Drama met luchtwassers in Overijssel: 8% werkt naar behoren

De provincie Overijssel heeft na onderzoek van 220 veehouderijen met luchtwassers vastgesteld dat slechts drie bedrijven volledig aan de wettelijke voorschriften voldoen. Op slechts 8% van de bedrijven werkten de luchtwassers naar behoren.

De Provincie Overijssel brengt enorme tekortkomingen in de toepassing van luchtwassers aan het licht. Het is het zoveelste dieptepunt in het lopende luchtwasserschandaal. Dat ontstond jaren geleden doordat de overheid luchtwassers toestond en zelfs subsidieerde om schaalvergroting in de varkenshouderij mogelijk te maken. In 2016 is er nader onderzoek gedaan, waarbij vooral de zogeheten combi-wassers door de mand vielen. De emissiefactoren werden vervolgens naar beneden bijgesteld.

In het verleden is ook al geregeld vastgesteld dat er niet alleen sprake is van technische tekortkomingen, maar ook onvolkomenheden in onderhoud. In Overijssel is gebleken dat de luchtwassers in de meeste gevallen wel aan staan, maar dat de overgrote meerderheid niet goed werkt. Aanleiding voor de tekortkoming was vaak een combinatie van ingewikkelde bediening en gebrek aan aandacht, aldus de provincie.
Ook de elektronische monitoring die al enige tijd verplicht is, werkt slechts in 30% van de gevallen naar behoren.
 
De uitkomst van het Overijsselse onderzoek wordt door de provincie ”niet acceptabel” geacht. Na een rondje bewustwording, waarbij gebreken moeten worden hersteld, volgt later dit jaar een herhaling van het onderzoek. Als de situatie dan niet is verbeterd, gaat de provincie over tot handhaving.

Megastal mogelijk op 25 meter van burgerwoningen in Dantumadeel

Het college van B&W van de Friese gemeente Dantumadeel wil via een geurverordening de bouw van een megastal toestaan op 25 meter van een burgerwoning in het buitengebied. In de bebouwde omgeving mag zo’n megastal op 50 meter komen.

Normaal is een minimumafstand van 50 meter tot woningen in het buitengebied en 100 meter in de bebouwde omgeving. Met een nieuwe geurverordening zou Maatschap van der Weg uit Feanwâldsterwâl alsnog een vergunning kunnen krijgen voor uitbreiding van het melkveebedrijf van 140 melkkoeien en 190 jonge koeien naar 250 melkkoeien en 160 jonge koeien. Gemeenten mogen via een geurverordening normen versoepelen in het voordeel van de veehouderij, maar dat gebeurt de laatste tijd alleen bij hoge uitzondering. Vooral omdat daardoor een groot risico bestaat op stankhinder.
De gemeenteraad van Dantumadiel moet nog beslissen over de nieuwe geurverordening.

Omwonenden maken bezwaar tegen uitbreiding van de melkveehouderij van maatschap Van der Weg in Feanwâldsterwâl. Het bedrijf zou op 60 meter afstand van hun woningen komen.

De uitbreiding van het bedrijf in Feanwâldsterwâl (gemeente Dantumadiel) is onlangs door de rechter tegen gehouden. De bouwvergunning werd vernietigd omdat nieuwbouw zou plaatsvinden op 60 meter van burgerwoningen. Omdat het hier om woningen in de bebouwde omgeving gaat, moet het bedrijf volgens de geldende regels op 100 meter afstand blijven. Door in de geurverordening een afstand op te nemen van 25 meter in het buitengebied en 50 meter ten opzichte van burgerwoningen in de bebouwde omgeving, zou de uitbreiding toch door kunnen gaan.

Om de maatschap Van der Weg, en ook andere boeren in de gemeente, ter wille te zijn wil het college van B&W de geurverordeningen zo aanpassen dat er wél uitgebreid kan worden. LTO-noord is positief over de nieuwe geurverordening. Omwonenden, die al drie jaar bezig zijn om boer en gemeente op andere gedachten te brengen, voelen zich in de steek gelaten. Gert Willem Bonnema, woordvoerder namens de omwonenden, zegt in het Friesch Dagblad: ”Ons woongenot wordt aangetast”.

