Zo dicht zitten mens en dier in Nederland op elkaar

Dat burgers in het buitengebied op grote schaal de dupe zijn van een volledig uit de hand gelopen veehouderij in Nederland, mag onderhand wel als bekend worden verondersteld. Onderzoek heeft nu aangetoond hoe omvangrijk dit probleem eigenlijk is: maar liefst 355.000 woningen bevinden zich op een afstand van nog geen 250 m van in totaal 27.000 veehouderijen.

Zo’n afstand leidt in veel gevallen tot overlast en mogelijk ook gezondheidsschade. Nu is de ene veehouderij de andere niet. Melkveehouderijen zijn beter te verdragen dan geitenhouderijen, varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Maar ook al zouden we de 19.000 melkveehouderijen die op minder dan 250 meter van burgerwoningen staan, buiten beschouwing laten, dan houden we nog zo’n 8.000 intensieve veehouderijen over die zich dicht in de buurt van burgerwoningen bevinden.
Van de legkippen bevindt zich 85% van de dieren op locaties met woningen op een afstand van minder dan 250 m; 86% van de vleeskuikens wordt op locaties gehouden met woningen binnen de 250 m; het merendeel van de vleesvarkens zit op minder dan 250 m van woningen: 87%. Bij de fokzeugen zit 91% van de dieren op locaties met een woning op minder dan 250 m. 84% van de geiten wordt gehouden op locaties met woningen binnen de 250 m. En van de 606 megastallen hebben er 480 te maken met woningen op minder dan 250 m. Het gaat daarbij om gemiddeld 5,8 woningen.

GGD-advies
Al geruime tijd adviseert de GGD om voor intensieve veehouderijbedrijven op een afstand van minder dan 250 m van woningen geen uitbreiding of nieuwvestiging meer toe te staan. Dit om gezondheidsrisico’s van veehouderijbedrijven voor de omwonenden in te perken. Uit de cijfers, verzameld door Alterra in opdracht van het ministerie van Economische Zaken, wordt duidelijk dat dit advies – als het zou worden opgevolgd – grote consequenties heeft voor talrijke veehouderijen.
In eerste instantie lijkt het verplaatsen van veehouderijen of woningen de meest voor de hand liggende optie, aldus de Alterra-onderzoekers. Maar: ‘’Zowel in de bedrijven als in de woningen is zoveel kapitaal geïnvesteerd, dat uit elkaar plaatsen van veel woningen en bedrijven op korte termijn erg kostbaar lijkt. Op de langere termijn kan de kwaliteit van het buitengebied wellicht wel verbeterd worden door verdergaande ontwikkeling van veehouderij te sturen naar locaties met minder woningen in de nabijheid.’’

Ze bevelen aan verder onderzoek te doen naar het minimaliseren van risico’s en het verminderen van overlast, zoals:

  • onderzoek naar aanpassingen in de bedrijfsvoering, die minder emissies en mogelijke risico’s veroorzaken (fijnstof, ammoniak, geur, geluid)
  • onderzoek naar aanpassingen in de huisvesting van vee, die minder emissies en mogelijke risico’s veroorzaken (fijnstof, ammoniak, geur, geluid, zoönosen).

De veehouderijen doen al veel aan het terugdringen van emissies, maar maatregelen zijn vooral bedoeld om op een bepaalde locatie meer dieren te kunnen houden. Bovendien bieden de normen voor fijnstof en geur nog altijd veel ruimte voor uitbreiding. Het daadwerkelijk verminderen van de uitstoot ten behoeve van de leefbaarheid, is nog geen beleid.

Belevingsapp

De Alterra-onderzoekers bevelen aan om onderzoek te doen naar beleving van overlast bij omwonenden: waar en wanneer vindt welke hinder plaats? Dat zou bijvoorbeeld kunnen via het ontwikkelen van een zogenaamde BelevingsApp, waarmee omwonenden op eenvoudige wijze actuele en nauwkeurige meldingen kunnen doen. Zo krijgen omwonenden en bedrijven betrouwbare informatie, waarmee ze kunnen zoeken naar oplossingen.
Tenslotte kan er wel wat verbeterd worden aan de communicatie tussen veehouderijbedrijven en omwonenden, vinden de Alterra-onderzoekers. ‘’Dat kan een eerste stap zijn om hinder in beeld te krijgen en te zoeken naar oplossingen. Ook daarbij zou een Belevingsapp een rol kunnen spelen.’’
Afstand tussen veehouderij en woningen 2016 Alterra

