de andere niet. Melkveehouderijen zijn beter te verdragen dan geitenhouderijen, varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Maar ook al zouden we de 19.000 melkveehouderijen die op minder dan 250 meter van burgerwoningen staan, buiten beschouwing laten, dan houden we nog zo’n 8.000 intensieve veehouderijen over die zich dicht in de buurt van burgerwoningen bevinden.
Van de legkippen bevindt zich 85% van de dieren op locaties met woningen op een afstand van minder dan 250 m; 86% van de vleeskuikens wordt op locaties gehouden met woningen binnen de 250 m; het merendeel van de vleesvarkens zit op minder dan 250 m van woningen: 87%. Bij de fokzeugen zit 91% van de dieren op locaties met een woning op minder dan 250 m. 84% van de geiten wordt gehouden op locaties met woningen binnen de 250 m. En van de 606 megastallen hebben er 480 te maken met woningen op minder dan 250 m. Het gaat daarbij om gemiddeld 5,8 woningen.

GGD-advies
Al geruime tijd adviseert de GGD om voor intensieve veehouderijbedrijven op een afstand van minder dan 250 m van woningen geen uitbreiding of nieuwvestiging meer toe te staan. Dit om gezondheidsrisico’s van veehouderijbedrijven voor de omwonenden in te perken. Uit de cijfers, verzameld door Alterra in opdracht van het ministerie van Economische Zaken, wordt duidelijk dat dit advies – als het zou worden opgevolgd – grote consequenties heeft voor talrijke veehouderijen.
In eerste instantie lijkt het verplaatsen van veehouderijen of woningen de meest voor de hand liggende optie, aldus de Alterra-onderzoekers. Maar: ‘’Zowel in de bedrijven als in de woningen is zoveel kapitaal geïnvesteerd, dat uit elkaar plaatsen van veel woningen en bedrijven op korte termijn erg kostbaar lijkt. Op de langere termijn kan de kwaliteit van het buitengebied wellicht wel verbeterd worden door verdergaande ontwikkeling van veehouderij te sturen naar locaties met minder woningen in de nabijheid.’’

Ze bevelen aan verder onderzoek te doen naar het minimaliseren van risico’s en het verminderen van overlast, zoals:

  • onderzoek naar aanpassingen in de bedrijfsvoering, die minder emissies en mogelijke risico’s veroorzaken (fijnstof, ammoniak, geur, geluid)
  • onderzoek naar aanpassingen in de huisvesting van vee, die minder emissies en mogelijke risico’s veroorzaken (fijnstof, ammoniak, geur, geluid, zoönosen).

De veehouderijen doen al veel aan het terugdringen van emissies, maar maatregelen zijn vooral bedoeld om op een bepaalde locatie meer dieren te kunnen houden. Bovendien bieden de normen voor fijnstof en geur nog altijd veel ruimte voor uitbreiding. Het daadwerkelijk verminderen van de uitstoot ten behoeve van de leefbaarheid, is nog geen beleid.

Belevingsapp

De Alterra-onderzoekers bevelen aan om onderzoek te doen naar beleving van overlast bij omwonenden: waar en wanneer vindt welke hinder plaats? Dat zou bijvoorbeeld kunnen via het ontwikkelen van een zogenaamde BelevingsApp, waarmee omwonenden op eenvoudige wijze actuele en nauwkeurige meldingen kunnen doen. Zo krijgen omwonenden en bedrijven betrouwbare informatie, waarmee ze kunnen zoeken naar oplossingen.
Tenslotte kan er wel wat verbeterd worden aan de communicatie tussen veehouderijbedrijven en omwonenden, vinden de Alterra-onderzoekers. ‘’Dat kan een eerste stap zijn om hinder in beeld te krijgen en te zoeken naar oplossingen. Ook daarbij zou een Belevingsapp een rol kunnen spelen.’’
Afstand tussen veehouderij en woningen 2016 Alterra

Herkenbaar verhaal bewoners Leudal

Overal in het land ondervinden omwonenden van intensieve veehouderijen overlast: stank, stof en lawaai. Die overlast is de afgelopen jaren alleen maar erger geworden.
Woordvoerder Ton van de Wiel van de bewoners van het Karreveld in Heibloem spreekt over zijn ervaringen met vergunningverlening en handhaving in zijn gemeente. Op het Karreveld is een grote varkenshouderij van de Vossen Group gevestigd, alsmede een mestvergister. Een verhaal waarin velen zich zullen herkennen. Bron: Regio Leudal Nieuws

Iets meer dan helft varkenshouderijen heeft luchtwasser

Iets meer dan de helft van de varkenshouderijen in Nederland heeft een luchtwasser. Tien procent wil wel investeren in een (extra) luchtwasser, de rest is dat niet van plan. Dat blijkt uit een onderzoek van AgriDirect, een marketingbureau voor de agrarische sector. Ze hebben 4200 varkens- en pluimveehouders voor dit onderzoek benaderd.
ZLTO-man Hans Huijbers heeft laten weten dat meer dan de helft van de varkensstallen niet geschikt is voor een luchtwasser. Hij zei dat in een reactie op het voornemen van de provincie Brabant om eigenaren van verouderde stallen te verplichten in al 2020 minder stikstof uit te stoten.
Bron: www.agridirect.nl