POV wil dat Raad van State geurnormen combi-wassers onverbindend verklaart

De Producenten Organisatie Varkenshouderij (POV) heeft de Raad van State om een uitspraak gevraagd over de aangescherpte geurnormen voor combi-wassers die sinds juli 2018 gelden. De Raad van State zou deze onverbindend moeten verklaren. Het onderzoek waarop de bijstelling van de geurnormen is gebaseerd, deugt niet, aldus de POV.

Blijven de geurnormen in stand, dan moet er financiële compensatie komen voor veehouders die al geïnvesteerd hebben, zei advocaat F. Damen namens de POV op 7 januari bij de Raad van State. Op pigbusiness.nl wordt verslag gedaan van een zitting bij de Raad van State over een varkenshouderij in de gemeente West-Betuwe. Tijdens die zitting werden door de POV de geurnormen voor combi-wassers ter discussie gesteld. In feite gaat het om een bijstelling van de zogeheten geurverwijderingsrendementen van combi-wassers, zodat deze meer in overeenstemming zijn met de praktijk,

De varkenshouderij had vlak voor de bijstelling een vergunning gekregen. Een omwonende ging daartegen in beroep en werd door de rechtbank Gelderland in het gelijk gesteld. De varkenshouder en de POV gingen in hoger beroep bij de Raad van State. ”Ook andere varkenshouders die hiermee te maken hebben gehad zijn volgens de POV benadeeld. De POV vroeg de Raad van State de nieuwe geurnorm onverbindend te verklaren. Het onderzoek naar het rendement van de combi-luchtwassers deugt namelijk van geen kanten”, aldus de POV op pigbusiness.nl.

Brongerichte maatregelen varkenshouderij geen alternatief voor gecombineerde luchtwasser

De brongerichte maatregelen waar iedereen het nu over heeft, zijn geen alternatief voor de falende gecombineerde luchtwassers in de varkenshouderij. Wageningen Livestock Research heeft een aantal maatregelen op een rij gezet, met daarbij de te verwachten reductie van ammoniak, geur, methaan en fijnstof. Wat betreft geur bedraagt de reductie van een aantal maatregelen maximaal 65%.

Veel toegepaste luchtwassersystemen zijn vergund op basis van een geurrendement van 70 tot 85%. Deze rendementen zijn inmiddels bijgesteld naar 30 tot 45%, maar reeds vergunde systemen draaien nog volop. Kijken we naar de bijgestelde rendementen, dan scoren de brongerichte maatregelen beter. Maar rendementen van 70 tot 85% die nodig zouden zijn om als alternatief te dienen voor de vergunde luchtwassers met bijbehorende dieraantallen, worden niet gehaald.

De effecten van de maatregelen die in het rapport van de WUR worden genoemd, zijn ”in het algemeen” niet gebaseerd op metingen, maar op een inschatting van de emissiereducties en op ”expertkennis”. Volgens de samenstellers van het rapport valt het meest te verwachten van mestpannen met schuine wanden in combinatie met het wekelijks verwijderen en het koelen van de mest. Dat levert een reductie van ammoniak op met 80%, een reductie van geur met 65%, van methaan met 80% en van fijnstof met 20%.

Het rapport zet maatregelen op een rij die nu al kunnen worden toegepast in een bestaande stal. Ook wordt een aantal nieuwe technieken genoemd die nog in ontwikkeling zijn, zoals koude plasma en toepassing van een varkenstoilet met een zandbed. Vooral koude plasma doet het goed met een geurverwijdering van bijna 90% en komt in de buurt van wat omwonenden zien als een echt emissie-arme stal: die ruik je bijna niet.

Het rapport is opgesteld in opdracht van het ministerie van LNV.
Op de website van nieuweoogst.nl laat POV-voorzitter Linda Janssen zich uit over de brongerichte maatregelen. Ze heeft de luchtwassers nog niet opgegeven. Vanwege de noodzakelijke ammoniakreductie zegt zij: ”Wij moeten de emissies met 90 tot 95 procent terugbrengen. Dat gaan we niet redden met één systeem. Dat wordt een combinatie van maatregelen en er zal altijd wel een luchtwasser nodig zijn.”