Herkenbaar verhaal bewoners Leudal

Overal in het land ondervinden omwonenden van intensieve veehouderijen overlast: stank, stof en lawaai. Die overlast is de afgelopen jaren alleen maar erger geworden.
Woordvoerder Ton van de Wiel van de bewoners van het Karreveld in Heibloem spreekt over zijn ervaringen met vergunningverlening en handhaving in zijn gemeente. Op het Karreveld is een grote varkenshouderij van de Vossen Group gevestigd, alsmede een mestvergister. Een verhaal waarin velen zich zullen herkennen. Bron: Regio Leudal Nieuws

Iets meer dan helft varkenshouderijen heeft luchtwasser

Iets meer dan de helft van de varkenshouderijen in Nederland heeft een luchtwasser. Tien procent wil wel investeren in een (extra) luchtwasser, de rest is dat niet van plan. Dat blijkt uit een onderzoek van AgriDirect, een marketingbureau voor de agrarische sector. Ze hebben 4200 varkens- en pluimveehouders voor dit onderzoek benaderd.
ZLTO-man Hans Huijbers heeft laten weten dat meer dan de helft van de varkensstallen niet geschikt is voor een luchtwasser. Hij zei dat in een reactie op het voornemen van de provincie Brabant om eigenaren van verouderde stallen te verplichten in al 2020 minder stikstof uit te stoten.
Bron: www.agridirect.nl

Geur veehouderijen alleen bij elkaar optellen als dat relevant is

Gemeenten zijn bij het in werking treden van de Omgevingswet niet verplicht de geuremissies van veehouderijen bij elkaar op te tellen. Gemeenten mogen afwegen of een dergelijke ”cumulatie” relevant is.
Dit antwoordt minister Schultz van Haegen van Infrastructuur en Milieu op vragen uit de Tweede Kamer over het ontwerp Besluit Kwaliteit Leefomgeving, een algemene maatregel van bestuur behorende bij de Omgevingswet.
Artikel 5.59, eerste lid, van het ontwerp-Bkl regelt dat bij de vaststelling van een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de geurbelasting door bedrijfsmatige activiteiten op geurgevoelige gebouwen en geurgevoelige locaties. Het tweede lid regelt dat bij die afweging, als er naar het oordeel van het bevoegde bestuursorgaan sprake is van een relevante cumulatie, ook rekening moet worden gehouden met die cumulatie van geur.
Schultz merkt op dat bij deze bepaling is er niet voor gekozen om gemeenten op te dragen altijd alle geur bij elkaar op te tellen. Niet alle geuren veroorzaken hinder en sommige
geuren worden ‘overvleugeld’ door andere geuren en zijn daarom niet erg relevant voor de
beoordeling. In dergelijke gevallen hoeft er ook geen rekening gehouden te worden met de
cumulatie van die geuren, aldus Schultz.

Brijvoer

In de amvb’s zijn geen inhoudelijke regels opgenomen over het bereiden van brijvoer bij veehouderijen. Ook daarover heeft de Tweede Kamer vragen gesteld. Volgens Schultz moet bij het bereiden van brijvoer worden voldaan aan de specifieke zorgplicht. Op grond van die zorgplicht kunnen zo nodig met maatwerk maatregelen worden opgelegd aan degene die de activiteit verricht.
Afhankelijk van de lokale situatie kan er reden zijn om regels in het omgevingsplan op te nemen voor geur afkomstig van het bereiden van brijvoer.

Onderzoek naar luchtwassers
In de antwoorden aan de Kamer kondigt Schultz aan dat er afgelopen oktober opdracht is gegeven om onderzoek te doen naar de werking en het rendement van luchtwassers. Aan de hand van de uitkomsten van dit onderzoek wordt bepaald of het rendement van de luchtwassers opnieuw moet worden beoordeeld.