Stank uit varkenshouderijen zal toenemen door brijvoer

De stank uit varkenshouderijen zal toenemen door een uitbreiding van het aantal brijvoerinstallaties. De verwachting is dat er door de sanering van de varkenshouderij meer bedrijven zullen komen met een dergelijke installatie. ‘’In Nederland zal relatief het aantal bedrijven met een brijvoerinstallatie eerder toe- dan afnemen door krimp van de varkensstapel en het aantal bedrijven’’, schrijft Nieuwe Oogst.

Een toename van brijvoer valt niet alleen te verwachten ten gevolge van de schaalvergroting, maar ook door toepassing van de kringlooplandbouw. Dat concept wordt gepropageerd door het ministerie van LNV en beoogt voedselverspilling tegen te gaan. Met vochtrijke en met droge reststromen uit de levensmiddelenindustrie zou de varkenssector bovendien een belangrijke bijdrage leveren aan de reductie van broeikasgassen.

Omwonenden zullen het gaan merken: voor brijvoerinstallaties gelden geen geurnormen. De Wet Geurhinder Veehouderij biedt geen enkele bescherming. Wel is er de algemene regel dat het bereiden van brijvoer in gesloten ruimtes moet plaatsvinden. Maar de opslag van brijvoer kan ook stank veroorzaken. Evenals de mest van met brijvoer gevoerde varkens. Het brijvoer voegt aan de mest een zure stank toe, als gevolg van vluchtige vetzuren van gefermenteerde bijproducten.

Het rapport van Wageningen Universiteit Stalmaatregelen voor het reduceren van geuremissie uit de intensieve veehouderij (2015) wijst bovendien op het risico van stank door vermorsing en hokbevuiling. Hokbevuiling bij met name vleesvarkens, is één van de belangrijkste bronnen van geur (en ammoniak), aldus het rapport.

De conclusie van het rapport is weinig hoopgevend: ‘’Er zijn nauwelijks mogelijkheden om de geuremissie uit voeropslagen en/of voerkeuken te voorkomen of te reduceren. Veel zal afhangen van de aanwezige voercomponenten en de dagelijkse werkwijze van de veehouder, zoals bijvoorbeeld het afdekken van sleufsilo’s en het schoonmaken van lege voorraadbakken. Eventueel kan een inpandige opslag van voedercomponenten worden aangesloten op een chemische luchtwasser.

Het bevoegd gezag kan toepassing van een chemische luchtwasser afdwingen in de vorm van aanvullende maatwerkvoorschriften. Daarvoor moeten omwonenden dan wel bij de vergunningverlening via een zienswijze een verzoek indienen.

Staat: ”stankregels niet in strijd met hoger recht”

”De Staat is van mening dat de regelgeving op het gebied van geur en veehouderijen niet in strijd is met hoger recht en ook voor het overige niet onrechtmatig is. Om die reden ziet de Staat ook geen aanleiding om te overleggen over een aan uw cliënten uit te keren schadevergoeding.”

Dat is de boodschap van de staatssecretaris van Infrastuctuur en Waterstaat Stientje van Veldhoven aan de advocaat Nout Verbeek die optreedt namens achttien inwoners van Brabant, Limburg, Gelderland en Overijssel.

De afwijzende reactie zal een dezer dagen leiden tot het indienen van een dagvaarding. De gedupeerden willen een proces voeren omdat zij vinden dat de Staat met de huidige regelgeving tekortschiet in zijn verplichting om omwonenden van intensieve veehouderijen te beschermen tegen stankoverlast. Er is volgens hen sprake van een onrechtmatige daad. Ook zal gevorderd worden dat de schade wordt vergoedt die eisers hebben geleden door het onrechtmatige handelen van de Staat.

Stank in tijden van stikstofchaos

De stank die veehouderijen veroorzaken dreigt door de huidige stikstofcrisis op de achtergrond te raken. Je zou haast vergeten dat er voor de commissie Remkes nog een commissie Biesheuvel was, die geconstateerd heeft dat burgers onvoldoende worden beschermd door de huidige wet- en geurregelgeving.

Het recent verschenen artikel ”De boer op tegen de stank’‘ in het Down to earth magazine zet nog eens duidelijk uiteen wat er aan de hand is en wat daar tegen gedaan zou moeten worden. Wat opvalt zijn de parallellen: net als met stikstof heeft de overheid ook wat betreft geur de zaak jarenlang op z’n beloop gelaten en veehouderijen telkens opnieuw meer dieren vergund dan uit het oogpunt van geurhinder verantwoord was. Dit kon alleen doorat de wet- en regelgeving daartoe alle ruimte bood. En dat er modellen en berekeningen worden gebruikt die met de werkelijke geurbelasting weinig te maken hebben.

Nederland zucht dus niet alleen onder een deken van stikstof, in grote delen van het land zuchten burgers ook nog altijd onder een deken van stank. In de parallel schuilt echter een groot gevaar. Nu het stikstofprobleem zo acuut is dat maatregelen niet langer op zich kunnen laten wachten, valt te vrezen dat het stankprobleem uit het beeld van politici en beleidsmakers verdwijnt. En dat boeren zo maatregel-moe worden dat ze straks niet meer bereid zijn nog iets te doen aan de overlast die ze veroorzaken en waar burgers schade van ondervinden.
______________________________________________________________________

Stikstofchaos leidt aandacht af van luchtwasserschandaal
______________________________________________________________________

Met enig cynisme zou kunnen worden vastgesteld dat het stikstofprobleem de verantwoordelijken voor het stankprobleem goed uitkomt. Het leidt onder meer de aandacht af van de gevolgen van het door overheid en boerenbedrijfsleven veroorzaakte luchtwasserschandaal. Deze gevolgen zijn nog verre van bestreden. Met de aanpak van die gevolgen is nog niet eens een begin gemaakt. De emissiefactoren zijn weliswaar bijgesteld, waardoor er praktisch geen nieuwe aanvragen voor sjoemelluchtwassers kunnen worden gedaan, maar bestaande en reeds vergunde installaties draaien volop, terwijl omwonenden in de stank zitten.

De overheid heeft die omwonenden op dit moment niet zoveel te bieden, zo is door staatssecretaris Van Veldhoven onlangs nog in en beleidsreactie op het rapport Biesheuvel bevestigd. Er is weliswaar een saneringsregeling varkenshouderij, maar de slachtoffers van een jarenlang falend geurbeleid hebben geen enkele garantie dat de grootste stinkerds daarvan gebruik maken. En dan zijn er nog de pluimveebedrijven die grote hoeveelheden stank en stof kunnen blijven verspreiden. Ook de melkveebedrijven kunnen vooralsnog hun mest blijven dumpen op volledig verzadigde bodems en daarbij burgers telkens opnieuw blootstellen aan ongezonde golven van stank.

In deze situatie kan de huidige stikstofchaos door burgers worden uitgelegd als een zegen. De stank wordt weliswaar niet structureel aangepakt, maar kan op dit moment ook niet erger worden doordat bedrijfsuitbreidingen voorlopig even stil liggen. En wie weet hebben de stikstofmaatregelen straks ook een stankreducerend effect. Dat zal op enkele plaatsen zeker het geval zijn: waar een bedrijf wordt beëindigd kan het niet meer stinken.
Te verwachten valt echter dat de maatregelen de schaalvergroting verder in de hand werken, waardoor de stank op andere plaatsen alleen maar zal toenemen. Veel bedrijven die overblijven, zullen groter worden en hun omgeving nog meer belasten. Van nieuwe technieken valt weinig te verwachten: die reduceren stank slechts marginaal. Of de melkveehouders, varkens- en kippenboeren moeten hun bedrijfsvoering ingrijpend wijzigen, maar daar zijn nog amper voorbeelden van.
______________________________________________________________________