Voor andere geurzaken die in de vragen aan de orde komen, verwijst Schultz naar de evaluatie geur veehouderij die onlangs is afgerond. Nog voor het eind van het jaar gaat het advies waaraan de werkgroep max 5 odeur heeft meegewerkt, met een ambtelijke reactie naar de Tweede Kamer.
ontwerpbesluit-kwaliteit-leefomgeving-beantwoording-tweede-kamer
ontwerpbesluit-activiteiten-leefomgeving-beantwoording-tweede-kamer-1

 

Onderzoek mestfabriek leidt tot voorbarige conclusie

In Oss bestaan vergevorderde plannen voor een hele grote mestvergister (500.000 ton drijfmest per jaar). De provincie Noord-Brabant heeft inmiddels een definitieve beschikking afgegeven, mede op basis van een onderzoek naar gezondheidseffecten. Dat lijkt voorbarig, want niet bekend is aan welke doses micro-organismen omwonenden blootgesteld worden. De provincie vertrouwt erop dat het allemaal wel meevalt.

Kennelijk heeft men alleen de samenvatting gelezen: ”In Nederland en in de internationale literatuur zijn geen aanwijzingen gevonden dat mestverwerkingsinstallaties een bron zijn voor uitbraken van infectieziekten. Het bedrijfsproces van de voorgestelde mestverwerker is zodanig ingericht dat de verspreiding van micro-organismen en chemische stoffen naar de omgeving wordt tegen gegaan. Zo wordt onder andere de mest gesloten aangeleverd, heerst er een onderdruk in de fabriek, is er een actieve afzuiging van de lucht via luchtwassers voordat de lucht buiten de fabriek komt, wordt het afvalwater gezuiverd middels omgekeerde osmose en wordt het eind product gepasteuriseerd.”

Onzekerheden
Dat lijkt klare taal. Maar in de antwoorden op de diverse vragen die door de provincie aan RIVM en Wageningen Universiteit zijn gesteld, komt een beeld naar voren vol onzekerheden.
Alle lucht die vanuit de mestfabriek naar buiten gaat, passeert een luchtwasser.
Onderzoekers van RIVM en Wageningen Universiteit durven niet te zeggen welke aantallen micro-organismen uiteindelijk de luchtwasser overleven. Daarom kan er geen oordeel gegeven worden over hoeveel ziekteverwekkende micro-organismen
in de buitenlucht terecht komen. ”Aangenomen mag worden dat het aantal ziekteverwekkende micro-organismen dat uitgescheiden wordt naar de buitenlucht en/of het oppervlaktewater groter is wanneer er meer mest verwerkt wordt in de fabriek.”

Geen woord over stank
Het is hoogst opmerkelijk dat de provincie het avontuur met de mestfabriek in Oss ondanks deze waarschuwing wel aandurft. In plaats van te kiezen voor het voorzorgbeginsel, is men gezwicht voor de druk vanuit het agrarisch bedrijfsleven. Wat ook opvalt: in de vraagstelling en in de beantwoording staat geen woord over mogelijke stankoverlast. Alsof geurhinder geen gezondheidsrisico’smet zich meebrengt.

rapport-rivm-over-gezondheidsrisico-mestvergisters-iov-noord-brabant

Advies aan staatssecretaris: burgers beter beschermen tegen stank

Geurhinder vanuit veehouderijen moet, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, worden voorkomen. Aanpassing van de regelgeving is daarvoor noodzakelijk. Bij uitbreidingen van veehouderijen moet gebruik worden gemaakt van de Best Beschikbare Technieken (BBT), adequaat bedrijfsmanagement en een goed ontwerp van de bedrijfsgebouwen om de uitstoot en belasting te beperken.

Dit staat in het advies dat na een evaluatie van anderhalf jaar is uitgebracht aan de staatssecretaris van I&M. Bij deze evaluatie waren gemeenten (VNG), provincies (IPO), bedrijfsleven (LTO), gezondheidsdiensten (GGD GHOR), milieufederaties en burgergroeperingen (werkgroep max 5 odeur) betrokken. Alle partijen willen burgers beter beschermen tegen vermijdbare stank. Essentieel onderdeel van het advies is een toets op de toepassing van BBT. Die dient bij vergunningverlening vooraf te gaan aan een toets aan de hand van geurnormen. Dit betekent dat een veehouder die wil uitbreiden eerst moet kijken hoe hij de geuremissies zoveel mogelijk naar beneden kan brengen. Op die manier komt er een eind aan het zogeheten ”opvullen van normen”, waarbij met behulp van best beschikbare technieken zoveel mogelijk dieren gehouden worden, net zoveel als de geurnormen maximaal toestaan.