Wie de boeren met hun trekkers heeft gezien, weet dat zij voorlopig niet aanspreekbaar zijn als het gaat om volksgezondheid en kwaliteit van de leefomgeving
______________________________________________________________________

Het pleidooi van D66-kamerlid Tjeerd de Groot voor een halvering van de veestapel en een verbod op drijfmest is in menig burgergezin in de veedichte gebieden met instemming ontvangen. Maar tegelijkertijd is er de vrees voor de averechtse werking. Wie de boeren met hun trekkers heeft gezien, weet dat zij voorlopig niet aanspreekbaar zijn als het gaat om volksgezondheid en kwaliteit van de leefomgeving. Vandaar dat het nodig blijft om in de heersende stikstofchaos aandacht op te eisen voor het stankprobleem en bij de overheid aan te dringen op een betere bescherming.

Milieujuristen hekelen wet- en regelgeving landbouw

Omwonenden van veehouderijen weten al jaren dat de wet- en regelgeving ernstig tekort schieten als het om veehouderijen gaat. Ook het toezicht en de handhaving zijn ver onder de maat. De commissie Biesheuvel bevestigde dit onlangs in het rapport ”Geur bekennen”. Zijn hoofdconclusie: burgers worden onvoldoende beschermd. Nu zijn er zeventien milieujuristen die de huidige regelgeving hebben doorgelicht en tot de conclusie komen dat er weinig van deugt.

Ze spreken over ”gefragmenteerde, inadequate regelgeving, tekortschietende uitvoering en ontoereikend toezicht”. Het is volgens de juristen duidelijk dat tot op heden wetgeving en beleid niet in staat zijn gebleken de verschillende nadelige gevolgen van de landbouw voor de omgeving tot staan te brengen, laat staan te reduceren. In de bundel ”Milieuproblemen in de landbouw: falend omgevingsrecht en mogelijke oplossingen” doen ze verslag van hun bevindingen. De bundel verschijnt eind dit jaar, maar in een persbericht op milieurecht.nl licht de uitgever Vereniging Milieurecht alvast een tipje van de sluier op.

Aanleiding voor het onderzoek is de voortdurende stroom van negatieve publiciteit over de landbouwsector. Grootschalige sterfte van insecten, dramatische achteruitgang van de boerenlandvogels, overbelasting van de natuur met grote hoeveelheden stikstof, en berichten over illegale praktijken rond meststoffen en fraude bij fosfaatboekhouding doen vermoeden dat de regelgeving die beoogt de effecten van landbouw op de fysieke leefomgeving te beperken, onvoldoende werkt.

Het falende omgevingsrecht betreft zowat alle beleidsterreinen van de landbouw. De auteurs hebben onderzocht hoe effectief bestaande regelgeving is bij het beperken van de impact van de landbouw op lucht, water, bodem, natuur, klimaat en volksgezondheid. Relevante regelgeving betreft de toelating en het gebruik van bestrijdingsmiddelen, de bescherming van grond- en oppervlaktewater, de bodem en beschermde dier- en plantensoorten, de regulering van stikstofemissies, de reductie van fosfaat, de regelgeving op het terrein van de ruimtelijke ordening, klimaatverandering, en volksgezondheid.

Jonathan Verschuuren: ”In dertig jaar zijn we niets opgeschoten”

Het Financieel Dagblad laat de jurist Jonathan Verschuuren aan het woord. ’De huidige wetgeving voldoet niet of nauwelijks om het milieu te beschermen tegen de landbouw,’ zegt hij. Verschuuren wijst er op dat de ammoniakvervuiling door de intensieve veeteelt dertig jaar geleden het eerste onderwerp was waarover hij zich als wetenschapper boog. Precies dat is een hoofdonderwerp waarvoor de commissie-Remkes nu noodmaatregelen moest verzinnen. ‘In dertig jaar zijn we niets opgeschoten,’ constateert Verschuuren. Volgens hem tonen de juristen in hun bundel dat de milieuwetten falen doordat de regels te complex zijn en gefragmenteerd over een reeks van wetten. Een tweede oorzaak voor de voortdurende milieuproblemen van de landbouw is volgens professor Verschuuren dat ‘de normen niet worden nageleefd’. Dat komt volgens hem ‘omdat de wetgever steeds weer nieuwe creatieve ruimte zoekt om groei mogelijk te maken’ voor de landbouw.