Breuk met het verleden
Die breuk met het verleden is hard nodig. Tien jaar geleden zijn er zulke hoge normen opgenomen in de Wet Geurhinder Veehouderij dat bestaande stank uit veehouderijen kon voortduren en nieuwe stank kon ontstaan. Omwonenden van veehouderijen ondervinden daar erg veel hinder van.
Nu de Wet geurhinder veehouderij opgaat in de Omgevingswet zou deze fout kunnen worden hersteld door de normen aanzienlijk te verlagen. De geconsulteerde partijen zijn het echter niet eens kunnen worden over de hoogte van nieuwe normen en de onderbouwing daarvan. De milieufederaties, burgergroeperingen en GGD ‘en vinden dat er voldoende wetenschappelijke grond is voor aanzienlijk scherpere normen: 2 Ou voor de bebouwde kom als standaard norm vast te stellen en maximaal 5 Ou voor het buitengebied. VNG, IPO en LTO willen nader onderzoek.

Cumulatie
Alle partijen zijn het er wel over eens dat cumulatieve effecten (het optellen van stank uit verschillende veehouderijen in een bepaald gebied) moeten worden meegerekend bij het toestaan van geurhinder door een bedrijf. Dat gebeurde vroeger ook, maar de cumulatie is met de Wet Geurhinder Veehouderij geschrapt. Cumulatieve effecten moeten in elk geval in gebieden met een hoge(re) geurbelasting, veroorzaakt door meerdere veehouderijen, betrokken worden bij de vergunningverlening, het aanwijzen van locaties en het verdelen van de beschikbare ontwikkelingsruimte.

50%-regeling
Andere fout uit het verleden – de 50% regeling – is eveneens toe aan een correctie, aldus het advies. Die past niet bij het uitgangspunt dat stank, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, wordt beperkt. Nu mogen veehouderijen die stank reduceren, deze weer voor de helft opvullen. Zo blijven overbelaste situaties bestaan. Gemeenten kunnen van hun eigen afwegingsruimte (essentieel onderdeel van de nieuwe Omgevingswet) gebruik maken om de overbelasting op te heffen dan wel zo veel mogelijk te beperken. De gemeente kan daarbij maatregelen betrekken op het gebied van de bedrijfsvoering, het ontwerp van het bedrijf en andere activiteiten op het erf, zoals het opslaan en omgaan met mest en voer. Voor veehouderijen die niet ontwikkelen en die een geurbelasting veroorzaken die hoger is dan de voorkeurswaarde, dient elke vijf jaar in beeld te worden gebracht hoe de uitstoot en belasting van geur door de veehouderijen kan worden beperkt, aldus het advies.

Concentratiegebieden
Ook het onderscheid tussen concentratiegebieden (max 14 ou buiten de bebouwde kom) en niet-concentratiegebieden (max 8 ou buiten de bebouwde kom) is aan bod gekomen in de evaluatie. De VNG wil dit heroverwegen, de burgergroeperingen, milieufederaties en GGD ‘en willen ervan af.

Melkveehouderijen
Voor melkveebedrijven moeten er gestaffelde afstandseisen komen: hoe meer dieren, hoe groter de afstand tot een burgerwoning, aldus het advies. Geadviseerd wordt een emissiefactor vast te stellen waarmee de bijdrage van de melkveebedrijven aan de cumulatieve geurbelasting in beeld kan worden gebracht.

De werkgroep max 5 odeur en de milieufederaties hebben nadrukkelijk gepleit voor het berekenen en meetellen van andere stankbronnen, zoals het uitrijden van mest, mestverwerkingsinstallaties en brijvoerkeukens. Deze zijn echter niet in het advies opgenomen. Ook de stank van nertsenhouderijen komt niet aan bod in het advies.
Voor meer informatie, zie:
Evaluatie-geurregelgeving-advies-op-hoofdlijnen-22-okt-2016