OM legt link tussen dierrechten en volksgezondheid

Het Openbaar Ministerie legt in een zaak van vier Gelderse pluimveehouders die teveel dieren hielden, een link tussen dierrechten en volksgezondheid.

Het dierrechtensysteem is er niet voor niets. Fraude met dierrechten is om meerdere redenen ernstig, aldus het OM. Dieren belasten het milieu door uitstoot van stikstof, fosfaat, ammoniak en overige broeikasgassen. Daarnaast produceren ze fijnstof en geur. Het dierrechtensysteem dient dus ook het belang van milieu- en volksgezondheid.

Het is opmerkelijk dat het OM er zo tegenaan kijkt. De dierrechten zijn er immers primair om de mestproductie binnen de perken te houden.

De Gelderse pluimveehouders uit Ede, Nijkerk en Overbetuwe hadden hun dierrechten met 10.000 tot 40.000 overschreden. De geëiste boetes variëren van €14.000 tot €40.000. Daarnaast eist het OM dat de pluimveehouders hun economisch voordeel afstaan aan de staat. Het bedrijf uit Nijkerk moet een kleine ton betalen, het bedrijf uit Ede ruim €40.000 en twee bedrijven uit gemeente Overbetuwe moeten zo’n €40.000 en €15.000 aan de staat betalen. De zaak dient voor de rechtbank in Arnhem. Deze doet over twee weken uitspraak.

Het gebeurt overigens geregeld dat pluimveehouders meer dieren houden dan dat ze rechten hebben. In 2017 controleerde de NVWA 186 bedrijven, waaronder 58 pluimveebedrijven. Op 41 van de 58 pluimveebedrijven werden teveel kippen gehouden. Tegen 35 bedrijven is toen proces verbaal opgemaakt. In 2016 zijn 26 pluimveebedrijven onderzocht en werden er op 21 teveel dieren gehouden. In 2015 ging het om 53 van de 65 pluimveebedrijven die in overtreding waren. Dat heeft minister Schouten op 25 september 2018 geschreven in een antwoord op kamervragen.

Gemeenten en provincies willen af van 50%-regeling

Gemeenten en provincies willen af van de 50%-regeling bij overschrijding van de geurnormen. Dit hebben ze staatssecretaris Van Veldhoven in een brief laten weten.

”Op basis van de 50% regel mag een ondernemer, indien hij een nieuwe stal erbij bouwt met bijvoorbeeld een goede luchtwasser, de helft van de daarmee behaalde geuremissiereductie ‘opvullen’ met dieren en de andere helft komt ten goede aan lagere bedrijfsemissie. Er is dan weliswaar lagere geurbelasting op omliggende woningen, maar de geurbelasting kan aldus legaal boven de geurnorm blijven. Anno 2019 is dat niet meer gewenst. Wij stellen voor deze 50% regeling door te halen, en te bepalen dat in overbelaste situaties de geuremissie bij uitbreiding wordt teruggebracht tot de normwaarde”, aldus de gemeenten en provincies in de brief.

Ze pleiten verder voor een interbestuurlijke taskforce die met voorstellen moet komen voor de aanpassing van wet- en regelgeving en innovatie en onderzoek. Gemeenten en provincies willen een ”robuust geurbeleid”. Dat houdt niet alleen in dat de 50%-regeling wordt geschrapt, maar ook dat er een toets komt voor de berekening van cumulatie en dat er een APK komt voor bestaande stallen.

De provincies en gemeenten komen met hun voorstellen een heel eind tegemoet aan de wensen van de burgerwerkgroep max5odeur. Wat nog ontbreekt is een pleidooi voor het naar beneden bijstellen van de geurnormen. De gemeenten en provincies lijken nu vooral eerst te willen inzetten op een beëindiging van de overlast boven de bestaande geurnormen.