Onderzoek vakbond varkenshouders schetst vertekend beeld stankoverlast

De Nederlandse Vakbond van Varkenshouders (NVV) heeft zelf een onderzoek laten uitvoeren naar geurhinder en geurbeleving bij omwonenden van varkenshouderijen. ”Geurhinder in de nabijheid van varkensbedrijven wordt door omwonenden niet of nauwelijks ervaren”, zo stelt de vakbond vast.
Een conclusie waarin de meeste omwonenden van varkensbedrijven zich slecht zullen herkennen. De verklaring is echter simpel. Dat er volgens de NVV zo weinig geurhinder voorkomt, heeft te maken met de opzet van het onderzoek. Aan de telefonische enquête hebben 669 omwonenden meegedaan die binnen een straal van 1500 meter van een varkensbedrijf wonen. Daarvan wonen er 395 op een afstand van meer dan 800 meter.
”Wegens de lage dichtheid aan woningen in de nabije omgeving rond veeteeltbedrijven, werden voornamelijk respondenten bekomen op verdere afstand van de betreffende varkenshouderijen”, zo lichten de onderzoekers toe.
Bovendien zijn er slechts vijf varkenshouderijen onder de loep genomen (in Boxtel, Leende, Udenhout, Raamsdonk en Elst). Vier van de vijf stallen beschikken over een luchtwasser. Het onderzoeksrapport vermeldt niet of de stallen ten tijde van het onderzoek (volledig) in gebruik waren. Het gaat om bedrijven die kleiner zijn dan gemiddeld (het grootste heeft 1920 vleesvarkens), en in de wijde omtrek van vier van de vijf bedrijven bevindt zich geen andere varkenshouderij. Niet erg representatief dus.
Hierdoor ontstaat een vertekend beeld.
Het onderzoek is uitgevoerd door het Vlaams Instituut voor Landbouw en Visserij-onderzoek en Olfascan.

Omroep Brabant laat de Brabantse Milieufederatie aan het woord:
De Brabantse Milieufederatie (BMF) heeft veel vraagtekens bij het rapport. Het is maar een steekproef rond vijf bedrijven en er zijn duizenden varkenshouders in de provincie.
“Als de NVV beweert dat 97 procent van de mensen geen stankoverlast heeft, hoe kan het dan dat in Oost-Brabant mensen steen en been klagen over de varkenshouders?”, zegt Nol Verdaasdonk van de BMF. “Er zijn genoeg mensen die nooit in de tuin kunnen zitten of met open raam kunnen slapen vanwege een varkensboer in de buurt.”

Klik hier voor het rapport

”Waanzin om kippen buiten te laten lopen”

”Het is waanzin om kippen buiten te laten lopen. Waar zijn we mee bezig?” zei huisarts Alfons Olde Loohuis op het symposium van het Kennisplatform Veehouderij en humane gezondheid in Den Bosch. Hij deed zijn uitspraak nadat wethouder Aart de Kruijff uit Barneveld had vastgesteld dat alle aandacht voor dierenwelzijn het ”stofvraagstuk” ernstig heeft vergroot. Kippen die scharrelen produceren namelijk veel meer fijnstof. ”Moeten we niet eens aan ons eigen welzijn gaan denken?”, vroeg De Kruijff zich af.

In de Gelderse Vallei gaan ze nu alle pluimveehouders langs om te kijken welke maatregelen ze kunnen treffen zodat de emissie van fijnstof naar beneden kan. Leidraad daarbij zijn de zogeheten best beschikbare technieken (BBT). Volgens Dick Heederik, hoofdonderzoeker van het grote onderzoek naar Veehouderij en gezondheid omwonenden, moet er meer en gedetailleerd gemeten worden, ”zodat we een goed beeld krijgen van wat daar gebeurt. Daar liggen enorm veel kansen.”

Het is bekend dat ten gevolge van het verbod op legbatterijen, de opkomst van scharrelstallen en vrije uitloopstallen de uitstoot van fijnstof door pluimveehouderijen met een factor 16 is verhoogd. Uit het onderzoek van Heederik en anderen blijkt dat met name de emissies van fijnstof uit pluimveehouderijen en de edotoxinen die daarop meeliften, voor gezondheidsproblemen zorgen. Dat het zo uit de hand heeft kunnen lopen, komt mede door berekeningen die de werkelijke effecten onvoldoende aan het licht brengen. ”Er is weinig aandacht geweest voor validatie van modellen”, zei Heederik. ”Daar betalen we nu de prijs voor.”

De werkgroep max 5 odeur bracht tijdens het symposium ook de noodzaak van geurmetingen in. De werkgroep is groot voorstander van zogeheten e-noses. De modellen waarmee geuruitstoot berekend wordt, geven onvoldoende inzicht in de werkelijke geurbelasting.

Meer lezen over het symposium? Ga naar www.kennisplatformveehouderij.nl

Ruim 200.000 mensen in zeer veedichte gebieden

In gebieden met 15 of meer veehouderijen wonen meer dan 200.000 mensen. Dat heeft het televisieprogramma De Monitor becijferd. Volgens de wetenschappers die het recente onderzoek naar de relatie tussen veehouderij en gezondheid hebben onderzocht, vormt een dergelijke concentratie van vee een gezondheidsrisico.

De Monitor is nagegaan om hoeveel mensen het eigenlijk gaat. De resultaten van een data-analyse zijn weergegeven op een kaart.

gebieden-met-binnen-1-km-minimaal-15-veehouderijen

Meer lezen? Kijk op de website van De Monitor

Brede maatschappelijke steun voor rijksnormen bescherming gezondheid

Natuur- en milieuorganisaties en burgergroeperingen willen dat de rijksoverheid de gezondheid van burgers beter beschermt. Ze pleiten voor een basisbeschermingsniveau waarvan gemeenten niet kunnen afwijken. Dit stellen ze in een reactie op de ontwerp-algemene maatregelen van bestuur, behorende bij de nieuwe Omgevingswet.

Volgens de organisaties beschermen de huidige milieunormen de volksgezondheid onvoldoende. Zoals ook de Gezondheidsraad in haar advies *) opmerkt, treedt relatief veel ziektelast als gevolg van luchtverontreiniging en geluidbelasting, op onder de normen. De Omgevingswet heeft als doel het bereiken van een gezonde en veilige leefomgeving en een goede kwaliteit van de leefomgeving. Dat gaat verder dan een ‘aanvaardbare’ kwaliteit. Het is teleurstellend, aldus de organisaties, dat de ontwerpbesluiten om een aantal redenen onvoldoende bijdragen aan het realiseren van dat doel. Daarbij wordt een aantal mensenrechten geschonden (recht op leven, recht op gezondheid). Meer ambitie op rijksniveau is noodzakelijk. Die ambitie vinden de organisaties echter niet terug in de wetgeving. ”De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving worden niet op het niveau gebracht waarop de WHO aandringt. Wij juichen toe dat gemeenten strengere normen mogen stellen, maar onvoldoende ambitie op rijksniveau betekent dat de gezondheid van mensen afhangt van de gemeente waar zij wonen.”

Geur
De organisaties gaan onder meer in op het thema geur en veehouderij. De bestaande geurnormen zijn niet gebaseerd op een relatie tussen geurbelasting en geurhinder, constateren de organisaties. Dat moet in de nieuwe wetgeving beter geregeld worden. Ze vinden het wenselijk dat de toekomstige geurnormen beter aansluiten bij de relatie tussen geurhinder en geurbelasting en dat een maximaal aanvaardbaar percentage hinder de norm bepaalt. De nieuwe normen kunnen gebaseerd worden op de wetenschappelijke onderzoeken van de IRAS en GGD’s, aldus de natuur- en milieuorganisaties, waaronder de werkgroep max 5 odeur.

Om rekening te kunnen houden met cumulatie van geur stellen de organisaties voor in de instructieregels voor gemeentelijke omgevingsplannen een verplichting op te nemen voor een planmatige verdeling van gebruiksruimte, mede gericht op het verbeteren van de leefomgevingskwaliteit en niet alleen op het (her-)verdelen van beschikbare milieuruimte.

De reactie gaat in op de zeer vele aspecten van de leefomgeving die via onder meer het Besluit Actviteiten Leefomgeving en het Besluit Kwaliteit Leefomgeving worden geregeld. De reactie is ondertekend door Natuur- en Milieu, Natuurmonumenten, de Natuur en Milieufederaties, Milieudefensie, Vogelbescherming Nederland, SoortenNL, LandschappenNL, WNF, Waddenvereniging, Max 5 odeur, Vereniging Leefmilieu en Longfonds.

*) Meewegen van gezondheid in het omgevingsbeleid

Klik hier voor de volledige reactie-op-amvbs-omgevingswet